Batignolles

Het square des Batignolles is een wat armoediger versie van het parc Monceau; een heel landschap is gepropt in een betrekkelijk kleine rechthoek, compleet met berg, beek, meer en golvende grasvelden, en een batterij van attracties voor kinderen: draaimolen, schommels, een piste voor trapautootjes, een kiosk en meerdere zandbakken.

Alsof ze vastbesloten waren een exemplaar van alles te hebben (all human life is here) hadden de ontwerpers in hun zorgzaamheid ook gedacht aan een braakliggend terrein; het bevond zich aan het verre, of slechte, eind van het plantsoen, grenzend aan de achterkant van het Gare des marchandises. Het was een getrouwe reproduktie van het soort stadslandschap dat je aantreft bij publieke waterplaatsen, een stoffig, rommelig stuk grond waar wat mensen doelloos rondhingen. Er was ook een omrasterd terrein voor het jeu de boules, het zag er grimmig uit en behoorde aan een particuliere club maar ik kan me niet herinneren er ooit iemand te hebben zien spelen.

Maar aan die kant van het park kwamen we niet, hoewel het op mijn dochtertje altijd een vreemde aantrekkingskracht bleef uitoefenen. Zelfs in gezelschap van een kind, meestal toch een tamelijk effectieve beveiliging tegen zulke dingen, kreeg je het gevoel dat je daar liep om opgepikt te worden. De rest van het plantsoen was, daarentegen, uiterst respectabel. Er hing een vreemde sfeer, veroorzaakt door het bijna volledig ontbreken van gewone mensen; de bezoekers waren of bejaard of zeer jong; iedereen er tussenin was daar als begeleider van een der voornoemde categorieën en uit dien hoofde beperkt in zijn actieradius. Er waren banken langs een hele zijde van de rechthoek, op zonnige dagen volledig in beslag genomen door le troisième âge, en als je daar langsliep, achter je kind aan, werd je vergast op een soort meebewegend commentaar: "Qu'il est mignon!' (ik gaf het al gauw op om te zeggen dat het een meisje was) "Il n'a pas froid comme ça?' "Attention, il va tomber!' "Ça y est!'. Wat je noemt een rustig uitje met je kind; het was meer alsof je op het toneel stond.

Het square des Batignolles beschikte over een parkwachter die zijn fluit gebruikte als een aanvalswapen. Je hoefde maar één voet op het verboden gras te zetten en hij sloeg alarm: de mensen vlogen overeind en keken om zich heen, zich afvragend of dat oorverdovende geloei iets met hen te maken had. Het was duidelijk dat in de Parijse plantsoenen het publiek niet dan met tegenzin werd toegelaten; om een of andere duistere reden moest het nu eenmaal, maar het zou veel eenvoudiger zijn het park te runnen zonder al die lastige mensen die proberen op het gras te lopen of bij het water te komen. Tijdens mijn eerste zomer in de Batignolles was er, net als in het parc Monceau, nog een stukje grasveld beschikbaar om op te lopen (accès réservé aux enfants de moins de quatre ans), maar het experiment was kennelijk niet positief uitgevallen en het werd niet herhaald. De parkwachter, dolgemaakt door al die slome bezoekers die naar het grasveld informeerden, werd steeds nijdiger en stelde er een sadistisch genoegen in ze hun illusies te ontnemen: "Ah non!', riep hij dan, alsof de vraag zelf al een vorm van insubordinatie was. De meeste kinderen waren als de dood voor hem, maar dat kwam ook omdat hun moeders hem als boeman gebruikten wanneer ze ondeugend waren: "Pas op of ik zal die meneer roepen' (Si tu continues je vais appeler le monsieur). Eens, in een ander park, heb ik meegemaakt dat een parkwachter die voor dit doel gebruikt werd protesteerde tegen de moeder - een bevredigende ervaring.

Het square des Batignolles werd ook bezocht door groepen kinderen van peuterspeelzalen, "ateliers' zoals de Fransen ze noemen, gemakkelijk herkenbaar aan het feit dat de begeleidende volwassenen voortdurend op hun vingers liepen te tellen ("Y'en a que treize! Où il est, Florian?'), en waarvan mijn dochter deel uitmaakte vanaf het moment dat zij de leeftijd van twee jaar bereikt had. Het vinden van zo'n speelzaal was op zichzelf al een boeiende ervaring. Ik had al eens, terwijl ik nog zwanger was, een gemeentelijke crèche bezocht; kinderen werden daar aangenomen vanaf vier maanden. Uiteraard was er geen plaats; net als voor de public schools in Engeland moet je je kinderen eigenlijk al ruim voor de ontvangenis inschrijven.

Ook mocht je niet zien waar de baby's werden ondergebracht. "Ah non!', riep de directrice toen ik daarom vroeg. Haar excuus was dat ik wel eens rodehond zou kunnen oplopen. Nu had ik dat al gehad, maar ik kwam er toch niet in.

De peuterspeelzalen hadden ook hun nadelen. In sommige moest het kind niet alleen twee jaar oud maar ook al propre (zindelijk) zijn, over één ging het verhaal dat de kinderen er in de kelder met het stofzuigersnoer zaten te spelen en over een andere werd gezegd dat er onvoldoende toezicht was ("Ik had Celine daar ondergebracht en toen ik later voorbijkwam vond ik haar aan de overkant van de straat', vertelde een buurvrouw). Het informatieblaadje van een van de ateliers bevatte een reglement dat een hele bladzijde besloeg, gevolgd door de zonderlinge waarschuwing dat ze de kinderen wel eens schminkten, maar dat was niets om van te schrikken, de schmink was gemakkelijk afwasbaar. Het zonderlinge schuilde vooral in de formulering: "Il nous arrive souvent de maquiller les enfants', dat klinkt een beetje alsof ze door een onweerstaanbare impuls werden gedreven, voor hun eigen genoegen of voor een belangrijk doel: "het overkomt ons de kinderen te onderwerpen aan wetenschappelijke experimenten, maar wees gerust, de elektroden laten geen permanente littekens na'.

Nu, milder geworden door het voorbijgaan van de tijd en heimwee naar Frankrijk, hebben zelfs zulke eigenaardigheden iets dierbaars gekregen, maar op het moment zelf hebben we er nogal wat moeite voor over gehad om een aantrekkelijk atelier voor onze dochter te vinden; wanneer ik haar 's middags kwam ophalen was zij niet geschminkt, hoogstens wat modderig van haar uitstapjes naar de Batignolles. De hele groep ging daar twee keer per dag naar toe, een optocht van dwergjes die onderling waren verbonden door een koord dat ze allemaal moesten vasthouden. Zo grondig waren ze geprogrammeerd dat koord onder alle omstandigheden vast te houden, dat hun handen soms moesten worden losgemaakt wanneer moeders hun kind onderweg kwamen ophalen. Meermalen heb ik ze zo voorbij zien komen. Hun voortgang was uiterst langzaam; soms struikelde er een en dan gingen ze allemaal omver als kegels. Een ander onderdeel van het ritueel was dat ze onderweg op een zeker punt, bij een soort overdekte entree, iets mochten doen dat hun in de speelzaal niet was toegestaan, namelijk heel hard schreeuwen; dat deden ze, moet ik zeggen, ook zeer geestdriftig.

Soms haalde ik mijn dochter aan het eind van de ochtend op in het plantsoen; het was er dan prettig, bijna leeg, maar verder kwam ik er niet veel meer. De enige reden dat we er nog wel eens heengingen was dat zich daar een draaimolen bevond die voor kleuters wel de mooiste in Parijs moest zijn. Hij was niet heel groot en er waren geen dingen die op en neergingen, maar de grote attractie was dat er heel echt uitziende autootjes en fietsjes op ronddraaiden. Mijn dochter was speciaal dol op een klein rood open autootje, waarin zij er uitzag als een filmster uit de jaren vijftig. Er was zelfs een claxon die echt functioneerde. Daar ging ze dan in de rondte, wuivend en toeterend, in een staat van totale gelukzaligheid. De tickets die toegang tot die draaimolen gaven werden tijdens de rit weer ingenomen. Ik heb er een bewaard: het is gedrukt op vloeipapierachtig karton en beduimeld. Ook de tekst er op lijkt uit het eind van de vorige eeuw te dateren; Attraction du square, staat er op, en daaronder: Manège enfantin. Hoeveel generaties kinderen hebben daar rondgedraaid met dat kaartje in hun hand?