Uw genade graag in contanten, Boeddha; Musée Guimet in Parijs opent dépendance met boeddhistische kunst

De meeste westerlingen weten weinig van het boeddhisme. Een bezoek aan de onlangs geopende dépendance van het Musée Guimet in Parijs, gewijd aan boeddhistische kunst, is dan ook vooral een confrontatie met de eigen onwetendheid. Wat betekenen al die godheden en demonen, gezeten op paarden, draken en olifanten, omringd door een vlammenzee of verscholen in een glazen bol?

Galeries du panthéon bouddhique du Japon et de la Chine, Hotel Heidelbach, 19, Avenue d'Iéna, 75116 Parijs. Geopend: Alle dagen 09.45-17.00 uur; di. gesloten. Catalogus: Ff. 290.-

Op weg; religieuze beleving in Tibet, Korea en Japan. Tot 6 januari 1992. Geopend: di. t-m za. 10-17 uur, zo. 13-17 uur. Catalogus: ƒ 12,50.

De uitvinding van een chemische blauwe verfstof heeft Frankrijk twee bijzondere musea opgeleverd. De scheikundige Emile Etienne Guimet ontdekte in 1836 een surrogaat voor de toepassing van lapis lazuli en de goedlopende fabriek in Lyon die daar het gevolg van was, stelde zijn zoon Emile in staat zorgeloos door de wereld te trekken om in verre uithoeken datgene te verzamelen wat in zijn kraam te pas kwam.

De oogst van die reizen is samen met latere vondsten en legaten al meer dan een eeuw te zien in Musée Guimet, aan de Avenue d'Iéna, tegenover het Palais de Tokio, in Parijs. Een museum dat niet aan de weg timmert, maar dat op het gebied van de aziatica tot de belangrijkste musea ter wereld wordt gerekend. Het karakter van dit "vergeten' museum is minder statisch dan men zou verwachten. In de loop van tientallen jaren is het bezit van Emile Guimet verdrongen door talloze recente aanwinsten. Daarom heeft men onlangs als eerbetoon aan Guimet een interessante dépendance geopend, honderd meter verderop: l'Hôtel Heidelbach, een patriciërshuis uit het begin van deze eeuw, dat tot voor kort dienst deed als depot en ook wel als tentoonstellingslokatie. In het bijzijn van een groep Japanse priesters zijn de twee etages dit voorjaar officieel door de Franse minister van cultuur Jack Lang voor het publiek ontsloten. Franse en Japanse instanties hebben geld bijgedragen aan de renovatie en aan de aanleg van de Japanse tuin, waar een onschuldige waterval tussen de bamboe-stengels kabbelt.

De Galeries du Panthéon bouddhique du Japon et de la Chine, zoals het nieuwe museum heet, herbergt honderden boeddhistische beelden en enkele schilderingen. De meeste stukken bracht Emile Guimet persoonlijk mee van zijn reis naar Japan in 1876. De Chinese beelden, die in de minderheid zijn, komen gedeeltelijk uit de depots van het Louvre. Het was Guimets wens om ze in een afzonderlijk "museum voor religies' onder te brengen. Van 1889 tot 1918 functioneerde het Musée Guimet ook als zodanig, maar latere expeditievondsten in Afghanistan en Centraal-Azië verschoven het godsdienstige naar de achtergrond om plaats te maken voor de wereldse esthetiek. De collectie viel uiteen, en verdween voor een deel naar andere musea en depots. Een "museum voor religies' past niet meer in deze tijd, meent museumdirecteur Jean-François Jarrige, vandaar dat men zich in zijn Galeries beperkt heeft tot het immense Japanse en Chinese pantheon van boeddhistische goden en mindere goden.

Optochten

Emile Guimet moet een beminnelijk man geweest zijn. Hij wilde dolgraag componist worden en liet ook een aanzienlijk aantal muziekstukken na, zoals een opera in vijf bedrijven over het leven van een zevende-eeuwse Chinese keizer. Maar toen zijn vader een beroep op hem deed de leiding van de verffabriek, de huidige Société Péchiney, op zich te nemen, achtte hij dat niets anders dan zijn plicht, hoe betreurenswaardig het ook was om zijn ambities als componist op te geven.

Als fabrieksdirecteur voelde Guimet zich nogal verantwoordelijk voor het welzijn van zijn werknemers. Hij richtte zangverenigingen op en organiseerde muziekconcoursen en cursussen. Curieuzer dan die gezelligheidsinitiatieven was Guimets idee dat religieuze grondbeginselen en geschriften van uiteenlopende origine opheldering moesten geven over eigentijdse maatschappelijke problemen, zoals de armoede in de almaar vollere steden, die de industriële revolutie in Europa met zich meebracht. Hij wilde vooral "zijn familie' in de fabriek een beetje gelukkig maken. Hij wilde zijn werknemers "iets meegeven', zodat het zware en geestdodende werk een zekere inhoud zou krijgen. Er moest een hoger doel dan materiële welvaart gediend zijn met al die inspanningen, maar welk doel?

Guimet heeft zelf niet onder een troosteloze werksleur geleden, zo lijkt het. Zijn allereerste reis voerde naar Egypte, waar, volgens de mode van die tijd, iedereen die iets te betekenen had naar toe trok. Hij kocht er naar hartelust reliëfs, geschriften en mummies in en hij raakte er onder de indruk van de goden Isis en Osiris. De herkomst en betekenis van elk voorwerp werd ijverig onderzocht.

Het was deze eerste kennismaking met de archeologie en egyptologie, die hem ertoe aanzette meer te weten te komen over niet-Westerse religies. Thuisblijven en lezen waren niet genoeg. Hij nam deel aan internationale congressen van antropologen en archeologen en hij trok er op uit, naar Griekenland, Turkije, Noord-Afrika.

Samen met de Franse schilder Félix Régamey, die "documentaire-tekeningen' zou maken, scheepte hij zich in 1876 in voor Yokohama. Want “om Boeddha te begrijpen moet men een boeddhistische ziel ontwikkelen”, zoals men langere tijd in Griekenland moest verblijven om de antieke godenwereld te leren begrijpen, meende Guimet. Te paard en met de "pousse-pousse' - hun "loopstoel' - trokken ze door Japan, over eeuwenoude en nieuwe wegen, langs tempels, theaters en necropolen. De werkelijkheid overtrof hun stoutste dromen, geïmponeerd als ze waren door de waardigheid en schoonheid van hun Japanse gastheren en -vrouwen, die ze soms naakt badend in hun tuinvijvers aantroffen.

“Wat zijn de Japanners toch verliefd op de natuur! Wat kunnen ze er toch goed van genieten!”, schreef Guimet. “En wat kunnen ze het leven van alledag toch in alle rust en vol geluk vormgeven, zonder overbodige behoeften, zonder strijd”. De fabrieksdirecteur was verrukt over het idyllische Japan, dat toen nog ver verwijderd was van de stinkende schoorstenen in Europa. Verblind door al dat "exotisme' had hij alleen oog voor het goede en het schone. Het feit dat in diezelfde tijd her en der op het platteland boeren in verzet kwamen tegen economische herzieningen, ging aan de reizigers voorbij. Er moest gediscussieerd worden met tempelpriesters over de oorsprong van de wereld en over de vraag hoe het toch verder moest met de mensheid.

In tien weken tijd kocht Guimet driehonderd religieuze schilderingen en zeshonderd beelden, een collectie waar later nog tientallen schilderingen en duizenden boeken en documenten bijkwamen. Ook China hebben beide heren nog even aangedaan. Die reis was minder succesvol. Plaatselijke priesters waren hen vijandig gezind en de mandarijnen ontvingen hen evenmin met open armen. Laat maar zitten, dacht Guimet, er is al genoeg over China bekend.

In de vitrines van het nieuwe museum staan nu de aankopen van destijds, mans- en muishoge boeddha's en boeddhistische beelden opgesteld. Het museum heeft ze ingedeeld naar de religieus-hiërarchische rangen, maar het lekenoog kan niet beoordelen aan welke stukken meer waarde wordt gehecht dan aan andere. Elk stuk lijkt de westerling meer bewust te maken van zijn onwetendheid op dit gebied. Elk stuk stelt vragen over de boeddhistische godsbeleving, over opvattingen van goed en kwaad, over de betekenis van houdingen en van symbolische ornamenten en attributen.

De collectie omvat vooral vergulde houten beelden van staande en zittende boeddha's, bodhisattva's ("tot het boeddhaschap bestemden'), lagere godheden, eminente leraren en sekte-stichters, en woedende wachters die ooit de tempels moesten vrijwaren van demonen. Sommige altaarstukken lijken op rariteitenkabinetten, waarin een boeddha, omringd door een schare volgelingen, vanaf een rotspartij, de vissers beneden in speelgoedbootjes gadeslaat. Andere houten sculpturen - de Japanners werkten zelden in steen - benadrukken het ontzagwekkende, dat zowel in toornige als in vredige gelaatsuitdrukkingen, in houdingen en versieringen tot uitdrukking komt.

Geen enkele godheid of demoon lijkt bij nader inzien op de andere. Ze presenteren zich vanachter kralen of stoffen gordijntjes, gezeten op zwijnen, paarden, draken en olifanten, omringd door een vlammenzee of verscholen in een glazen bol. Meestal staan de mediterende, vermanende of onderwijzende boeddha's en bodhisattva's alleen op hun sokkels, soms verkeren ze in gezelschap van tientallen miniaturen, de "bijna-verlichten'.

Kosmos

Het boeddhisme, de vroegere staatsgodsdienst, bereikte Japan in de zesde eeuw via China en Korea. Tot de twaalfde eeuw zou de schilder- en beeldhouwkunst in het teken staan van de "Ontwaakte'. Boeddha, die zich in Azië onder vele namen en titels manifesteert, schenkt verlossing, een weg uit de eeuwige kringloop van wedergeboorten die niets dan lijden met zich meebrengt. Die persoonlijke verlossing kan bereikt worden door meditatie en door afstand te doen van wereldse begeerte. Zodoende hoeft men niet steeds opnieuw geboren te worden in die eeuwige kringloop van reïncarnaties. Eerst was er veel kennis voor nodig om maar enigszins kans te maken op die verlossing, op toegang tot een ander domein van het zijn. Later hebben verschillende sekten het boeddhisme gepopulariseerd.

Het esoterisch boeddhisme is nog steeds streng in de leer en meestal voorbehouden aan priesters, die in kloosters en tempels, hoog in de bergen, mediteren en zich verdiepen in eeuwenoude teksten. Het volksboeddhisme daarentegen is een flexibele, pragmatische godsdienst. Goden worden aanbeden omdat ze op een bepaald moment behulpzaam moeten zijn. Daarvoor moeten ook materiële offers worden gebracht.

Het uit China afkomstige zen-boeddhisme, dat eerst vooral bij de Japanse krijgslieden-klasse Samurai populair was, wordt gezien als een strenge gedragsleer. De nadruk ligt ook hier op meditatie en op een sober en gedisciplineerd leven, dat voorziet in momenten waarop men plotseling "een diep ontwaken' kan meemaken, een intuïtieve sprong in het wezen der dingen, een bevrijding van de geest. De theeceremonie, het schilderen met inkt en het bloemschikken zijn typische uitvloeisels van de zen-beginselen.

De autochtone godsdienst van Japan is het shintoïsme, een animistische religie, waarin de natuur een machtige plaats inneemt. Men leeft zijn leven in overeenstemming met de orde van de kosmos en wie zijn hart raadpleegt en daarnaar handelt, volgt de shintoïstische weg.

Uit een volksonderzoek van tien jaar geleden bleek dat meer dan tachtig procent van de Japanse bevolking nog boeddhistisch was. Het Japanse boeddhisme is onderverdeeld in dertien officiële hoofdsekten. Veel Japanners praktizeren daarnaast het shintoïsme of zijn aanhangers van een nieuwe sekte, die elementen van diverse religies in zich verenigt. Er zijn in Japan meer dan tachtigduizend tempels en heiligdommen en 150.000 priesters te vinden. Vele sekten zijn rijk, want op de giften van de gelovigen wordt geen belasting geheven, en ze bezitten vaak kunstcollecties van grote waarde.

Ondanks deze summiere, encyclopedische kennis blijft het pantheon van goden een raadselachtig allegaartje. Volgens Ken Vos, conservator van het Museum voor Volkenkunde in Leiden, begrijpt de Japanner er zelf ook niet veel van. Meestal zijn de sierlijke Boeddha-gebaren hem vreemd. Hij verlaat zich op de Kannon Niorin, de bodhisattva van het medelijden, de genade en de barmhartigheid, die in het Musée Guimet symbolisch de open hand toont als teken van generositeit. Het gebaar van de andere hand, waarbij een gesloten ruimte ontstaat tussen een vinger en de duim, wordt door Japanners graag gezien als de contouren van een muntstuk: Uw genade graag in contanten!

Koopje

De meeste beelden in de Galeries blijken in de negentiende eeuw te zijn vervaardigd, hoewel dat in sommige gevallen onduidelijk blijft. Tot de tiende eeuw kan de beeldhouwkunst stilistisch wel worden thuisgebracht, daarna ontstaan er mengvormen, beelden die trekken vertonen van plaatselijke, animistische godheden, de goden van het hindoeïstische pantheon, zoals Shiva en Visnu, en van het shintoïsme. Omdat het boeddhisme juist in die negentiende eeuw door het opkomend nationalisme en het shintoïsme in Japan in diskrediet was geraakt, konden westerlingen de beelden daar voor weinig geld kopen. Emile Guimet was een van die westerlingen. De verzameldrift van Guimet en andere westerlingen viel samen met de toenemende westerse belangstelling voor alles wat met oosterse wijsheid had te maken.

Zowel de huisaltaren als de kleine reisexemplaren die pelgrims op hun tochten meenamen, laten boeddha's zien die elk een aspect van de historische boeddha vertegenwoordigen, zoals die van de geneeskunde, de jeugd, de toekomst en van het onbegrensde licht: Hemelse Koningen, "verlichten', die gevat in een barokke stralenkrans de eeuwige vrede deelachtig zijn geworden. De bodhisattva's, de toekomstige boeddha's die nog even wachten met de verlichting om aardse stervelingen te kunnen helpen, doen in pracht en praal niet onder voor de hoogste categorie. Tien van hen zitten soms te zamen op hun lotussen in een "gouden doos' van zo'n twintig centimeter. Vooral die dozen wekken een aardse begeerte op.

Dat ook het boeddhisme in Japan met zijn tijd is meegegaan blijkt uit een recente catalogus van een postorderbedrijf, die conservator Ken Vos even terloops laat zien. In de Wehkamp-achtige gids staan zwarte priesterslippertjes afgebeeld, sierlijke laktafeltjes, ceremoniële serviezen, sokkels voor godenbeelden en diezelfde met de hand gesneden en vergulde boeddha's uit het Parijse museum. Voor een achttien centimeter hoge boeddha moet de Japanner nu zo'n zevenduizend gulden neertellen, de veertig centimeter hoge, meer barokke exemplaren komen hem op circa 45.000 gulden te staan. En voor de sokkels, die op kitscherige toonbanken lijken, is de vraagprijs om en nabij de honderdduizend gulden. Guimet betaalde destijds voor een ensemble van 23 sculpturen de spotprijs van 627 yen of 3000 Franse francs.

Schedels

Of Guimet in Japan antwoorden heeft gevonden op de maatschappelijke problemen van zijn tijd, komt op de tentoonstelling en in de geleerde catalogus niet meer aan de orde. In alle landen, in alle tijden hebben mensen geleefd die het beste met de mensheid voor hadden. En die mensen waren allen religieuze leiders, zo meende Guimet later in een toespraak tot zijn personeel. Ook het echte Musée Guimet, om de hoek, biedt verder geen soelaas. Je kunt er zwerven over de uitstrekte etages met Tibetaanse mandala's, zestiende-eeuws Chinees porselein en aardewerk, schilderingen uit Nepal, Indiase ivoren, Indonesische wajang-poppen en Pakistaanse reliëfs. Vlakbij de enkele meters brede houten tempelmaquettes hangen de ceremoniële lepels, waarvan het bolle gedeelte wordt gevormd door gehalveerde menselijke schedels. In een van de museumvleugels op de begane grond worden wisselende tentoonstellingen ingericht; van tabaksflesjes in de vorm van spartelende visjes tot eigentijdse natuurschilderingen uit China. En op de tweede etage van Musée Guimet, onder de koepel, kan men voor Guimets handschriften en andere documenten terecht in de met guirlandes versierde bibliotheek. In deze plechtige rotonde, waarvan de balustrade wordt gedragen door Ionische zuilen, gaf Mata Hari, haar Indiase dansvoorstellingen, van boven luchtig gekleed in een bikini-achtig sieraad, zoals een foto uit die tijd onthult. De zoon van de Chinese keizer kwam er ook nog eens een kijkje nemen.

Sommige afdelingen van het museum mogen dan hard aan een opknapbeurt toe zijn, de centrale hal maakt mede dankzij een gemoderniseerde inrichting, een overweldigende indruk. Hier staan de tientallen, duizend jaar oude, zandstenen beeldhouwwerken van de Khmer uit Cambodja opgesteld, gecomponeerd in samenhang met architectonische restanten. Het is de grootste collectie op dit gebied buiten Cambodja. De goddelijke, vrouwelijke Khmer-torso's zijn weergaven van geïdealiseerde vrouwenlichamen met volmaakte borsten en strak gespannen welvingen, ingetoomd door een wespetaille. De mannelijke Khmer-torsen hebben eveneens mooie, irreële lijven gekregen, met statige rondingen. Elk van hen is met gesloten oogleden en met dikke zinnelijke lippen uit het steen gehouwen. In een gelukzalige stemming van inkeer en onthechtheid glimlachen ze naar de bezoeker, die even de neiging krijgt om ter plekke te mediteren.

Helaas, er komt behalve een "leeg' hoofd en een bewuste ademhaling, meer aan te pas om in die wensloze gemoedstoestand te raken. Maar lukt het de sterveling eenmaal om los te komen van al die aardse begeerten, dan wacht hem misschien ook bij tijd en wijle de verheven rust en de volmaakte innerlijke vrede van die ondoorgrondelijke Khmer-beelden en goudglanzende boeddha's. Parijs is daarvoor niet de gunstigste locatie.