Albanië is een ruïne, Albanië is dood

TIRANA, 10 AUG. “Het gaat mij goed. Ik ben een geluksvogel. Maar woensdag, de dag van de exodus, toen vanuit Tirana duizenden mensen op weg gingen naar Durrës om per schip naar Italië te vluchten, heb ik in de verleiding verkeerd ook te gaan. Ik heb op het Skanderbegplein vrienden begroet met een grapje, ik heb gezegd: zo, ben je nog hier? Ben je niet in Durrës? Alleen, het was maar ten dele een grapje.”

Het gaat Asllan Stefa goed. Hij is afdelingshoofd op een ministerie, met een salaris van duizend lek per maand, tweehonderd gulden, het dubbele van het gemiddelde maandloon. Hij heeft de beschikking over een auto, hij mag soms voor zijn werk op reis, hij heeft een televisie, hij behoort, zegt hij zelf, tot de elite van de bevolking.

Niettemin - ook Asllan Stefa ziet zichzelf toch wel eens op de boot naar Italië stappen. “Ik weet welke je argumenten zijn”, zegt hij. “Ik weet dat ik in het Westen niet welkom ben. Ik weet dat ik er nooit in mijn eigen vak of op mijn huidige niveau kan werken. Ik weet ook dat Albanië me nodig heeft, juist nu. Maar dat is het punt niet. Het punt is dat Albanië een ruïne is. Albanië is dood. Er is geen hoop voor ons. Als ik in Italië als stratemaker of elektricien werk, al is het maar voor één of twee jaar, ben ik rijker dan ik hier ooit zal kunnen worden. Ik zal mijn familie spullen kunnen sturen die ik hier misschien over tien of vijftien jaar zal kunnen krijgen. Kijk naar de zwarte markt: 95 procent van wat je daar te koop vindt, is gestuurd door de vluchtelingen die in de lente van vorig jaar ontsnapten, zaken als cassetterecorders, aanstekers, kleding of speelkaarten, die onder het vorige regime altijd verboden waren.”

Albanië bevindt zich een half jaar na de bevrijding in een angstwekkend type economische, politieke en morele crisis. De economie is ingestort. Achter de rust aan de oppervlakte, achter de gemoedelijkheid van de traditionele dagelijkse pantoffelparade in het centrum van Tirana, elke namiddag tot het donker wordt, gaan harde feiten schuil: 35 procent van de bevolking is werkloos in een land zonder uitkeringen, de prijzen stijgen en voedsel ontbreekt.

Melk, olie, eieren, meel, vis, koffie, vlees, rijst en vaak zelfs brood zijn niet of bijna niet meer te krijgen. In groentewinkels is doorgaans niet meer te vinden dan een bak met augurken en veel, veel lege schappen. Elke ochtend vormen zich bij de broodwinkels rijen wachtenden, die hopen op de aanvoer van brood, en vaak komt dat brood niet.

Pag. 5:

"Wij zijn de proletariërs van Europa'

Restaurants hebben hun deuren gesloten omdat er niets te eten is en in de drie of vier restaurants die in Tirana nog open zijn is de menukaart afgeschaft omdat er doorgaans maar één menu is. Zelfs op de privé-markt, waar boeren hun produkten vrij verkopen, liggen slechts wat kisten met granaatappels en watermeloenen. Zeep, wijn en bier zijn al maanden lang nergens waargenomen.

Stefa: “En dan is Tirana nog de best bevoorrade stad. Op het platteland is de situatie nog veel slechter. Er zijn streken waar al weken geen brood meer is verkocht.” Bovendien, zegt hij, kunnen de meeste Albanezen het voedsel, àls het al te krijgen is, niet of nauwelijks betalen.

Een Albanees verdient gemiddeld vijfhonderd lek op het platteland, zevenhonderd lek in de stad. Hij heeft per dag twintig lek te besteden. Maar vlees kost 33 lek per kilo, olie kost 19,50 lek, kaas 17 lek, koffie 60 tot 90 lek per kilo. Die twintig lek zijn snel op. De meeste voedselprodukten zijn op de bon. Maar als je bonnen hebt die je recht geven op twee kilo suiker per gezin per maand, betekent dat niet dat je die twee kilo vindt, en als je ze vindt betekent dat niet dat je ze kunt betalen.''

Het gaat, zegt Stefa, niet alleen om het eten dat ontbreekt. “Het gaat om meer, niemand ziet een uitweg, iedereen is gedesillusioneerd en gedemoraliseerd. De fabrieken werken niet omdat er geen grondstoffen zijn. De boeren produceren alleen voor eigen gebruik omdat de coöperaties zijn ontmanteld en voorlopig onduidelijk is wie welk stuk grond mag bebouwen. Het hele economische leven is tot stilstand gekomen. Alles stagneert. We bevinden ons in een vrije val. Kijk rond in Tirana. Tijdens de rellen van begin dit jaar zijn overal in het centrum ruiten gesneuveld. Duizenden ruiten. Die zijn nog nergens vervangen, zelfs niet bij regeringsgebouwen of het Cultuurpaleis. Waarom niet? Omdat de enige glasfabriek van het land niet werkt bij gebrek aan grondstoffen. Boeken zijn hier al maanden niet verschenen. Waarom niet? Omdat er geen papier is. De kranten verschijnen om die reden ook maar twee of drie keer per week.”

De Albanese samenleving, zegt Stefa, is klein, geordend en overzichtelijk. “Iedereen kent iedereen. En iedereen had wel vrienden, familieleden of bekenden onder de duizenden Albanezen die vorig jaar naar Italië zijn ontsnapt. Men weet hoe het hun is vergaan: ze verdienen als ongeschoold arbeider misschien 200.000 lire per maand. Dat is al de helft meer dan ik hier als lid van de elite verdien. En zij sturen hun familie spullen die hier niet te krijgen zijn. In Athene verdringen zich zo veel Albanese dagloners dat het centrale Omonia-plein al Albanië-plein wordt genoemd. Zij verdienen er tweeduizend drachme per dag - dat is 250 lek. Voor dat bedrag moeten ze hier twee weken werken.”

Dat is de aantrekkingskracht van het buitenland, zegt Stefa. Dat maakt begrijpelijk waarom Albanezen - alle Albanezen - bereid zijn hun familie te verlaten en zich in het buitenland te laten vernederen. “Jullie kunnen je ons leven hier niet voorstellen. Jullie kunnen ons zeggen: blijf in Albanië. Proletariërs, zo hebben we hier altijd geleerd, maken de revolutie omdat ze niets te verliezen hebben. Welnu, we zijn de proletariërs van Europa. We hebben niets te verliezen. Iedereen maakte woensdag dat grapje: zo, waarom ben je niet in Durrës. Maar ik weet zeker: het was voor niemand werkelijk een grap. Het was iedereen ernst.”

Pëllumb Bataj is een van Albaniës bekendste journalisten. Hij is politiek commentator van het blad Bashkimi. Zijn voornaam betekent duif, maar zijn stijl is die van de havik, een havik die boos inhakt zowel op politici van de oude stempel, de ex-communisten die in hun hart communist zijn gebleven, als op de nieuwe democraten die hij gewoonlijk omschrijft als incapabele zakkenvullers. “De politici hebben ons alles beloofd”, zegt hij. “De zee bevatte opeens geen zout water meer, de zee bevatte yoghurt, honing, vlees en mooie meisjes. De politici hebben ons wijsgemaakt dat de hele wereld ons te hulp zou komen. Maar de wereld weet niet eens waar Albanië ligt.”

Na de verkiezingen van maart, zegt Bataj, hebben de Albanezen het vertrouwen in de politiek snel verloren. “Ze hebben geen boodschap meer aan de regering en het parlement. Ze willen eten. Ze willen mens zijn. Ze zijn het lachen verleerd, het voetballen verleerd. Ze doen nog maar één ding: in de rij staan. Ik kom rond van 450 lek in de maand. Ik leef niet. Ik overleef. Letterlijk: ik hou me in leven met kaas en tomaten. Daarom lopen de mensen weg.”

En zo, zegt Bataj, vergaat het alle Albanezen. “Ik heb geschreven, in Bashkimi: Heren ministers, let op het volk, het volk is groot als de oceaan, en als het boos wordt, en blind van honger, komt het tot bloedvergieten.” Bataj haalt de schouders op. “Of het helpt? Nee. Het helpt niet. Albanië kookt, en kookt steeds harder. Albanië is een bom, vlak voor de explosie.”