Toprijders voelen zich soms de gevangene van de computer; Identiteitscrisis in de Formule I

ROTTERDAM-OXFORDSHIRE, 9 AUG. De amateuristische tijd van jongens onder elkaar waarbij tot de verbeelding sprekende rijders tijdens de lunch tussen ochtend- en middagtraining van een Grand Prix nog een goede Chablis nuttigden, behoort in de snelheidswereld van de Formule I inmiddels tot de nostalgie van een grijs verleden. Maar dat het zakelijke professionalisme waarmee de autorensport momenteel is geïnfiltreerd heeft geleid tot een volstrekt tegengestelde situatie en heeft geresulteerd in een soort identiteitscrisis in de pit-lane, is een ontwikeling waar weinigen echt gelukkig mee zijn.

Zowel Ayrton Senna als Nigel Mansell, de twee rijders die in een verbeten strijd om de wereldtitel zijn verwikkeld, heeft dit Grand-Prixseizoen al herhaaldelijk geklaagd dat de concurrentieslag niet meer wordt uitgevochten door de rijders op de baan, maar voornamelijk wordt beslist door de vijand van binnenuit, de computer. Mansell noemde zich zelfs "een gevangene van de computer' toen zijn semi-automatische versnellingsbak van de Williams-Renault hem de eerste races dit jaar hopeloos in de steek liet. Senna zorgde voor oorlog binnen het team van McLaren vanwege onjuiste computerinformatie over het benzineverbruik van zijn Mclaren-Honda. In Frankrijk gaf de computer onjuist aan dat hij te kort brandstof had om de race te voltooien, terwijl de Braziliaan in Engeland en Duitsland, waar hij zonder benzine de laatste ronde moest opgeven, door zijn boordcomputer werd geïnformeerd dat hij nog benzine voldoende had.

Bovendien bekijken de monteurs, die het liefst met hun handen en armen vol smeerolie vierentwintig uur per dag aan een auto sleutelen, bij kapitaalkrachtige teams als Ferrari, Williams en McLaren - waar met budgetten van tientallen miljoenen dollars wordt gewerkt - met argusogen naar het legertje ingenieurs en high-techjongens dat meer en meer het rennerskwartier bevolkt. Het garagebeeld heeft daarbij plaats gemaakt voor een soort ruimtevaartlaboratorium waarbij men druk in de weer is met computers, databanken en andere technisch hoogwaardige apparatuur, die tijdens een race alles van de rijder en wagen registreren. “Maar van een identiteitscrisis bij de monteurs zou ik niet willen praten”, zegt Martin Whitaker, woordvoerder van McLaren. “Ik zou het eerder vooruitgang willen noemen.”

McLaren is momenteel het enige belangrijke team dat nog met de hand moet schakelen. Deze week heeft Senna twee dagen getest op Silverstone met een semi-automatische versnellingsbak, maar of zijn McLaren daar tijdens de zondag te verrijden Grand Prix van Hongarije, de tiende in de serie van 16, al mee zal worden uitgerust is een zorgvuldig bewaard geheim dat men bij McLaren niet wil prijsgeven. Whitaker: “Het enige dat ik kan zeggen is dat McLaren alleen nieuwe dingen introduceert als wij er van overtuigd zijn dat zij tijdens de race ook honderd procent werken. Want laten we eerlijk zijn, Ferrari en Williams hebben tijdens de races toch grote problemen gehad met dit semi-automatische versnellingssysteem.”

Maar bij Ferrari en Williams twijfelen weinigen nog aan de waarde van het nieuwe systeem, waarbij de rijder het voordeel heeft dat hij bij het schakelen beide handen aan het stuur kan houden. Met een tip van de vingers van zijn rechterhand kan Mansell opschakelen en met een tiptoets aan de linkerkant van zijn stuur kan hij terugschakelen. Eerst nog in volgorde van één tot zeven (het aantal versnellingen), maar Williams heeft het systeem zo geperfectioneerd dat Mansell momenteel via zijn tiptoetsen nu ook versnellingen kan overslaan en rechtstreeks kan schakelen van bijvoorbeeld de zevende naar de tweede versnelling.

Zeker nu Nigel Ayrton Senna in de strijd om de wereldtitel tot op acht punten genaderd is heeft de Braziliaan haast om bij McLaren ook van een dergelijk schakelsysteem gebruik te kunnen maken. Senna: “Met de hand schakelen is een extra probleem. Je hebt nog maar één hand aan het stuur om alle explosieve kracht in een Formule I wagen, waarbij er in een korte tijd tientallen zaken door je hoofd spoken, te controleren.”

De opmars van de technologie lijkt derhalve niet meer te stuiten in de Formule I. Of zoals Peter Windsor, teammanager van Williams, dat omschrijft: “Er was een tijd dat we alleen van mécaniciens gebruik maakten. Tegenwoordig doen de specialisten met computers het belangrijkste werk. Dat kan erg frustrerend zijn voor de monteurs. Die staan er bij en kijken er naar als een motor wordt hergeprogrammeerd via de computer.” Williams maakt gebruik van een dwarsliggende automatische versnellingsbak, waarbij de rijder alleen nog maar hoeft de koppeling hoeft te gebruiken als hij wegrijdt. Een dwarsliggende bak, die McLaren als eerste op de conventionele manier inbouwde, scheelt in gewicht.

Gary Crumpler, commercial executive bij het team van Frank Williams, legt echter uit dat de semi-automatische versnellingsbak slechts één van de redenen is waarom de Williams-Renault momenteel door Mansell en Patrese zo superieur over de renbaan raast. Crumpler: “Mansell is een notoire klager. Toen hij begin dit jaar van Ferrari kwam klaagde hij dat de olie en benzine van Agip er voor zorgde dat Ferrari zo'n twintig, dertig pk meer power ontwikkelde dan de Renault-motor. Maar onze benzineleverancier Elf heeft dat verschil weggewerkt. Wij hebben momenteel de beste olie en benzine in de hele Formule I, die ons een voorsprong van een twintig, dertig pk oplevert op Ferrari en McLaren. In benzine zitten allerlei dopes en in die wereld wordt gewerkt met geheime, ingewikkelde formules, waarbij het weer een paar maanden duurt voordat de concurrentie precies op de hoogte is wat wij precies gebruiken. Dan kan het WK net beslist zijn ten gunste van Mansell.”

Bij Williams werken aan de technische kant bij een Grand Prix naast Frank Williams en chef-ontwerper Patrick Head zo'n zesentwintig mensen. Toch heeft Crumpler niet de indruk dat de autorensport op dit niveau wordt overschaduwd, wellicht zelfs volledig wordt beheerst, door de techniek. Crumpler: “Uiteindelijk komt het toch aan op de man in de cockpit. Technisch sophisticated materiaal is een hulpmiddel voor de rijder, meer niet. Op het technische vlak mag het accent in de pits dan wat zijn verschoven van de monteurs naar de high-tech, maar de rijder moet uiteindelijk de wagen door de bocht sturen en het werk klaren.”

Mansell, qua rijderscapaciteiten en strijdlust één van de allerbeste Formule I-rijders, heeft echter nu alweer zijn bedenkingen geuit tegen een computer gestuurd actief veringsysteem, dat zich automatisch aanpast aan de oneffenheden in de bochten en het wegdek, wat de snelheid verhoogt maar waarbij de rijder niet de eenheid wagen-wegdek meer voelt. Een systeem waar bij Williams voor volgend jaar in samenwerking met Renault hard aan gewerkt wordt. Maar Crumpler wuift de bezwaren van Mansell weg met de opmerking: “Je moet het zo zien; alles wat de wagen sneller, betrouwbaarder en beter maakt komt een coureur uitstekend uit. Wat dat betreft is het verhaal erg simpel. De klachten komen pas als iets in de praktijk niet functioneert. We hebben nu vier Grand Prix's achter elkaar gewonnen. Dan hoor je ook Mansell nergens over.”