Simone de Beauvoir: Brieven aan Sartre 1930-1939. ...

Simone de Beauvoir: Brieven aan Sartre 1930-1939. Vert. Truus Boot. Uitg. Agathon, 454 blz. Brieven aan Sartre 1940-1963. Vert. Frans de Haan. Uitg. Agathon, 516 blz. Prijs per 2 delen ƒ 89,50 Danièle Sallenave: Adieu. Vert. Marijke Jansen. Uitg. De Arbeiderspers, 144 blz. ƒ 26,90 Alexandre Jardin: Fanfan. Vert. Jelle Noorman. Uitg. De Arbeiderspers, 182 blz. ƒ 29,90 Vaclav Jamek: Verhandeling over de korte wonderen. Vert. Nannie Nieland-Weits. Uitg. Arena, 328 blz. ƒ 59,50 Anne Hébert: De Sneeuw van Kamouraska. Vert. uit het Frans o.l.v. Pauline Sarkar. Uitg. Thoth. 247 blz. ƒ 29,50 Paul Guimard: De Geur van Gras. Vert. Annelies Konijnenbelt en Nini Wielink. Uitg. Arena, 120 blz. ƒ 34,50

Op zichzelf is het een goed streven om van bekende schrijvers alle teksten te publiceren die na hun dood uit welke hoeken of gaten dan ook tevoorschijn komen. De historische waarheid is ermee gediend en ons beeld van de schrijver wordt duidelijker. Dat geldt ook voor de 320 brieven die Simone de Beauvoir tussen 1930 en 1963 aan haar "allerliefste wezentje' Sartre schreef en die na haar dood in 1986 uit een kast tevoorschijn kwamen. Iets anders is of de nagedachtenis van de auteur ermee gediend is. De Brieven aan Sartre van "Castor' (Simone de Beauvoir) zijn nu in twee kloeke delen integraal vertaald.

Het overgrote deel dateert uit de jaren tussen 1939 en 1947, en wel voornamelijk uit de periode van Sartre's mobilisatie en krijgsgevangenschap. Onthullend zijn ze nauwelijks, behalve in de zin dat zij bevestigen wat al eerder uit de biografie van Deirdre Bair duidelijk was geworden - Beauvoir heeft een wel heel verheven imago van zichzelf en haar relatie met Sartre gecultiveerd, dat niet erg met de werkelijkheid strookt. Het merkwaardigste aan de brieven is eigenlijk dat zij zo teleurstellend gewoon zijn - vooral gezien de gecompliceerde intellectuele en amoureuze relaties die beiden in die periode onderhielden. In extenso passeren alle details van haar dagelijks leven in het Parijs van vlak voor de oorlog en de eerste oorlogsjaren de revue - het weer, de vrienden en kennissen, kleren, wie-gezien-wat-gedaan. Een enkele boosaardige opmerking over deze of gene is bijna een verademing. De brieven zijn op zich niet onaardig om te lezen, hoewel inhoudelijk erg mager, te mager eigenlijk om een dergelijke uitvoerige integrale vertaling te rechtvaardigen.

Simone de Beauvoir: Brieven aan Sartre 1930-1939. Vert. Truus Boot. Uitg. Agathon, 454 blz. Brieven aan Sartre 1940-1963. Vert. Frans de Haan. Uitg. Agathon, 516 blz. Prijs per 2 delen ƒ 89,50

Het bestaan van alledag, tevreden of gelaten aanvaard, is in het algemeen geen thematiek die romanschrijvers tot literaire hoogstandjes inspireert. Des te verrassender is de korte roman Adieu van Danièle Sallenave, waarin nu juist de alledaagsheid op weinig alledaagse wijze tot onderwerp bij uitstek wordt verheven. Uit fragmenten van gesprekken tussen een hoogbejaarde oom en een jongere neef - die als verteller en "aangever' fungeert - groeit geleidelijk een beeld van het lange leven van de oude, onontwikkelde man. Huisschilder was hij en zijn leven lang woonde hij in hetzelfde dorp. Hij is trots op zijn vakkennis en zijn werkzaam leven. Historische gebeurtenissen hebben hem slechts geraakt voor zover de uitlopers ervan veranderingen in zijn leefwereld teweegbrachten. Hij voelt zijn einde naderen, ziet de huizen die hij geschilderd en behangen heeft gesloopt worden. Emoties en gedachten kan hij alleen in concreto uitdrukken - “het (behang) hing overal los, het hield niet meer en ik kreeg een heel raar gevoel (-) je had je energie erin gestopt, het was een klus, en hop! weg.” Sallenave is altijd geïntrigeerd door de vernietigende kracht van de tijd die alles aanvreet en spoorloos doet verdwijnen. De enige remedie daartegen is alles vastleggen in boeken of op foto's (de neef is fotograaf). Dat geldt vooral voor het vluchtige leven van alledag, dat door niemand de moeite van het bewaren waard geacht wordt. En zie - onder haar handen krijgt het onbeduidende leven van een onbeduidende man een indrukwekkende waardigheid. (Onlangs heeft Sallenave overigens haar theorieën over de relatie tussen literatuur en het "gewone leven' en de cruciale rol van het geschreven woord in de geschiedenis uitgewerkt in een - nog niet vertaalde - bundel essays getiteld Le Don des morts (Gallimard).

Danièle Sallenave: Adieu. Vert. Marijke Jansen. Uitg. De Arbeiderspers, 144 blz. ƒ 26,90

Toen in 1988 de eerste roman Zèbre van Alexandre Jardin verscheen, werd het piepjonge talent enthousiast begroet en onmiddellijk bekroond als de schilder van het nieuwe postmoderne levensgevoel. Nu is ook zijn tweede boek Fanfan vertaald. Het is een neo-romantische éducation sentimentale waarin een adolescent door schade en schande wijs wordt en het verschil leert kennen tussen ware liefde en pure passie. Uit afkeer van de deprimerende sleurrelaties en-of promiscuë levenswandel van de volwassenen om hem heen besluit de jonge student Alexandre Crusoé (let op de naam) de hartstochtelijke liefde die hij voor de bekoorlijke Fanfan heeft opgevat zuiver te houden. Hun relatie moet platonisch blijven, want alleen zo zullen zijn verlangen en hunkering de intensiteit behouden die, naar hij denkt, de kenmerken van de echte romantische liefde zijn.

Dit nu leidt natuurlijk tot reeksen komische, aandoenlijke en soms wat langdradige verwikkelingen en misverstanden, te meer daar Fanfan zelf niet van zijn besluit op de hoogte is. Als modern meisje heeft zij zo haar eigen ideeën op dit punt en ontwikkelt onverwachte initiatieven en strategieën. Jardin heeft een aardige manier om de emotionele bekommernissen van zijn hoofdfiguur te relativeren of tot in het absurde door te voeren, waardoor het een onderhoudend verhaal is geworden. Maar om nu te zeggen - zoals her en der is betoogd - dat “zijn werk een terugkeer naar verloren gegane romantische waarden” zou zijn, lijkt erg pretentieus.

Alexandre Jardin: Fanfan. Vert. Jelle Noorman. Uitg. De Arbeiderspers, 182 blz. ƒ 29,90

Verhandeling over de kleine wonderen van Vaclav Jamek is een in vele opzichten uitzonderlijk boek. Het valt eigenlijk nauwelijks te rubriceren. Autobiografie? Essays? Dichterlijk proza? Filosofische beschouwingen? Jamek is een schrijver tussen twee culturen - de sombere, introverte middeneuropese en de "arrogante', afstandelijke Franse. In geen van beide voelt hij zich echt thuis. Ook door de tragische, uiterst gecompliceerde beleving van zijn eigen homoseksualiteit plaatst hij zich in de marge. Zijn geliefden - Frans of Tsjechisch - zijn om allerlei redenen altijd weer onbereikbaar. Hij is een Tsjech, maar schrijft in een gebeeldhouwd, bijna overgecultiveerd Frans. Praag en Parijs zijn de intellectuele polen waartussen hij heen en weer geslingerd wordt, maar die hij in laatste instantie beide afwijst. Haarscherp beschouwt, beschrijft en analyseert hij alle denkbare aspecten van leven en denken "daar' en "hier'. De dorre, luie, kwaadaardige clichés enerzijds, de weke, verstikkende overvloed anderzijds. Zijn benadering van de thematiek past bij uitstek in een middeneuropese traditie (in deze krant schreef Leo Gillet destijds “wellicht is een nieuwe Kundera of Kafka opgestaan”), maar door Frans als voertaal te kiezen heeft Jamek zijn indrukwekkend autobiografisch relaas een zekere dubbelzinnigheid gegeven. Dit laatste aspect gaat in de - overigens gedegen - vertaling natuurlijk verloren.

Vaclav Jamek: Verhandeling over de korte wonderen. Vert. Nannie Nieland-Weits. Uitg. Arena, 328 blz. ƒ 59,50

Van de Frans-Canadese schrijfster Anne Hébert is, na twee recentere romans, nu ook De Sneeuw van Kamouraska (1971) vertaald. Hébert combineert bij voorkeur een psychologische "case-story' met een thrillerachtig gegeven. Dit boek speelt in het negentiende-eeuwse, beklemmend provinciale en puriteinse Canada. De toegewijde echtgenote en moeder Elisabeth d'Aulnières waakt bij haar man die stervende is. In die lange eenzame uren herleeft haar "schuldig' verleden. Als jong meisje werd zij uitgehuwelijkt aan Antoine Tassy, de brute, boerse Hoer van het verre Kamouraska, die later vermoord in de sneeuwvelden wordt gevonden. Was de dader de jonge idealistische dokter Nelson, haar minnaar? Heeft hun gepassioneerde liefde de enige man van wie zij ooit gehouden heeft tot moordenaar gemaakt? In plaats van de gedroomde vrijheid brengt de moord op Tassy de definitieve scheiding van de geliefden teweeg - Elisabeth verraadt hem door zich te voegen naar de normen van haar bekrompen "gegoede kringen' en tot elke prijs een schandaal te vermijden. Maar achter haar "masker van onschuld' zal haar verdere leven in het teken van schuld en boete staan. Hébert beheerst als de beste suspense-schrijvers de kunst om een algemene sfeer van spanning, van broeiend onheil op te roepen, maar het boek is door de ingenieuze opbouw en psychologische diepgang veel meer dan een simpele historische thriller.

Anne Hébert: De Sneeuw van Kamouraska. Vert. uit het Frans o.l.v. Pauline Sarkar. Uitg. Thoth. 247 blz. ƒ 29,50

Een man krijgt een auto-ongeluk en zweeft urenlang tussen leven en dood. Hij is bij bewustzijn, maar kan alleen nog ruiken en horen, verder niets. De omstanders menen dat hij in coma, zo niet dood is. Deze nachtmerrie-achtige situatie is het uitgangspunt van de novelle De Geur van gras van Paul Guimard, die vooral als toneelschrijver bekend is. In over elkaar heen tuimelende herinneringen, beelden en overpeinzingen ziet de zwaargewonde advocaat zijn oppervlakkige leven aan zich voorbijtrekken als was het het leven van een ander - haarscherp weet hij opeens waar hij tekort is geschoten en hoe hij zou willen leven. Maar is die tijd hem nog vergund? Of is die wetenschap tragisch genoeg voorbehouden aan hen die niet meer terugkeren?

Paul Guimard: De Geur van Gras. Vert. Annelies Konijnenbelt en Nini Wielink. Uitg. Arena, 120 blz. ƒ 34,50