Kortingen als machtsmiddel

Fabrikanten en andere leveranciers van produkten verlenen de (tussen)handel doorgaans kortingen. Daar profiteren beide partijen van. Voor de fabrikant zijn kortingen bijvoorbeeld een instrument om een nieuwe markt te betreden of op een bestaande markt een hogere omzet te behalen. En voor de handelaar kunnen kortingen tot winstvoordeel leiden of tot een voorsprong op de concurrent.

Zo lijkt iedereen gelukkig, zeker als een deel van verleende kortingen uiteindelijk ook bij de consument belandt. Dit betekent echter niet dat marktpartijen altijd ongehinderd en zonder correctie van buitenaf kortingen kunnen overeenkomen. Het tegendeel blijkt alleen al uit de boete van 46 miljoen gulden die de Europese Commissie onlangs aan het Belgische chemieconcern Solvay oplegde wegens ongeoorloofd gebruik van het kortingeninstrument.

Globaal gezegd pleegt de Europese Commissie in twee gevallen tegen kortingen in het geweer te komen. Het eerste geval doet zich voor wanneer fabrikanten of leveranciers van soortgelijke produkten onderling afspraken maken over de hoogte van bonussen die zij hun afnemers zullen toekennen. Het gaat dan in feite om prijsafspraken, waarbij de betrokken fabrikanten hun verkoopbeleid kunstmatig bevriezen en aldus concurrentie op voorhand onmogelijk maken. Hier is dus voor alles bepalend of inderdaad afspraken zijn gemaakt en of de Europese Commissie het bestaan daarvan voldoende aannemelijk kan maken.

In het tweede geval ligt de zaak minder zwart-wit. Onder bepaalde omstandigheden kan, ook wanneer geen onderlinge afspraken zijn gemaakt, het toekennen van kortingen door een individuele fabrikant zulke negatieve gevolgen hebben voor concurrentieverhoudingen dat de Europese Commissie ook daartegen optreedt. Dat geval doet zich in de praktijk vooral voor wanneer de betrokken fabrikant over een machtspositie beschikt en, anders gezegd, hij op zich geen kortingen zou behoeven te verlenen, omdat hij toch wel van afnemers verzekerd is.

In zo'n situatie kunnen kortingen misbruik van een machtspositie opleveren. Dat is natuurlijk niet altijd zo. Tegen bepaalde kortingen heeft de Commissie geen enkel bezwaar. Dat geldt bijvoorbeeld voor de simpele kwantumkorting, waarvan de hoogte uitsluitend afhankelijk is van de hoeveelheid produkten die wordt afgenomen. In dezelfde geoorloofde categorie vallen progressieve kortingen, die in een glijdende schaal oplopen naarmate de omvang van de order toeneemt. Voorwaarde is dan wel dat de mate waarin de hoogte van de korting oploopt gelijke tred houdt met de toename van de hoeveelheid afgenomen produkten.

Even geoorloofd zijn kortingen die een beloning vormen voor een bijzondere prestatie van de afnemer, bijvoorbeeld voor extra reclame-activiteiten of het aanhouden van een grote(re) voorraad. Meer in het algemeen gesproken worden kortingen die verband houden met een objectieve en economische waardeerbare tegenprestatie van de afnemer niet als concurrentie-beperkend beschouwd; en dus ook niet wanneer deze vorm van beloning afkomstig is van een onderneming met een machtspositie.

Die onderneming belandt evenwel in de gevarenzone wanneer een korting veeleer een instrument is om te bewerkstelligen dat afnemers zich uitsluitend of hoofdzakelijk bij die onderneming bevoorraden. Dat kan met verschillende varianten worden bereikt. Bijvoorbeeld door afnemers voor onbepaalde of extreem lange tijd aan overeenkomsten te binden die hen, in ruil voor kortingen, verplichten hun behoefte aan het betrokken produkt geheel of nagenoeg volledig bij de betrokken fabrikant te dekken. Men kan voor hoeveelheden die boven een bepaalde basisbehoefte liggen, aanzienlijke extra kortingen verlenen.

Een andere variant is het toekennen van een extra-bonus wanneer de totaal-omzet van het voorafgaande jaar wordt gehaald. Deze varianten die gemeen hebben dat zij gericht zijn op het creëren van een exclusieve band tussen fabrikant en handelaar, noemt de Europese Commissie “getrouwheidskortingen”. Toegepast door een onderneming met een dominante marktpositie levert dat doorgaans machtsmisbruik op.

De Commissie treedt daar tegen op omdat deze loyaliteitskortingen de concurrentieverhoudingen in tweeërlei opzicht vervalsen. In de eerste plaats zijn afnemers niet langer of onvoldoende vrij zich bij concurrerende fabrikanten te bevoorraden, omdat zij daarvan financieel nadeel ondervinden. En in de tweede plaats maken deze kortingen het voor concurrerende leveranciers moeilijk of zelfs onmogelijk om klandizie te veroveren, aangezien zij daarvoor zulke hoge bonussen moeten weggeven dat de eigen produkten alleen nog tegen onrendabele of dumping-prijzen kunnen worden verkocht.

Zo bezien belemmeren loyaliteitskortingen van een dominante leverancier de toegang tot de markt voor concurrerende leveranciers. De hoge boete die de Commissie aan het Solvay-concern uitdeelde is een signaal dat tegen dit soort kortingen steeds strenger wordt opgetreden. Dat beleid hangt ongetwijfeld samen met de naderende interne markt, waarop alle potentile aanbieders van produkten en diensten een vrije entree moeten hebben.