Olaf van Hees, bedrijfsarts van het Residentieorkest; Alleen Bach en Haydn zijn zacht genoeg

“Een orkest dat hard speelt, met af en toe een flinke uitschieter, produceert ongeveer even veel geluid als een jumbojet op tien meter afstand.” Olaf van Hees, amateur klavecinist en bedrijfsarts van het Residentie Orkest, deed een onderzoek naar gehoorafwijkingen bij musici. Hoe houd je een orkestmusicus uit de WAO?

“In een van zijn brieven beschrijft Beethoven een prachtige diplacusis, een gehoorafwijking waardoor hij met het ene oor een andere toonhoogte hoorde dan met het andere”, zegt Olaf van Hees, bedrijfsarts van het Residentie Orkest en onlangs gepromoveerd op het onderwerp "gehoorafwijkingen bij musici'. “Beethoven vertelt in de brief hoe hij tijdens de repetitie van een strijkkwartet razend werd op de altviolist die zijn instrument volgens hem voortdurend een paar zwevingen te hoog stemde. De ruzie liep zelfs zo hoog op, dat Beethoven de altist met zijn strijkstok om de oren sloeg. Ja, hij was een driftig baasje.”

Muziek en geneeskunde hebben veel met elkaar te maken. Reeds de oude Egyptenaren beschouwden menig musicus als een medicus. De Grieken waren overtuigd van de heilzame werking van muziek op de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de mens. Alleen al in de Verenigde Staten worden tegenwoordig ongeveer zeshonderdduizend patiënten door zo'n tienduizend zogenaamde "creative arts therapists' behandeld. Muziek speelt in de behandeling een grote rol.

De geneeskrachtige werking van muziek heeft echter een keerzijde. Plato wilde bepaalde toonsoorten verre houden van adolescenten, omdat die zouden leiden tot ernstige misvormingen van het karakter. Een zekere Ramazzini registreerde in 1700 dat lustbeleving en muzikale uitingen direct met elkaar verbonden waren en adviseerde bij voorbeeld zangers die hun stem zuiver wilden houden, om zich te matigen in de "geneugten van de liefde'. De broer van de beroemde vioolpedagoog Karl Flesch schreef in 1925 in Berufskrankheiten des Musikers dat "sexuelle Betätigung' 24 uur voor een concert de kwaliteit van de uitvoering ongunstig beïnvloedde. Een jaar later verklaarde Kurt Singer de geringe scheppende kracht van vrouwelijke musici uit het feit dat ze waren voorbestemd voor "het hoogste beroep, namelijk het moederschap'.

Gebitsproblemen

Tegenwoordig wordt er wat nuchterder naar de fysieke en mentale gesteldheid van musici gekeken. Onderzoeken richten zich op de invloed van te zware spierbelasting, de gevolgen van podiumangst, gebitsproblemen bij blaasmusici of gehoorbeschadigingen. Als de naam Beethoven vroeger in een onderzoek werd genoemd, ging het vaak over zijn neuroses, tegenwoordig wordt vooral gezocht naar de medische oorzaak van zijn doofheid (volgens Van Hees had Beethoven waarschijnlijk de ziekte van Paget, waarbij een verdikking van de schedel de gehoorzenuw afknelt). De depressies en zelfmoordneigingen van Schumann hebben in de wetenschappelijke literatuur plaatsgemaakt voor de verlamming van zijn rechter ringvinger, ten gevolge van een zelf gebouwd apparaatje om de vinger soepeler te maken tijdens het pianospelen. Verschillende medici hebben zich afgevraagd of er een relatie bestaat tussen het beroep van Richard Tauber en Kathleen Ferrier en hun doodsoorzaak (keelkanker).

Olaf van Hees vindt de aandacht van de medische wereld voor musici beslist niet overdreven, in tegendeel. Van Hees: “De belangstelling voor medische problemen bij musici is klein, want men gaat er in Nederland nog steeds van uit dat zieke en arme kunstenaars tot de grootste prestaties komen.” Toch is het uitvalrisico van orkestmusici volgens hem vergelijkbaar met dat van bouwvakkers en van mensen die in ploegendiensten werken. De kans dat een musicus zijn laatste jaren in de WAO slijt is groot.

Veel ziektegevallen onder musici zijn volgens Van Hees te wijten aan eenzijdige bewegingen tijdens het bespelen van een instrument. Een violist speelt voortdurend met een gedraaide linkerarm. De vingers staan al in een moeilijke stand, en moeten van daaruit ook nog met enige souplesse op de snaren gedrukt worden. Van Hees: “Eigenlijk zouden muziekleraren vanaf het begin erop moeten wijzen dat het eenzijdige bewegingspatroon doorbroken moet worden, bij voorbeeld door te sporten. Maar sport wordt door musici meestal als iets platvloers gezien. Ook goede voorlichting op muziekscholen en conservatoria over de juiste houding ontbreekt. Artsen die aan conservatoria verbonden zijn, kennen vaak nauwelijks het verschil tussen een kerkorgel en een triangel.”

Van Hees vertelt over een violiste op het conservatorium die problemen had met haar linkerduim. De schoolarts kon niets bijzonders ontdekken. Van Hees constateerde dat de violiste langdurig gestudeerd had op een lastig muziekstuk, en ze had kort tevoren een nieuwe viool gekregen met een wat bredere hals. Bovendien bleek haar linkerduim bijna een centimeter korter dan de rechter, waardoor die alleen met grote fysieke inspanning om de hals van de viool paste. Van Hees adviseerde de studente terug te keren naar de oude viool, of de hals van de nieuwe aan te laten passen, waarmee het probleem vrijwel was verholpen.

Blaartje

Van Hees: “Kunstenaars hebben een andere verhouding tot hun werk dan de meeste mensen. Als de gemiddelde Nederlander een pijntje in zijn rug voelt, meldt hij zich ziek. Maar een kunstenaar gaat door tot hij niet verder kan. Als hij last heeft van zijn rug, probeert hij dat te compenseren door een andere schouderstand. Gaat de schouder pijn doen, dan verplaatst hij de druk naar de elleboog en vervolgens naar de pols. Het lichaam van een musicus is bovendien heel kwetsbaar. Eén klein blaartje op een vingertop kan een pianist uitschakelen. Alfred Brendel speelt niet voor niets altijd met pleisters om al zijn vingers.

“Behalve de fysieke belasting is ook de psychische belasting van musici heel groot. Er heerst in de muziekwereld een enorme prestatiedwang. Ouders zetten hun muzikale kind onder druk, het publiek verwacht een perfecte uitvoering en critici kunnen iemand genadeloos afmaken. De eisen zijn de laatste jaren alleen maar opgeschroefd. Neem bij voorbeeld het Festival Oude Muziek. Daar ging het altijd om de vraag wat muziek te zeggen had. Vorig jaar was er ineens die scherpslijperij over de interpretatie van de muziek van Händel. Critici en publiek maken van een musicus een soort uitvoeringsrobots. Het gaat erom hoeveel noten hij er in een seconde uit kan rammen.”

De mogelijkheden van een bedrijfsarts om de omstandigheden voor musici gunstiger te maken zijn beperkt. Zoals de lichamelijke en geestelijke belasting van een brandweerman nu eenmaal worden bepaald door de omvang van de ramp, wordt de belasting van een musicus bepaald door de compositie. Dat blijkt ook uit het proefschrift van Van Hees over gehoorafwijkingen bij musici. Daarin beschrijft hij de gevolgen van blootstelling aan muzikaal "lawaai'.

Van Hees: “Een orkest dat hard speelt, met af en toe een flinke uitschieter, produceert ongeveer 120 decibel, dat is even veel geluid als een jumbojet op tien meter afstand. Trompettisten, meestal opgesteld voor de trombones, vangen het meeste geluid op en zitten als het ware met hun hoofd in de straalmotor. Als een orkest iets rustiger speelt, heeft het toch nog steeds het geluidsniveau van een cirkelzaag. Het gemiddelde geluidsniveau, uitgesmeerd over een acht-urige werkdag ligt tussen de 75 en 80 dB, dat is vergelijkbaar met fors verkeerslawaai.”

Onder normale omstandigheden zou de arbeidsinspectie al lang hebben ingegrepen, en gehoorbeschermende middelen hebben voorgeschreven. Maar, zo merkt Van Hees op in zijn proefschrift: “Geluid c.q. lawaai (-) is in de industrie in de meeste gevallen een noodzakelijk kwaad, een ongewenst bijprodukt dat bestreden dient te worden. In dat opzicht is een orkest een ambivalent bedrijf. Geluid is een verkoopprodukt, sterker: geluid is het hoofdprodukt en moet niet bestreden worden, maar juist goed gehoord kunnen worden.”

Korenveld

In zijn onderzoek registreerde Van Hees in een uitvoering door het Residentie Orkest van de Sinfonie in einem Satz van Bernd Alois Zimmermann, die ruim een kwartier duurt, ten minste vier pieken van 120 dB. Dat leidt volgens hem bij mensen met gevoelige oren onherroepelijk tot gehoorbeschadiging: “Geluid is een trilling die, via een vloeistof in het oor, een membraan volgens een bepaald golfpatroon laat bewegen. Daardoor worden haarcellen, het klavier van het oor, geraakt en ontstaat een trilling die wij als een bepaalde toon herkennen. Het gaat om heel kleine bewegingen, en de haarcellen worden gevoed door een minuscule bloedtoevoer. Bij een harde klap ontstaat een zwelling die de bloedtoevoer tijdelijk verstoort, waardoor je even niets meer hoort. Na enige tijd zullen de haarcellen zich herstellen, maar als er vaak van die harde klappen zijn, treedt een blijvende beschadiging op. Een microscopisch preparaat van een artillerist lijkt op een korenveld waar een wervelwind doorheen is gegaan.”

Vindt u dat een artistiek leider van een orkest bepaalde muziek niet meer op het programma zou moeten zetten?

“Strikt bedrijfsgeneeskundig geredeneerd zou muziek die harder klinkt dan 80 dB niet meer gespeeld kunnen worden. Maar dan zouden alleen Bach, Haydn en een paar Divertimenti van Mozart overblijven. Dat is natuurlijk onzin. Ik wil geen muziek verbieden, maar wel een evenwicht in de zwaarte van de programmering. Als men vijf weken achtereen moeilijke en onbekende muziek programmeert, of bij voorbeeld langdurig in een stoffige, benauwde en donkere orkestbak moet spelen, zal het ziekteverzuim onder de orkestleden groot zijn. Daar kan ik een directie op wijzen.”

Zou u componisten willen vragen minder fortissimo's te schrijven?

“Nee, want ik mag me niet bemoeien met de emotionaliteit van een componist. Muziek moet ook iets kunnen zijn om voor weg te kunnen kruipen en daartoe kunnen harde passages en toonclusters dienen. Vergelijk bij voorbeeld de energieke en dus soms glasharde akkoorden van de Engelse componist Vaughan Williams, die in de loopgraven heeft gevochten, met de zelfgenoegzame, van nationalisme ronkende muziek van thuisblijvers als Arnold Bax en William Walton. Dan is Vaughan Williams mij liever.

“We hebben tegenwoordig steeds grotere prikkels nodig. Vroeger was het voldoende om te zeggen dat roken ongezond is, nu moet je minstens met teer doordrenkte longen laten zien. In het begin van de achttiende eeuw wist Locatelli met zijn andante's en adagio's zelfs de koudste aristocraat tot tranen toe te ontroeren. Ik voel bij een langzame passage van Locatelli geen tranen opwellen.”

Van Hees vindt dat gehoorbeschadigingen, zoals die optreden bij het spelen van Zimmermanns Sinfonie, tot het bedrijfsrisico behoren, al zou men nog veel doen om de omstandigheden gunstiger te maken. In zijn proefschrift doet hij enkele aanbevelingen. Repetitieruimtes moeten niet te klein zijn en er zouden schotten tussen de verschillende instrumentengroepen kunnen worden geplaatst. Het podium moet dan wel wat sneller oplopen, zodat een speler over de schotten heen kan spelen. Dan bereikt hij het publiek rechtstreeks, maar zonder in het oor van de musicus voor hem te tetteren.

Selectieve gehoorbescherming behoort volgens Van Hees eveneens tot de mogelijkheden. Het probleem is alleen dat de meeste oordoppen domweg het geluid boven de 2000 Hz wegfilteren. Dat is in muziek ondenkbaar, want de hoge tonen zijn belangrijk voor de klankkleur van het orkest. Van Hees heeft contact met een firma die werkt aan elektronische gehoorproppen die al het geluid met ongeveer 30 dB afvlakken. Van Hees: “Een laatste mogelijkheid zou zijn om wat zachter te spelen. Maar dat gaat nu eenmaal niet, want het staat niet in de partituur.”