Ombudsman berispt burgemeester Amsterdam en minister van justitie

AMSTERDAM, 9 AUG. De Nationale Ombudsman, mr. drs. M. Oosting, heeft zowel de minister van justitie Hirsch Ballin als burgemeester Van Thijn van Amsterdam berispt naar aanleiding van een klacht van een inwoonster van Amsterdam over het optreden van justitie en de hoofdstedelijke politie. “Niet behoorlijk” noemt Oosting de gedragingen, waarvoor Hirsch Ballin en Van Thijn uit hoofde van hun functie verantwoordelijk zijn.

Mevrouw M. klaagde op 4 april 1990 haar nood bij de Nationale Ombudsman. Op 27 maart 1989 werden zij en haar gezinsleden onheus bejegend door politiemensen die op zoek waren naar een persoon die zich in hetzelfde gebouwencomplex moest bevinden. Toen de vrouw weigerde de gemeenschappelijke voordeur van het gebouw te openen, zouden twee agenten hebben geprobeerd haar woning binnen te dringen. Zij zouden daarbij bedreigende en discriminerende opmerkingen - zoals “alle buitenlanders zijn criminelen” - hebben gemaakt.

Na de klacht van de vrouw heeft de officier van justitie in Amsterdam geen hoor en wederhoor toegepast omdat de standpunten volgens hem duidelijk waren. Mr. Oosting is van mening dat de officier zeker hoor en wederhoor had moeten toepassen omdat de versie van de agenten sterk afweek van die van de vrouw. Zij had daarop haar visie moeten kunnen geven.

De officier stelde dat de over en weer gemaakte opmerkingen “niet fijnzinnig” waren geweest, maar dat er niettemin geen grenzen waren overschreden. Die opvatting wordt onvoldoende gemotiveerd, zegt de Ombudsman.

Het optreden van de politiemensen, aldus mr. Oosting, voldeed in onvoldoende mate aan de eisen van professioneel optreden die aan politie-ambtenaren mogen worden gesteld. Volgens de woordvoerster van de, op dit moment afwezige, burgemeester zal naar aanleiding van de berisping van de Ombudsman nog eens met de politie gepraat worden over het voorval.