Wereld wacht niet op Albanië

DURRËS, 9 AUG. De bloedplas op het asfalt voor de toegangspoort tot de haven van Durrës is nog niet opgedroogd. Er zijn bloemen neergelegd die al langzaam verleppen, uit de bomen geplukte oleanders. Dertig, veertig mannen staan er omheen. Een van hen wijst naar het bloed: Ramiz Alia, zegt hij, Ramiz Alia, de president, heeft dit op zijn geweten.

Hier, zegt Arian Shehu, arbeider in Albaniës grootste haven, is drie uur geleden een vluchteling doodgeschoten, een apotheker uit Librazhd, hij is door drie kogels geraakt, twee in de borst, één in de mond. Een van de omstanders bukt zich, zoekt tussen de bloemen, haalt een tand te voorschijn en laat die zien. Sluipschutters, zegt iemand, sluipschutters van de politie. “We hebben de dode naar het ziekenhuis gebracht”, zegt Shehu, “en daarna hebben we hem op onze schouders door de stad gedragen, en ten slotte hebben we hem opgebaard in een gebouw in de haven. Daar ligt hij nog, tot zijn familie hem komt halen.”

Bij het geweld van gisterochtend zijn in Durrës ook acht gewonden gevallen, alle in de menigte die donderdag in de ochtenduren trachtte door te dringen tot het haventerrein in de hoop op een boot naar Italië te kunnen komen. De problemen begonnen in Durrës woensdag, een dag nadat in de haven van Vlorë, verder naar het zuiden, vluchtelingen zich met geweld meester hadden gemaakt van enkele schepen. Shehu: “Het begon hier 's ochtends, toen 100 tot 150 jongeren naar de haven kwamen en zelf de toegangspoort openden. Toen het nieuws zich verspreidde dat de haven open was, groeide de menigte snel. Men kwam spontaan, zelfs van de stranden kwamen de mensen om aan boord te gaan van de schepen. Maar er waren er maar drie, twee kleine en de Vlorë, een 15.000-tonner.”

De politie of het leger lieten zich woensdag in de haven nog niet zien. Misschien, zegt Shehu, had iemand van het gemeentebestuur of van de Democratische Partij de massavlucht kunnen voorkomen door de mensen te kalmeren en hun te vertellen dat wereld niet op Albanese vluchtelingen zit te wachten. Maar zo iemand was er niet. “De mensen waren door het dolle heen. Je moet hen begrijpen. Er is in Albanië te veel misère. Er is honger, er is geen brood, geen werk, geen perspectief. De mensen geloven dat alleen vluchten een uitweg biedt.”

Woensdagmiddag laat, toen de twee kleine schepen al waren vertrokken, hadden zich 10.000 mensen toegang verschaft tot het vrachtschip Vlorë. De bemanning bezwoer dat het schip niet zeewaardig was, omdat het in Durrës lag om gerepareerd te worden. Het hielp niets: om half zeven 's avonds voer het schip de haven uit, op weg naar Italië. Zelfs toen het honderd meter uit de kust was sprongen nog mensen in het water in een poging het zwemmend te bereiken.

Pag. 4:

Aan de haven staat Hoxha's lege sokkel

In tegenstelling tot wat de Albanese regering gisteren meldde, is woensdag in Durrës geen geweld gebruikt, noch van de kant van de vluchtelingen, noch van de kant van de politie. Als er, als gemeld, woensdag vier politiemannen gewond zijn geraakt, zegt Shehu, dan is dat elders gebeurd, maar niet hier in Durrës.

Na het vertrek van de Vlorë lagen er woensdagavond in Durrës geen schepen meer, maar in de haven stonden nog duizenden mensen te wachten, een menigte die van uur tot uur groeide, omdat tientallen vrachtwagens, de laadbak volgestouwd met mensen uit Tirana, Shkodër, Elbasan en andere steden in Durrës aankwamen. De autoriteiten legden het treinverkeer naar Durrës stil en richtten op diverse wegen naar de stad barricades op, maar in de nacht van woensdag op donderdag bevonden zich niettemin vele duizenden vluchtelingen in de stad. Al hun hoop was gevestigd op de reguliere tiendaagse wijnboot uit Triëst, die gisteren in Durrës werd verwacht.

Toen de menigte gisterochtend naar de haven toog, stuitte ze op een dubbel kordon. Shehu: “De tweede lijn werd gevormd door de politie, de eerste lijn door "326'ers', leden van legereenheid 326, de elitetroepen van het ministerie van binnenlandse zaken, bewapend met kalasjnikovs.” Plotseling werd er geschoten. Shehu: “Niemand heeft de soldaten in de rij voor het hek van de haven zien schieten. Ook de politie vuurde niet. De schoten kwamen van achter de betogers, van sluipschutters in de havengebouwen. Een paar mensen hebben een officier met een pistool zien schieten, maar we weten niet of dat klopt. Er zijn patroonhulzen van kalasjnikov-kogels gevonden.” Een omstander reikt er één aan.

Shehu: “Het was nodeloos geweld. Er werd niet geprovoceerd, niet geschreeuwd of met stenen gegooid. Als men de poort naar de haven had geopend en de vluchtelingen had laten zien dat er geen schepen lagen, waren ze rustig weggegaan.” Hij wijst naar een lege sokkel naast de havenpoort, de sokkel waarop tot voor kort het bronzen borstbeeld van dictator Enver Hoxha heeft gestaan: “Het is zijn schuld dat dit gebeurt. Schrijft u op alstublieft: Albanië is geruïneerd. We bevinden ons in een heel moeilijke geestelijke en materiële toestand. Er is geen perspectief voor de jeugd. Daarom vluchten ze. Ze hebben honger. Ze hebben geen hoop”.

Later gisteren beloofde minister van defensie Perikli Teta te zullen aftreden als de schuldigen aan de schietpartij van 's ochtends niet worden gevonden en bestraft. Hij verklaarde de haven - de lege haven - van Durrës tot militair gebied, maar trok niettemin de meeste militairen uit Durrës terug.

Gisteren waren nog tientallen vrachtauto's uit de hoofdstad Tirana naar Durrës onderweg, vol met mensen die tegen beter weten in hoopten aan boord van een schip te komen. Tegelijkertijd waren de duizenden die woensdag naar Durrës waren gereisd op de terugweg naar de hoofdstad, een leger van gedesillusioneerden, sjokkend in de brandende zon, proberend een lift van een vrachtwagen te krijgen, gadegeslagen door de kwade torren van het Albanese landschap, de ronde, betonnen geschutskoepeltjes die Enver Hoxha in de jaren zeventig bij duizenden achter elke bocht, in elk dorp en op elke heuvel heeft laten neerzetten om Albanië te verdedigen tegen buitenlandse invallers.