BCCI-imperium zinkt weg in een beerput van list en bedrog; Nooit tevoren was bij een schandaal zoveel geld betrokken

De door mensen uit het Midden-Oosten gedomineerde BCCI ontpopt zich tot de moeder van alle financiële schandalen. Nooit eerder werden op zo'n grote schaal onthullingen gedaan over bancaire fraude en dubieuze handel. Een overzicht van wat tot dusver bekend is geworden.

Hoe verder de beerput open gaat die de Bank of Credit and Commerce International (BCCI) blijkt te zijn, hoe meer viezigheid te voorschijn komt. De afgelopen weken volgen de hele en halve onthullingen elkaar in zo'n tempo op dat gesproken wordt over het grootste bankschandaal uit de geschiedenis.

Omkoping, het vervalsen van boeken, het werken met stromannen en het verlenen van zeer dubieuze diensten aan terroristen, drugs- en wapenhandelaren. Nooit tevoren is bij een schandaal zoveel geld betrokken - de bank had een balanstotaal van een kleine 20 miljard dollar - en waren er zoveel invloedrijke personen in het geding als in de BCCI-affaire. En wat nu bekend is, lijkt nog slechts de top van de ijsberg te zijn.

“BCCI manipuleerde met rekeningen in zo'n enorm en ingewikkeld web van fictieve transacties dat het waarschijnlijk het meest complexe bedrog is in de geschiedenis van het bankwezen”, schrijven de accountants van Price Waterhouse in hun rapport aan de Bank of England. Het rapport vormde voor de Britse bankgouverneur Robin Leigh-Pemberton aanleiding op 5 juli een internationale actie jegens de BCCI te ontketenen. Volgens de Financial Times, die de hand op het geheime stuk wist te leggen, schilderen de accountants “het beeld van een bank waar fraude diep was doorgedrongen in de management-cultuur”.

Nu de jacht goed is geopend, blijkt dat terroristische organisaties, corrupte regeringen en op drugshandel gerichte groeperingen te maken hadden met het inktzwarte imperium van de bank. Daarnaast gaan ook steeds meer beschuldigingen in de richting van politici en invloedrijke ex-politici, van wie pas na de officiële “alles omvattende onderzoeken” zal blijken of zij “ervan wisten” en waarom ze, als ze op de hoogte waren, hebben gezwegen.

Hoewel nog steeds niet geheel duidelijk is welke personen in de directe nabijheid van de bank allemaal op de hoogte waren van de illegale handelingen - of ervoor verantwoordelijk -, gaat de aandacht in eerste instantie uit naar twee Pakistaanse bankiers die een belangrijke rol vervulden binnen de BCCI. Robert Morgenthau, officier van justitie in Manhattan, klaagde op 29 juli twee hoofdverdachten aan: oprichter Agha Hasan Abedi, een ernstig zieke man die enkele jaren geleden wegens zijn gezondheid afstand nam van de BCCI, en Swaleh Naqvi, tot oktober 1990 hoofddirecteur van de bank. De aanklacht tegen beide Pakistani: fraude, valsheid in geschrifte en diefstal van ten minste 30 miljoen dollar.

Morgenthau liet doorschemeren dat zijn aanklacht misschien niet meer dan een kwart van de totale omvang van de fraude met deposito's, niet bestaande leningen en personen, witgewassen drugsgelden en andere onwettige praktijken omvat. Een mogelijke link naar de mafia is nog niet in het openbaar gelegd, al zou de BCCI twee jaar geleden zijn diensten hebben aangeboden bij de verkoop van een ziekenhuis in Florida door een mafia-consortium.

De kans dat een van beide aangeklaagde Pakistani inderdaad in New York terecht zal staan lijkt gering. Hoge Pakistaanse autoriteiten hebben laten weten geen uitlevering van Abedi aan de Verenigde Staten - waarom nog niet is gevraagd - te overwegen. Het Westen zoekt de schuldigen voornamelijk in het Midden-Oosten maar daar wordt op veel plaatsen gesproken van een Westerse samenzwering die bewust de bank te gronde zou hebben gericht. Een hoge functionaris in Pakistan vermoedde zelfs de hand van Israel achter het "complot'. Eerst heeft het Westen geprobeerd Irak te vernietigen, nu is de rest van het Midden-Oosten aan de beurt. De Westerse mogendheden zouden niet tolereren dat een Islamitische bank mondiaal succes heeft, evenmin als ze toestaan dat een land in het Midden-Oosten over nucleaire wapens beschikt, zo luidt de theorie.

Inmiddels zijn ook de autoriteiten in Luxemburg, waar de moedermaatschappij BCCI Holdings SA is gevestigd, overgegaan tot strafvervolging van de BCCI wegens overtreding van de bankwetten en het plegen van fraude. Luxemburg heeft - in navolging van Groot-Brittannië - de bankeigenaren in Abu Dhabi gevraagd gedupeerde particuliere rekeninghouders en het bankpersoneel in het Groothertogdom en de rest van Europa schadeloos te stellen nu de tegoeden zijn bevroren en de deuren van de meeste BCCI-vestigingen op slot zijn. Luxemburg heeft laten doorschemeren eventueel tot liquidatie van BCCI Holdings SA over te kunnen gaan.

Zo'n stap zou de doodssteek betekenen voor de reddingspogingen die in Groot-Brittannië worden ondernomen. Daar kreeg de bank van het Hooggerechtshof tot begin december de tijd een herstructureringsplan op te stellen. Om aan de Britse rekeninghouders en het bankpersoneel tegemoet te komen, maakte Abu Dhabi's machthebber sjeik Zayed bin Sultan al-Nahyan, met ruim 70 procent de belangrijkste aandeelhouder van BCCI, alvast een bedrag van 50 miljoen pond over naar Londen.

Het rapport van het accountantskantoor Price Waterhouse geeft aanwijzingen over de ontstaansgeschiedenis van de fraude. Volgens het document ging de leiding van de bank in het begin van de jaren tachtig in de fout. Vanaf het moment dat de bank was opgericht, in 1972, profiteerde de BCCI van de steeds groeiende olie-rijkdommen in het Midden-Oosten. De zaken gingen echter achteruit toen in de jaren tachtig mondiaal economische problemen ontstonden en ook de olieprijzen kelderden.

Bij een aantal grote klanten van de bank - ondermeer bij de Gulf Group van de ook in Nederland actieve gebroeders Gokal - gingen de zaken slecht. BCCI's malafide praktijken zouden zijn ontstaan doordat de bank de achteruitgang probeerde te verbloemen. Om het vertrouwen van de cliënten te behouden moesten managers het rapporteren van verliezen trachten te vermijden door zich in een ingewikkeld web van fictieve transacties te nestelen. Naarmate de tijd verstreek werd het web dichter en het aantal transacties en betrokken landen groter. De laatste jaren gingen die activiteiten op grote schaal door, volgens Price Waterhouse om totale verliezen van “enkele miljarden dollars” te verbergen. Eigenlijk heeft de bank in haar hele bestaan nooit winst geboekt, maar werd het ene gat met het andere gedekt, concluderen de accountants. “Maar de fraude was zo omvangrijk en zo complex dat de totale verliezen onmogelijk zijn te schatten”, aldus het rapport.

Een opvallend detail in het rapport is de rol van managers en medewerkers van de BCCI. Abedi, die zich vanaf de oprichting van de bank had beroepen op charitatieve doeleinden en de ontwikkeling van Derde-wereldlanden voor ogen had, creëerde volgens Price Waterhouse een cultuur van loyaliteit onder zijn personeel die hen ervan weerhield voor de hand liggende vragen te stellen over duistere transacties. Het feit dat zij dat nalieten, wijst volgens de accountants op hun blinde loyaliteit. Donderdag getuigde een voormalig topaccountant van BCCI tegenover de senaatscommissie voor het bankwezen in Washington dat “nederigheid de voornaamste deugd” was en dat alle afdelingen van de bank door “een Chinese Muur” van elkaar waren gescheiden. Alle afdelingen waren direct verantwoording schuldig aan Abedi en diens rechterhand Naqvi, aldus accountant Mazihur Rahman.

De rol van de regering van Abu Dhabi en de familie van sjeik Zayed, de grootaandeelhouders van de BCCI, blijft vooralsnog onduidelijk. Abedi en Naqvi traden volgens Price Waterhouse op als adviseurs voor de sjeik. De Financial Times heeft uit documenten kunnen reconstrueren dat de regering van Abu Dhabi directeuren van de BCCI in december vorig jaar heeft gewaarschuwd dat een omvangrijk reddingsplan voor de bank gevaar zou lopen indien criminele activiteiten van de bank aan het licht zouden komen. De regering van Abu Dhabi wilde voorkomen - aldus de documenten - dat haar “internationale reputatie” schade zou oplopen.

De reddingsoperatie kwam nooit op gang. Een half jaar eerder, in april 1990, bracht Price Waterhouse regeringsvertegenwoordigers van Abu Dhabi ervan op de hoogte dat “bepaalde transacties” van de BCCI “vals of misleidend” waren. Juist op dat moment kreeg de familie van sjeik Zayed de meerderheid van de BCCI-aandelen in handen. Price Waterhouse wil zich in het rapport niet uitspreken over de mate waarin de grootaandeelhouders zelf op de hoogte waren van frauduleuze handelingen.

Hoewel vertegenwoordigers van het sjeikdom in Europa blijven ontkennen dat Abu Dhabi afwist van de handel en wandel van de bank, is het imago van het oliestaatje in de Golf danig gedeukt. Dinsdag vierde sjeik Zayed het feit dat hij 25 jaar geleden de macht overnam van zijn broer, sjeik Sjakhbut. Dit heuglijke werd ondermeer gevierd met een advertentiebijlage van vier pagina's in de Financial Times waarin de deugden van het sjeikdom en zijn machthebber en het gunstige financiële klimaat in alle toonaarden werden geprezen. Op een redactiepagina pal ervoor hadden de lezers net alle dagelijkse ellende over the BCCI shutdown kunnen vernemen.

Ondertussen heeft het bankschandaal politiek en economisch zijn sporen in alle delen van de wereld nagelaten. In Groot-Brittannië, waarvandaan het overwegend Pakistaanse management de bank leidde, speelt onder meer de vraag in hoeverre premier John Major al eerder - als verantwoordelijke man op het ministerie van financiën - op de hoogte was van de affaire-BCCI. Hij verklaarde op 22 juli in het Lagerhuis dat hij pas een week voor de sluiting van de bank op de hoogte werd gebracht. Hij beloofde zich beschikbaar te zullen stellen als getuige in een “alles omvattend onafhankelijk onderzoek” naar de zaak in Groot-Brittannië. Dat onderzoek staat onder leiding van Lord Bingham. De enquête heeft overigens achter gesloten deuren plaats, alleen de conclusies en aanbevelingen zullen openbaar worden gemaakt.

Kleinere banken in het Verenigd Koninkrijk zijn in de problemen gekomen doordat veel rekeninghouders hun tegoeden hebben overgeheveld naar grotere banken waarvan de reputaties hen kennelijk meer vertrouwen inboezemen.

In de Verenigde Staten is door de ontrafeling van de BCCI-affaire onder meer Washingtons grootste bank, First American Bankshares, in opspraak geraakt. BCCI bleek in het geheim een meerderheidsbelang in First American te hebben verworven. Voor de vooraanstaande advocaat en voormalige minister van defensie Clark M. Clifford, die voorzitter is van de raad van commissarissen van First American, wordt het steeds moeilijker te ontkennen dat hij van de BCCI-betrokkenheid op de hoogte was. Volgens de accountants van Price Waterhouse vormde het BCCI-aandeel in First American een essentieel onderdeel in allerlei dubieuze transacties. Via allerlei listige boekhoudkundige trucjes zou de BCCI honderden miljoenen dollars van de Amerikaanse bank hebben overgeheveld naar de eigen boeken ten einde daarmee geleden verliezen te maskeren.

Het Amerikaanse ministerie van justitie kon in 1988 al beschikken over informatie die de betrokkenheid van de BCCI bij First American aantoonde, getuige verschillende verklaringen in het Amerikaanse tijdschrift Newsweek. Een intern onderzoek naar de beschuldigingen jegens het ministerie is inmiddels gaande.

Dat de Amerikaanse inlichtingendienst CIA voor een aantal spraakmakende operaties gebruik heeft gemaakt van de diensten van BCCI staat vrijwel vast. In de jaren tachtig sluisde de dienst via de bank geld door naar Afghaanse rebellen en naar de contra's in Nicaragua. In dat laatste geval was het geld verdiend aan geheime wapenverkopen aan Iran. Panama's dictator Manuel Noriega kreeg van de CIA het advies rekeningen te openen om dezelfde contra's in Nicaragua te sponsoren in hun strijd tegen het bewind van Daniel Ortega. Later gebruikte Noriega - momenteel in de gevangenis in Florida in afwachting van zijn proces wegens drugsdelicten - dezelfde rekeningen om zijn eigen drugswinsten in een meer geciviliseerde geldsoort om te zetten; voor de CIA was dit een plausibele reden de sterke man af te zetten na de Amerikaanse invasie van Panama.

Volgens The Economist was de Central Intelligence Agency op zijn laatst in 1986 op de hoogte van de corrupte praktijken van de BCCI. De bank bleek voor inlichtingendiensten de bij uitstek geschikte partner te zijn om duistere zaakjes af te handelen. Tegelijkertijd boden de contacten met de BCCI een ideale mogelijkheid criminele organisaties en verdachte personen van dichtbij in de gaten te houden. Om die twee redenen had de CIA er weinig baat bij de kennis over de praktijken van de bank openbaar te maken. Dat gold vermoedelijk ook voor andere geheime diensten, zoals de Britse MI 5 en de Franse contraspionagedienst DST. Beide zeggen al enkele jaren op de hoogte te zijn geweest van de zaken die de Palestijnse terrorist Abu Nidal deed via de BCCI. De CIA heeft inmiddels aangekondigd een intern onderzoek te zullen instellen naar de betrokkenheid bij de BCCI.

Aanwijzingen (nog geen bewijzen) zijn er ook dat BCCI een hand had in de smokkel van nucleair materieel naar Pakistan welk land poogde een eigen kernbom te vervaardigen. Evenzeer zou BCCI volgens sommige berichten hand- en spandiensten hebben verleend aan Iraks dictator Saddam Hussein, onder meer bij het ten eigen bate aanwenden van een deel van Iraks omvangrijke olie-inkomsten.

Geen enkel werelddeel blijft buiten schot. In Latijns Amerika is grote opwinding ontstaan over beschuldigingen dat de vroegere president van Peru, Alan Garcia, profiteerde of wist van een omkopingszaak waarbij functionarissen van de centrale bank van Peru een groot deel van 's lands financiële reserves bij BCCI onderbrachten. In Argentinië wordt de aanklacht onderzocht dat naaste medewerkers van president Carlos Menem en ook diens schoonzuster, waren betrokken bij het witwassen van drugsgeld via het BCCI-kantoor in Buenos Aires.

In de Derde wereld maakt de BCCI-affaire nog de meeste slachtoffers, vooral onder particuliere rekeninghouders. In veel Afrikaanse landen bestaan geen garantieregelingen die cliënten beschermen tegen het faillissement van een bank. Juist in Afrika, waar BCCI ongeveer 11 procent van de aan haar toevertrouwde middelen van in totaal 20 miljard dollar vandaan haalde, was het geen uitzondering als regeringen en bedrijven de bank voor bonafide zaken gebruikten. In veel Afrikaanse landen maakten de BCCI-activiteiten een veel groter deel uit van de economie dan in Westerse landen. Nigeria, als koploper op het continent, had volgens de Wall Street Journal 584 miljoen dollar uitstaan bij de bank. In Kameroen stond meer dan 30 procent van de tegoeden van de regering vast bij de BCCI. Door het bevriezen van de BCCI-tegoeden zijn in Afrika onder meer internationale hulp- en ontwikkelingsprogramma's en een deel van de handel stil komen te liggen of worden ernstig vertraagd.

Veel vragen rondom BCCI blijven voorlopig nog onopgelost. Een van de belangrijkste is wel waarom allerlei personen en instanties zolang hebben gezwegen terwijl ze wisten dat er van alles niet pluis was bij de bank. Een hoogst curieuze rol speelt wat dat betreft ook BCCI-accountant Price Waterhouse zelf, die steeds meer kritiek te verduren krijgt. Ondanks waarschuwingen aan diverse betrokkenen bij de bank in april vorig jaar, zette de externe accountant “na discussies met onszelf en de toezichthouders” wel zijn handtekening onder de jaarstukken over 1989 zonder de vuile was buiten te hangen.

Een brandende kwestie is ook de gebrekkige supervisie op internationaal opererende banken. De BCCI-affaire toont aan dat toezichthouders niet over voldoende instrumenten beschikken om een internationaal financieel netwerk, zonder een direct verantwoordelijk land, onder controle te houden. Steeds meer wordt gewezen op de noodzaak van één enkele toezichthoudende instantie die de juridische macht bezit om op te treden wanneer een bank haar statutaire zetel heeft in Luxemburg, het overwegend Pakistaanse mangement haar voornaamste transacties doet in Londen en via de Kaaiman-Eilanden terwijl haar aandeelhouders in het Midden-Oosten verblijven.

De BCCI-affaire in hoofdlijnen (zie fiche)