Gesprek met de Columbiaanse kunstenaar Fernando Botero; Mijn mensen mogen niet lachen

“Een kunstenaar moet plezier hebben in zijn werk, hij hoeft helemaal niet te lijden,” zegt de Colombiaanse schilder en beeldhouwer Fernando Botero. Daarom verkoopt hij zijn schilderijen niet, maar houdt ze zelf. Dat maakt het makkelijk om een tentoonstelling samen te stellen, zoals nu in Florence. De opgezwollen generaals, bordelen, stierevechters en guerillero's die hij schildert, komen uit zijn geboorteland, maar hij wil werken in de Westerse traditie.

Schilderijen en beelden van Botero zijn t-m 28 sept te zien in het Forte Belvedere in Florence.

Aanvankelijk is de man achter de espressomachine in bar Michelangelo weinig behulpzaam. Bellen moet ik maar ergens anders doen. Waar dan? Hij haalt zijn schouders op en wijst met een breed gebaar naar het plein dat buiten ligt te branden in de zon: non lo so, ik weet het niet. Maar als ik vertel dat ik in deze kokende hitte voor Fernando Botero naar Pietrasanta ben gekomen, verandert alles. Ah, Botero. De telefoon wordt tevoorschijn gehaald en er komt een glas koel water bij om het weer goed te maken. De Colombiaanse schilder en beeldhouwer Fernando Botero is al een tiental zomers de eregast in dit Toscaanse kustplaatsje, en alleen al het noemen van zijn naam doet wonderen.

Even later komt hij aanrijden, op een scooter. Veel minder dik dan hij zichzelf op het doek zet, in goede vrijetijdskleding, een zonnebril van Giorgio Armani op het hoofd. Een kunstenaar voor wie vernieuwing veel minder belangrijk is dan aansluiting bij de traditie van de Westerse schilderkunst.

“Ik ben geen experimenten aan het doen, ik zoek geen nieuwe taal”, zegt hij later op het terras, terwijl de barhouder ons met al zijn zorgen omringt. “Ik kijk naar de oude meesters. Het nieuwe verveelt snel. Piero della Francesca, Rafael of Manet nooit.”

Het universum van Botero, nu te zien op een prachtige tentoonstelling in Florence en aan het eind van het jaar in Rome, bestaat uit opgezwollen generaals die uit hun pak lijken te barsten, Rubens-achtige naakte vrouwen met olifantendijen en dikke schele kardinaals, alles in heldere kleuren. De mensen en voorwerpen als een peer of een gitaar zien eruit alsof ze met een fietspomp zijn opgeblazen. Iedereen kijkt uitdrukkingsloos van het doek, zonder direct contact te willen maken met de toeschouwer, maar de schilderijen hebben een dromerige sensualiteit.

De thematiek is overwegend Latijns-Amerikaans, maar de bewondering voor Botero is universeel. De schaarse doeken die in de verkoop komen, gaan voor honderdduizenden guldens van de hand. Twee jaar geleden werd een schilderij van Botero verkocht voor 750.000 dollar. En voor volgend najaar is hij uitgenodigd om de Champs Elysées in Parijs op te luisteren met een aantal beelden.

Volume

In zijn vaderland Colombia, waar reprodukties van zijn werk bij arm ijk hangen, wordt hij liefkozend de schilder van de dikkerdjes genoemd. Botero wordt er altijd een beetje boos over als mensen hem zo noemen. “Mijn personages zijn niet zwaar, de handen en voeten zijn klein, dat geeft lichtheid aan de figuur”, zegt hij. “Het is niet zoals de Mexicaanse kunst, met die boeren met grote handen. Daar houd ik niet van.”

“Ik wil het idee van volume weer terugbrengen, een van de belangrijkste elementen in de schilderkunst”, zegt hij. “In de moderne kunst is dat niet genoeg aanwezig. De schilderkunst van deze eeuw is tweedimensionaal, het volume is verloren gegaan. Het is verkeerd om te zeggen dat schilderijen in wezen tweedimensionaal zijn, want dat betekent dat je tachtig, negentig procent van de geschiedenis van de kunst ontkent. Ik wil de nadruk leggen op het volume, de sensualiteit, de plasticiteit, de vorm. Dat is ook de vreugde over de natuur die de artiest wil overdragen.”

In 1952 wint Botero, dan twintig jaar oud, een geldprijs die hem in staat stelt naar Europa te gaan. Hij komt aan in Barcelona, gaat meteen naar een museum om Zurbarán te kunnen zien, en reist daarna door naar Madrid, waar hij in het Prado de Spaanse meesters Velazquez en Goya kopieert. Zijn leeftijdgenoten zijn op zoek naar een eigen stijl, hij kopieert, “om het vak te leren. Ik wil dat mijn werk deel uitmaakt van de geschiedenis van de kunst. Wat anderen doen, moeten zij weten. Een Europese schilder heeft alles al gezien, dat is niet hetzelfde als een schilder die is geboren in de provincie van Latijns Amerika.”

Na een jaar in Madrid gaat hij, via het Louvre, naar Florence. Op zijn reizen in Toscane en Noord-Italië maakt hij, nog steeds driftig kopiërend, kennis met een van zijn grootste voorbeelden: de vijftiende-eeuwse schilder Piero della Francesca. Soms lijken de bomen op Botero's schilderijen rechtstreeks uit een werk van Piero della Francesca te komen. En op een schilderij uit 1972 zette hij zichzelf om een tafel met de Franse schilder Ingres, toen een ander groot voorbeeld, en Piero della Francesca.

De nadruk op de compositie is een van de elementen die Botero bewondert in Della Francesca en zijn Italiaanse tijdgenoten. “De rust is belangrijk in een schilderij, de beweging die is stilgezet in de tijd, zoals ook in de Egyptische kunst. Dat probeer ik te bereiken.”

Ontvoering

De Peruaanse schrijver Mario Vargas Llosa heeft over Botero gezegd dat hij als weinig anderen een typisch Latijns-Amerikaanse ambiguïteit verpersoonlijkt: Westers zijn en het tegelijk niet zijn. “Ik ben een mengeling van twee culturen, zowel in mijn artistieke als in mijn menselijke persoonlijkheid”, zegt Botero. “Ik heb bijna veertig jaar in Europa en de Verenigde Staten gewoond, en dat heeft invloed. Mijn kleurgebruik en mijn discipline zijn niet typisch Latijns-Amerikaans, maar mijn onderwerpen meestal wel. Ik kan niet van me afschudden waar ik ben geboren en opgegroeid. Ik kijk met grote bewondering naar de artistieke traditie van Europa, maar ik heb ook de pre-Colombiaanse kunst en de Latijns-Amerikaanse volkskunst in me opgenomen. Het is een mengeling, en zo moet het ook. Mijn voorouders kwamen uit Spanje en Italië. Wij zijn geen indianen.”

Botero verdeelt al jaren zijn tijd tussen Parijs, New York en Pietrasanta. Tot voor kort ging hij ook steeds een paar weken terug naar Colombia, maar dit jaar durft hij niet. Vorig najaar is een groep gewapende mannen zijn huis op het platteland binnengedrongen omdat ze dachten dat hij daar was, om hem te ontvoeren. Met een lichte rilling vertelt hij dat zijn honden toen zijn vermoord.

Omdat Colombia te gevaarlijk is geworden, is Botero dit jaar een maand naar Mexico gegaan. Balling zijn schept de afstand die nodig is om de verbeelding de vrije hand te geven, maar het contact mag niet verloren gaan. “Ik heb behoefte aan de communicatie met Latijns Amerika. Ik heb het geluk dat ik een heel continent als onderwerp heb, een onderwerp voor poëzie en ook vol mysterie. In Europa is alles al volledig uitgelegd en in al zijn aspecten vertoond. Wij hebben een werkelijkheid die nog fascinerende en mysterieuze hoeken heeft.”

Het magische realisme, waarvan zijn landgenoot en schrijver Gabriel Garcia Marquez de grootste vertegenwoordiger is, zegt Botero overigens te verafschuwen. “Dat is een arme zoon van het surrealisme. Het surrealisme schildert dingen die onmogelijk zijn. Ik maak dingen die onwaarschijnlijk zijn, maar niet onmogelijk.”

Zijn werk is een mengeling van fantasie en nostalgie. Botero is geboren in Medellin, nu het centrum van de cocaïnehandel, een van de meest gewelddadige steden van Latijns Amerika, maar vroeger een ingeslapen provinciestadje. “Het was een microkosmos van Latijns Amerika, een zeer geïsoleerde stad. De burgemeester was als de president, de bisschop als de paus.” Uit zijn herinneringen aan het Medellin van die tijd haalt Botero zijn inspiratie voor zijn schilderijen van de First Lady, de bordelen, de danslokalen, de stierenvechters.

In Florence zijn de stierenvechters niet te zien, omdat dat al het onderwerp van eerdere, kleinere tentoonstellingen in Italië is geweest. Dat is jammer voor wie met Botero wil kennismaken, want het is een belangrijk thema. Als twaalfjarige werd hij naar een school voor stierenvechters gestuurd, maar hij tekende liever dan dat hij de arena inging. “Ik heb nooit spijt gehad van die keus, maar ik heb wel grote bewondering voor het beroep van stierenvechter. Wanneer je tegenover een stier staat, dan zijn er geen compromissen. Dat is het moment van de waarheid.”

Genoegen

Een ander onderwerp dat bij Latijns Amerika hoort, en zeker bij Colombia, is het geweld, maar dat is nauwelijks terug te vinden in het werk van Botero. “Ik geloof niet dat je met kunst de samenleving kunt veranderen, ik geloof niet in kunst als aanklacht, als pamflet”, zegt hij zachtjes. “De schilderkunst is niet de natuurlijke manier om aan te klagen; dat is het woord. Ik kies onderwerpen die geschikt zijn om pictoreske eigenschappen uit te drukken. Voor de schilderkunst is het esthetische genoegen het belangrijkste. Er zijn onderwerpen die minder geschikt zijn voor een schilder. Schilders als Titiaan of Renoir of Monet konden ook niet aan alles denken. Dat zou betekenen dat je je positie als schilder forceert.”

Botero wil geen spiegel zijn, geen politiek commentaar geven op wat hij schildert. Zijn schilderij Guerrilla laat zes mannen met geweren zien, maar ze slapen of rusten wat uit tegen een boom. Zijn schilderijen van officieren en presidenten vergelijkt Botero met de hofportretten van Goya en Velazquez: het is een goed onderwerp. Officieel portret van de militaire junta uit 1971, helaas niet in Florence te zien, is een vernietigend groepsportret van een aantal officieren, een bisschop, een poedel, een kennelijke minnares die met haar voeten op een modelspoorlijntje staat, en een moeder die een generaaltje met vlag in haar armen houdt.

“Die schilderijen zijn niet met haat gemaakt, al voel ik geen enkele sympathie voor die mensen. Maar ik moet ervoor opletten dat wat ik voel niet zichbaar wordt op mijn schilderijen. Het is belangrijk het feit te laten zien zonder je emoties te tonen, zoals je dat bij Velazquez ziet of bij Piero della Francesca. Ik ben hier en wat ik heb geschilderd is daar. Dat is een van de dingen die ik bewonder in de kunst, het vermogen om een feit te laten zien zonder de emoties.”

Daarom zijn de mensen van Botero geen persoonlijkheden, maar zoals hij zelf zegt, prototypen. “Ik wil aan de mens denken als een object, dat is de meest picturale benadering. Bij de beelden van de Griekse atleten vraagt niemand zich af waaraan ze denken. De schoonheid van de harmonie, het ritme, dat is van belang, niet wat ze denken. De Griekse kunst heeft het vijf, zes eeuwen lang met hetzelfde hoofd gedaan, hetzelfde prototype. Dat betekent niet dat alle Grieken zo'n hoofd hadden. In de Egyptische kunst hetzelfde: alle hoofden lijken op elkaar. In de vorige eeuw hebben veel schilders geprobeerd hun werk een psychologische dimensie te geven, een sterk karakter te geven aan iemand. Dat is volgens mij literair, dat gaat in tegen de schilderkunst.”

Botero laat zijn mensen nooit lachen en nooit te nadrukkelijk van het doek af kijken. Soms geeft hij iemand schele ogen, geeft hij een moeder-overste een sigaret in de hand, laat hij een wormpje uit een peer kruipen, als een ironische kanttekening, om het schilderij wat lichter te maken. Maar lachen doen ze nooit - alleen zijn schilderijen die zijn gebaseerd op de Mona Lisa, maar daarbij was er niet aan te ontkomen.

“Ik wil ze geen enkele uitdrukking geven. De blik moet leeg zijn. De non-uitdrukking is de beste uitdrukking, zoals in de Egyptische kunst, die de meest mysterieuze uitdrukking heeft. Ik probeer mensen te maken die de kijker niet aankijken, die in de leegte kijken. Als je een personage schildert dat de toeschouwer aankijkt, zie je alleen de ogen. Net als wanneer je met iemand praat, dan zijn de ogen zo sterk dat je niets anders ziet. Om naar een persoon te kijken moet je hem vragen zijn ogen dicht te doen. In de schilderkunst is het hetzelfde. Als de ogen erg sterk zijn, zie je het schilderij niet meer.”

Brons

In het begin van de jaren zeventig begon Botero ook als beeldhouwer te werken. Hij had eerst wat met zaagsel en lijm gewerkt, maar dat beviel niet, en daarom maakte hij de overstap naar brons. Dat is ook de reden dat hij 's zomers in Pietrasanta woont. Het dorpje ligt ingeklemd tussen het overvolle strand en de witte bergen waar Michelangelo en duizenden anderen hun marmer vandaan haalden. Maar het is ook een gebied met volgens Botero de beste bronsgieterijen ter wereld. Aanvankelijk liet hij zijn beelden in Parijs gieten, maar nadat hij in 1976 bij toeval Pietrasanta had ontdekt, besloot hij al zijn werk daar te laten doen.

Veel contemporaine schilders zijn niet te "vertalen' in beeldhouwwerken, maar bij Botero en zijn nadruk op het volume is dat geen probleem. Voor het Forte Belvedere in Florence, op een soort plateau dat uitzicht biedt op de stad, staan de grote bronzen Botero's: een vogel, liggende vrouwen, mannen op een paard, stuk voor stuk beelden die zo uit een schilderij van hem zouden kunnen zijn gestapt.

“Het zou moeilijk zijn een mooier decor voor mijn beelden te vinden dan het zicht op de Dom van Florence en de andere torens van de stad”, zegt Botero. Volgend jaar zal een aantal van deze beelden te zien zijn op de Champs Elysées. Parijs heeft hem uitgenodigd voor een tentoonstelling langs deze beroemde boulevard. “Ik hoop dat het daar ook erg spectaculair wordt”, zegt hij. Het werk aan de beelden is vrijwel klaar, al moet er nog een aantal worden gegoten. Hij breekt zich nog wel het hoofd over de Boteriaanse sculptuur van bloemen waarom Parijs hem heeft verzocht.

Botero is bekend geworden door zijn schilderijen, maar hij leeft nu van zijn beeldhouwwerk. De bronzen beelden worden, afhankelijk van de grootte, in drie tot zes kopieën gemaakt. Botero zegt dat hij eigenlijk niet houdt van het idee van verscheidene exemplaren, maar dat de kosten van het eerste beeld zo hoog zijn dat je wel genoodzaakt bent dezelfde mal nog een keer te gebruiken om een tweede en een derde beeld te gieten. Bovendien levert het hem zo genoeg geld op om rond te komen en kan hij zijn schilderijen zelf houden.

“Ik houd er niet van mijn schilderijen te verkopen”, zegt Botero. “Al zeker tien jaar verkoop ik niets meer.” Een bijkomend voordeel is dat Botero zo makkelijker een tentoonstelling kan organiseren als hij daar zin in heeft. De schilderijen zijn bijna allemaal opgeborgen in Zwitserland, maar hij heeft er thuis foto's van. “Als ze mij een tentoonstelling voorstellen, pak ik de foto's, selecteer welke ik wil laten zien, en de tentoonstelling is klaar. Zo heb ik geen problemen, want het is tegenwoordig bijna onmogelijk een tentoonstelling te maken. Niemand wil iets uitlenen, zeker niet voor een langere periode. Bovendien kost de verzekering zoveel geld dat de instituten het niet meer kunnen betalen.”

“Uiteindelijk zal ik het wel allemaal cadeau geven aan een of ander museum”, zegt hij. “Omdat ik kan leven van het beeldhouwwerk, heb ik nu tenminste het plezier dat ik veel van mijn schilderijen zelf nog heb. En een kunstenaar moet plezier hebben in zijn werk, hij hoeft helemaal niet te lijden. Enthousiasme is het belangrijkste in de kunst.”