Vooruitgang

Natuurlijk ben ik voor vooruitgang, als er maar niet te veel verandert.

Ik herinner me die uitspraak (van een Brits parlementslid) nu in Ierland, want dat is een land waar tradities en gewoontes een taai en soms zwaarmoedig bestaan hebben en waar het heel lang duurt voordat iets vergeten kan worden. De herinnering is er langzaam en gesloten als steen.

Veel moderne Europeanen vinden dat pittoresk en achterlijk. In landen als Frankrijk, Nederland of Duitsland heerst, ten minste vanaf het midden van de negentiende eeuw, een buitensporige drang naar modernisering. Alle traditionele waarden moeten daarom oplossen. Alles moet losraken van vroeger om opnieuw te worden geordend. Een pijnlijk voorbeeld is wat er in Nederland met het middelbaar onderwijs is gebeurd.

Ook in de kunst heeft de obsessie met modernisering die ons denken beheerst, een precieze uitwerking. Voor de gewone, ontwikkelde Nederlander moet serieuze kunst eigenlijk wel progressief zijn - zoals ook iedere goede kunstenaar eigenlijk links moet zijn (liefst, in zijn jeugd, communist of anders lid van de NJN). Zo wordt, en terecht, onze twintigste eeuw vooral gemarkeerd door Mondriaan en De Stijl maar dat geeft niemand het recht om de grote ernst van Kees Verweij of Gerrit Benner of Co Westerik te vergeten.

In Ierland, en ook in Noorwegen, liggen de dingen anders. Daar is de vooruitgang immers in handen geweest van anderen: in Ierland bij voorbeeld van de Britten. De koloniale geschiedenis van Noorwegen is minder schrijnend, maar het land was eeuwenlang een Zweedse of Deense provincie - en pas in 1904 kon Christiana haar Vikingnaam Oslo aannemen.

Voor de dichter W.B. Yeats (1865-1939) ging het erom een heldere stem te laten klinken en om een verregaand kapotte geschiedenis, en gevoelens, van de vreemde vooruitgang te redden. Hij was een vriend van grote modernisten als Eliot en Pound maar hun experimentele poëzie was voor Yeats bijna te frivool. Voor zijn doel moest hij een traditionele vorm handhaven: het couplet dat ook gezongen zou kunnen worden. In soortgelijke omstandigheden heeft zijn tijdgenoot Edvard Munch (1862- 1944) nooit iets met het Impressionisme, de wendbare moderne kunst, kunnen beginnen: te transparant, te experimenteel. Hij kwam uit bij een zware, compacte vorm, primitief en middeleeuws bijna, sonoor van toon en indrukwekkend als een boegbeeld. Twee grote, conservatieve meesters.