Vakbonden vrezen "WAO-diefstal'

ROTTERDAM, 9 AUG. Het schokeffect dat de kabinetsplannen tegen ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid teweeg hebben gebracht heeft nu ook zijn electorale neerslag gekregen. Voor het eerst sinds zijn aantreden is het kabinet Lubbers-Kok zijn meerderheid kwijt. Tegenover het applaus uit werkgeverskringen, laakt de vakbeweging de haast waarmee het kabinet “van de WAO een glijbaan richting bijstand wil maken”.

De ingreep zou de WAO (volledig door werknemers betaald) wel goedkoper maken. Maar de vakbeweging vreest dat het kabinet deze "financiële ruimte' direct inpikt door belastingverhoging. “Dat is diefstal.”

De boodschappen die het kabinet het afgelopen half jaar uitzond klonken steeds onheilspellender. In de Tussenbalans (februari) ging het nog om een ombuiging die eind 1994 ongeveer 3,8 miljard gulden moest opleveren, in het gewraakte kabinetsbesluit van vorige maand was dit bedrag opgelopen tot 4,4 miljard. In de tussentijd zinspeelden de ministers Andriessen (maart) en De Vries (april) en CDA-fractieleider Brinkman (eveneens april) openlijk op drastische ingrepen in de AAW-WAO, de arbeidsongeschiktheidsregeling die als de grootste boosdoener werd gezien.

Andriessen zag wel iets in beperking van de uitkeringsduur, De Vries wilde “het bovenminimale traject” aan het arbeidsvoorwaardenoverleg overlaten en Brinkman vond dat de WAO ten principale op zijn kop moest. Maar toen maakte staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) zich nog breed: Wie de WAO wilde afschaffen, moest eerst hààr afschaffen.

Over de diagnose van het euvel bestaat meer consensus dan de politieke kakofonie doet vermoeden. Dat hoeft ook niet te verwonderen, want iedereen heeft een beetje schuld. Maar over het tempo van aanpak heerst verlammende verdeeldheid.

Pag. 10:

"Bekorting duur WAO-uitkering illustreert onvermogen overheid'

Uit talrijke AAW-WAO-studies blijkt dat vrijwel iedereen boter op z'n hoofd had. Individuele werkgevers kwam het goed uit dat zij bij reorganisaties minder produktieve werknemers betrekkelijk gemakkelijk via de WAO konden lozen. Voor de individuele werknemer - die net als zijn baas ook steeds beter leert calculeren - bood de WAO dikwijls een aantrekkelijk alternatief voor doorploeteren of ontslag met een lagere werkloosheidsuitkering (van beperkte duur). En de politiek? Die onderscheidde zich volgens de WAO-onderzoekers Aarts en De Jong vooral door desinteresse voor de uitvoeringspraktijk door de keurende instanties, in de besturen waarvan de sociale partners min of meer eendrachtig hun speelveld groot hielden.

Zo gingen sanering van de Nederlandse beroepsbevolking en scheefgroei in de sociale zekerheid hand in hand. Totdat - met één miljoen geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikten in zicht - de toestand sociaal en economisch onhoudbaar werd. “Het aantal mensen in de arbeidsongeschiktheidsregeling is een zesde van de werkende bevolking. Een zesde van de werkende bevolking! Dat is toch on-ge-lo-fe-lijk. Het gezondste land ter wereld. Een zesde! Te gek om los te lopen”, zei werkgevers-voorzitter dr. A.G.H. Rinnooy Kan vorige week (in Elsevier). “Wanneer vreemdelingen deze aantallen horen denken ze dat er in Nederland een derde wereldoorlog is geweest”, vertelde oud-minister drs. E. Nijpels aan de Wall Street Journal, dat de tragedie achter de dijken in maart wereldwijde bekendheid gaf.

Aanvankelijk koos het kabinet voor de weg der geleidelijkheid. Preventie, uitgebreid overleg met de sociale partners, milde financiële prikkels, striktere toepassing van de regels en opporren van de uitvoerende instanties ("intensivering van de gevalsbehandeling'). In de Tussenbalans werd de toonzetting zakelijker. Voor het eerst werd het doel - stabilisatie arbeidsongeschiktheid op het niveau van 1989 en terugdringing van het ziekte-verzuim met 1,5 à 2 procentpunt in 1994 ten opzichte van de ramingen van dat moment - in een financiële jas gehesen. De maatregelen moesten in 1994 aan AAW- WAO-zijde 1,9 miljard gulden en bij de Ziektewet 1,85 miljard gulden opleveren. Anders zou forser ingrijpen onvermijdelijk worden, klonk het dreigend.

Half juni hees staatssecretaris Ter Veld persoonlijk de stormbal. De eerder gemaakte ramingen voor de AAW-WAO in 1994 bleken te optimistisch - overigens ook een hardnekkige kwaal. Om in dat jaar op het niveau van 1989 (760.000 uitkeringsjaren) uit te komen was een daling met 125.000 uitkeringsjaren nodig, in plaats van met 65.000 zoals de Tussenbalans vermeldt. “Niet ontkomen zal kunnen worden aan additionele maatregelen”, concludeerde de staatssecretaris klip en klaar.

De Sociaal-Economische Raad, die om advies was gevraagd, mocht nog vier weken stoeien, maar toen kwam het hoge woord eruit: het kabinet wil de duur van de WAO-uitkering voor werknemers jonger dan 50 jaar bekorten en de uitkering zo meer in overeenstemming brengen met die bij werkloosheid. Tezamen met andere maatregelen zou dan in 1994 ongeveer 2,5 miljard op de WAO worden "bespaard'. Aan effecten van de bestrijding van het ziekteverzuim werd hetzelfde bedrag (1,85 miljard) ingeboekt als in de Tussenbalans, waardoor het totaal nu 4,4 miljard beliep.

Voorzitter prof. dr. A.H.J. Kolnaar van de SER-werkgroep die het meerderheidsadvies - van werkgevers en kroonleden om de hoogte van de uitkeringen aan (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemers en ambtenaren te differentiëren naar leeftijd - voorbereidde, sloeg het beteuterd gade. Wat het kabinet voorstelt, betekent feitelijk dat de WAO wordt afgeschaft, concludeerde hij.

Het kabinetsbesluit betekende een regelrechte oorlogsverklaring aan het adres van de vakbeweging, die zich steeds mordicus tegen ingrepen in duur danwel hoogte van de WAO had gekeerd. “Dit is diefstal”, riep voorzitter B. van der Weg van de Industriebond FNV. De WAO bedruipt zichzelf, wat er aan uitkeringen wordt uitgegeven, komt via premies van werknemers binnen. Afblijven derhalve, was zijn boodschap.

Iets daarvan is waar. In het WAO-fonds kwam vorig jaar 8,6 miljard gulden binnen, en er ging 8,7 miljard gulden uit. In het AAW-fonds ging het om respectievelijk 14,1 en 15,0 miljard gulden. In het Ziektewet-fonds kwam 10,1 miljard binnen, en werd 10,4 miljard betaald. Niet helemaal in balans, maar toch. Schijn bedriegt echter, want de bijbehorende premies werpen een ander licht. De premie voor de WAO (volledig voor rekening van de werknemers) bedroeg vorig jaar 12,15 procent en dit jaar 12 procent. Voor volgend jaar adviseerde het fondsbestuur onlangs 13 procent. De AAW-premie (iedereen die een inkomen heeft) bedroeg vorig jaar 1,15 procent, dit jaar 1,80 procent. Advies voor volgend jaar: 2,90 procent. (Feitelijk ligt de AAW-premie boven de 6 procent, maar sinds de herziening van het belastingstelsel komt een groot deel via de fiscus binnen dat als rijksbrijdrage naar het AAW-fonds gaat). En de Ziektewet-premie steeg van 7,10 procent vorig jaar (1,20 procent voor werknemers, 5,90 procent voor werkgevers) naar 7,40 procent (1,20 en 6,20) dit jaar. Kortom: het frustrerende gat tussen bruto en netto op de loon- en salarisstrookjes wordt groter. En wat het kabinet minstens zoveel zorgen baart: de zogenoemde collectieve lastendruk (totaal van belastingen en sociale premies) wordt hoger en dat mag juist niet van het Regeerakkoord.

Zijn voorganger dr. H.O.C.R. Ruding, nu voorzitter van de christelijke werkgeversvereniging NCW, ziet de bui al hangen. Door de aanpak van arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim kunnen straks de premies voor AAW-WAO en ZW omlaag en dan pikt minister Kok die "ruimte' in door de belastingen te verhoging om bijvoorbeeld de staatsschuld in te dammen. Daar doen de werkgevers dus niet aan mee. “Het gaat hier niet om uitgaven van het Rijk, maar van sociale fondsen. Voor ons geldt dan ook als randvoorwaarde dat de opbrengsten van deze operatie in de vorm van lagere premies ten goede komen aan werkgevers en werknemers”, aldus Ruding.

Afgezien van de politieke haalbaarheid staat trouwens helemaal niet vast dat de kabinetsplannen in 1994 ook daadwerkelijk het beoogde effect sorteren. De amper drie A-4tjes tellende brief, waarin het kabinet de besluiten van half juli vervatte, rept er met geen woord over, maar in "het veld' is de scepsis groot. “Niemand kan eronderuit dat de opbrengst van de maatregelen hoogst onzeker is. De enige maatregel waarvan je zeker weet dat die geld oplevert, is de ingreep in de uitkeringsduur. De rest is vooral afhankelijk van de mate waarin men erin slaagt de uitvoerings- en keuringspraktijk om te turnen”, zegt dr. L. Aarts van de Leidse universiteit, die vorig jaar met zijn collega dr. P. de Jong promoveerde op een uitvoerig onderzoek naar het verschijnsel arbeidsongeschiktheid.

Het Centraal Plan Bureau becijferde op verzoek van de SER dat de voorgestane aanpak van de arbeidsongeschiktheid (preventie, strengere regels, betere begeleiding) zonder ingreep in de uitkeringsduur tot een vermindering van 55.000 (na vier jaar) tot 135.000 (na 10 jaar) uitkeringsjaren leidt, zonder correctie voor "overloop' naar werkloosheid en bijstand. Een beperking van de uitkeringsduur van de WAO (tot de termijn die voor een werkloosheidsuitkering zou gelden plus één jaar extra) na vier jaar leidt tot een vermindering met 80.000 uitkeringsjaren en na tien jaar met 150.000 uitkeringsjaren. Van de ziektewet-maatregelen zou een "opbrengst' van tussen de 700.000 en 1,2 miljard gulden mogen worden verwacht.

Zijn er alternatieven? De door Aarts bepleite "cultuuromslag' van instanties die zijn gericht op het vaststellen van arbeidsongeschiktheid naar een apparaat dat erop gericht is (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten aan het werk te houden of te helpen, vergt tijd. Medewerker P.J. Vos van de Industriebond FNV denkt daar niet anders over. “Het WAO-probleem valt eigenlijk alleen maar in de bedrijven op te lossen met behulp van iets dat we niet meer hebben: geduld, goede arbeidsverhoudingen en een redelijk functionerende overlegeconomie”, schreef hij vorige week in het economenblad ESB.

“Als je maatregelen wilt treffen die hout snijden, dan zou je eigenlijk de groep van de 50-plussers niet uit moeten sluiten. Want het zijn juist de WAO als alternatieve, vervroegde VUT en het begrip dat daarvoor bestaat, die de boel uit de hand hebben doen lopen”, aldus Aarts. Hij is ervan overtuigd dat met de "cultuuromslag' en een strikter toezicht op de uitvoeringspraktijk (door vastlegging van keuringsprocedures, toetsing en controles) en zonder bekorting van de uitkeringsduur “eenzelfde resultaat kan worden geboekt als het kabinet met de botte bijl” binnen denkt te halen. “Als je je toevlucht moet nemen tot zulke generieke maatregelen als beperking van de uitkeringsduur dan geef je in feite toe dat je als overheid niet bij machte bent ervoor te zorgen dat je uitvoeringsorganen gewoon doen wat ze zouden moeten doen.”