Schizofrene jongen leefde tussen afval en ontlasting; "Volgens ons leerde hij slechte dingen van andere patiënten'

HEERLEN, 9 AUG. Het huis aan de rand van een chique Heerlense villawijk heeft een woonkamer van vier bij vier. Het vertrek staat vol bizarre objecten: opgezette dieren, kasten met beeldjes, een bed op zijn kant, een honderdtal lege limonadeflessen.

De kroonluchter die voor licht had moeten zorgen, ligt op een tafel in de hoek. “Die heeft mijn broer laatst van het plafond getrokken. Repareren had geen zin, dus had ik een staande schemerlamp op de kop getikt, die ik iedere avond weghaalde”, zegt de broer van de jongen, die nu nog samen met zijn moeder in het huis woont. Waar nu een opgezette das staat, heeft eerst de televisie gestaan. Het toestel ligt nu in de tuin: “Daar heeft Ad een fles doorheen gegooid”, zegt de broer, terwijl zijn moeder met tranen in de ogen meeluistert.

Ad, 29 jaar oud, is afgelopen vrijdag na een anonieme tip van een buurtbewoner opgehaald door de politie en overgebracht naar het psycho-medisch centrum Welterhof in Heerlen. Volgens een woordvoerder van de politie was Ad volkomen verwaarloosd en woonde hij alleen in het huis met twee honden en een stel katten. “Zijn broer of zijn moeder kwamen hem af en toe eten brengen en daarmee hield de zorg op. Het was een puinhoop, heb ik me laten vertellen,” zegt de politiewoordvoerder. “Overal lagen uitwerpselen van die man en van de honden.”

Toen de politie kwam, was Ad alleen thuis, vertelt zijn broer. “Hij is door het raam naar buiten gehaald, omdat hij weer eens de sleutel van de voordeur kwijt was. Hij is zo bang geworden voor de politie dat hij het in zijn broek heeft gedaan. En een politieagent stapte op zijn kamer per ongeluk in een pan, waarin hij zijn behoefte had gedaan. Dat deed Ad wel vaker, maar dat ruimde ik iedere avond op. Ze zijn van de GG en GD hier geweest. We moeten voor 13 september de boel opruimen, anders doen zij het op onze kosten.”

Ad staat sinds zijn negentiende jaar te boek als schizofreen. In 1979 werd hij voor het eerst opgenomen in een psychiatrische inrichting, daarna volgden nog zeven opnames. “Hij kwam steeds zelf terug of werd door de inrichting teruggestuurd omdat hij zo onhandelbaar was. Volgens de psychiater was hij ziek geworden door het gezin waar hij uitkwam, maar volgens ons leerde hij alle slechte dingen van andere patiënten. De laatste keer, in 1982, hebben wij gezegd: dan gaan we zelf voor hem zorgen. Dus hebben hem in huis genomen. Dat gaf eerst problemen met de buurt, dus zijn we hier komen wonen, in een rustige omgeving. Lubbers had in die tijd toch de mond vol van een zorgzame samenleving, je moest je oma of je zieke broer zoveel mogelijk thuis verzorgen.”

Contacten met hulpverleners zijn er sindsdien niet meer geweest, verzekert de broer. “Ik ben deze week wel bij iemand van de RIAGG geweest. Die zei tegen me: jullie hebben wel fouten gemaakt., maar als ik het vergelijk met de rapporten over je broer uit l982, dan hebben jullie het heel goed gedaan. Je kunt nu tenminste weer met Ad praten”.

In de keuken wijst de broer op twee hopen beschimmelde uitwerpselen. Hij trekt een keukenla open en zegt: “Kijk, dit is nu onze rijkdom.” De la is tot de rand gevuld met bruin stinkend water. Ad heeft er zijn emmer in geleegd.