Een bres in de Beschaafde Directeurensmaak; De keuze van de kunstcriticus Diederik Kraaijpoel: schilderkunst

“Nederland is het Albanië van de moderne kunst”, schreef Diederik Kraaijpoel vorig jaar in zijn boek "De Nieuwe Salon'. Volgens hem is in de Nederlandse musea van moderne kunst ten onrechte geen plaats voor klassieke, realistische kunst. Toch vindt hij ook het realisme van de nieuwe schildersgroep "After Nature' gekladder. In het Markiezenhof in Bergen op Zoom kreeg Kraaijpoel nu eens de kans zijn keuze te presenteren: schilderijen van de onbekende Olga Wiese.

Schilderijen van Olga Wiese, t-m 15 september in gemeentemuseum Het Markiezenhof, Steenbergsestraat 8, Bergen op Zoom

Nieuw! Opwindend! Diederik Kraaijpoel presenteert: De Nieuwste Traditionele Provinciale Reactionaire Arrière-Garde Kunstenares Olga Wiese in het Museum Het Markiezenhof in Bergen op Zoom! Komt dat zien!

Zo zou je, ongeveer in de stijl van Kraaijpoel zelf, de expositie kunnen aankondigen die nu in Het Markiezenhof te zien is.

Diederik Kraaijpoel maakte vorig jaar furore met zijn boek De Nieuwe Salon, waarin hij kritiek oefent op het benepen museum- en kunstbeleid in Nederland. Sinds 1950, betoogt hij, komt alleen een pseudo avant-garde nog aan bod. Alle musea tonen steeds de nieuwste trends in de moderne kunst. Navolgers van die trends krijgen geld van de overheid.

Klassieke, realistische kunst komt "de nieuwe salon' niet meer in. “Het lijkt erop dat in Nederland, het Albanië van de moderne kunst, de werking van het dirigisme totaler is dan in andere landen. Nergens is, meen ik, het klimaat zo heftig anti-esthetisch, dat wil zeggen kunst-vijandig, nergens wordt vanaf de kansel zo extatisch gepreekt over innovatie en grensverlegging, nergens zijn de gelovigen zo kritiekloos en dociel”, schrijft Kraaijpoel.

Niet dat hij tegen moderne kunst is. Mondriaan en Rothko bijvoorbeeld schat hij hoog. Ook "charlatans als Warhol' en "wereldverbeterende grootvaders als Joseph Beuys' mogen van hem getoond worden, als daarnaast ook maar kunstenaars aan bod komen die in de klassieke stijlen werken.

Kraaijpoels poging om een bres te slaan in wat hij de "Algemeen Beschaafde Museumdirecteuren Smaak' noemt, kreeg bijval en hoon. Renate Rubinstein schreef in haar Tamar-column: “Sinds Het raadsel der onleesbaarheid van Karel van het Reve verscheen heb ik niet meer een boek gelezen dat mijn somberste vermoedens zo erudiet bevestigde."" (VN, 21 april 1990).

In de moderne kunstkringen werd Kraaijpoel als de zoveelste reactionaire mopperaar gezien. Chris Dercon, directeur van het Rotterdamse moderne kunstcentrum Witte de With, viel Kraaijpoel aan tijdens een debat begin dit jaar in het Schiedams Museum. Dercon diskwalificeerde Kraaijpoels boek omdat die, blijkens de literatuuropgave, Kant niet gelezen had. En steekhoudend over moderne kunst schrijven zonder eerst Kant te lezen, was volgens Dercon onmogelijk.

Tamar vreesde dat Kraaijpoels boek maar weinig zou veranderen in de opvattingen van het kunstestablishment. Daar leek het ook wel op, maar er is nu toch een kleine verandering waar te nemen. Want de nieuwe directeur van het gemeentemuseum Het Markiezenhof in Bergen op Zoom, R.C. Bastiaanse, nodigde Kraaijpoel naar aanleiding van zijn boek uit, om nu eens zijn keuze te presenteren. Bastiaanse wil in zijn museum met nadruk niet “nog eens dunnetjes overdoen wat 40 km verderop al eerder, beter en uitvoeriger is tentoongesteld.” In de cirkel rond Bergen op Zoom zijn Museum Boymans-Van Beuningen in Rotterdam, De Beyerd in Breda en het Mukha in Antwerpen te vinden, waar volop moderne kunst te zien is. Bastiaanse wil de lacunes in het aanbod van die kunstcentra aanvullen. “Een van die "blind spots' vormt de niet-experimentele kunst, die in een min of meer klassiek idioom een beeld geeft van de wereld buiten zichzelf. Deze "verbeeldende kunst' kan zich niet bepaald verheugen in een grote belangstelling van het officiële circuit”, schrijft Bastiaanse in de catalogus - duidelijk geënt op "De Nieuwe Salon'.

Kraaijpoels keuze is verrassend: Olga Wiese (Middelburg, 1944), een kunstenares van wie vrijwel niemand buiten de stad Groningen ooit gehoord heeft. Ten onrechte vindt Kraaijpoel: “Dat ligt niet zozeer aan haar, als wel aan de landelijke media, die alle culturele activiteit ten oosten van Utrecht negeren.” Olga Wiese maakt verontrustende schilderijen. Stoeten merkwaardige figuren, soms half mens, half dier, bevolken haar schilderijen. Ze zijn met raadselachtige activiteiten bezig, soms geil, soms stuitend, soms acrobatisch. Maar bijna altijd stralen ze een soort sardonisch plezier of blijmoedigheid uit.

Kunstkenners die Groningen bezochten, hebben haar werk misschien nooit aanschouwd, de plaatselijke cafébezoekers kennen haar werk maar al te goed. In menig Groninger kroeg hangt werk van Olga Wiese - in De Drie Gezusters aan de Grote Markt, café De Wolthoorn of in café De Sleutel aan de Noorderhaven. In dat laatste café hangt een portret van de Groninger dichter Jean Pierre Rawie. Hij draagt in zijn armen een lieflijke dame die bij nadere beschouwing niet zo maar een schone blijkt te zijn, maar een rottende schone, in wier lijf ongedierte wriemelt.

Het was dan ook in de kroeg dat Kraaijpoel jaren geleden voor het eerst werk van Wiese zag. Als schilder en docent aan de kunstacademie Minerva vond hij de kwaliteit van het schilderwerk in die tijd nog maar matig. Maar het verhaal dat ze verbeeldde boeide hem wel. Hij bleef haar werk volgen.

“Ze heeft zichzelf leren schilderen in de afgelopen jaren,” licht Kraaijpoel zijn keuze toe in zijn lichte en ruime atelier waar ook zijn eigen schilderijen in - hoe kan het ook anders - klassiek realistische stijl hangen. Barre, romantische landschappen, waarin de natuur ongenaakbaar is.“Olga Wiese heeft zich ontwikkeld tot een uitstekend colorist en ze heeft een virtuoze vrije, beweeglijke toets die zeldzaam is tegenwoordig,” zegt hij.

Hij haalt de catalogus van de expositie in Het Markiezenhof erbij. “Hier, neem de Apenprinses. Je ziet verschillende centra van aandacht. Sommige delen zijn nauwelijks uitgewerkt. Je kunt delen isoleren die abstracte werken lijken. Bij Rembrandt heb je dat ook. Het is een kenmerk van het betere realistische werk. Niet van die verschikkelijke volgebreide doeken, zoals hedendaagse fijnschilders dat vaak doen.”

Het illustratieve, verhalende element in de schilderijen die Wiese maakt spreekt Kraaijpoel ook in hoge mate aan. “Zij tovert ons originele, boeiende verhalen voor ogen. Het verhalende, het fictie-element is in de moderne beeldende kunst vrijwel helemaal verdwenen.”

“Deze gewoonte berust op de avant-garde opvatting dat kunst vooral niets anders mag uitdrukken dan haar eigen disciplines en-of de gevoelens van de kunstenaar. Andere belangstelling is literair, dat wil zeggen verwerpelijk. Voor deze twee avantgardistische doelen is eigenlijk geen enkele handvaardigheid vereist. (-) Binnen de moderne kunst (is er) veel ijver om te exposeren, in het nieuws te komen, roem te verwerven, geld te verdienen, maar inspanning om het produkt te verbeteren is er ongebruikelijk,” schrijft hij in De Nieuwe Salon.

Gekakel

“Het moet met de kunst helemaal nergens naar toe!”, zegt Kraaijpoel opverend uit zijn stoel, als ik gevraagd heb of dit nu dan de stijl is waar "het heen moet'. “Van dat soort gedachten moeten we juist af! De kunst als geheel ontwikkelt zich niet in een bepaalde richting. Alle pogingen om richting te geven aan kunst - Hitler, Stalin - zijn op rampen uitgelopen. Kunst is wereldomvattend geworden, het is als een oceaan van eclecticisme die je in al zijn facetten bekijken moet.”

Van de huidige meer realistische tendens in de moderne kunst moet hij weinig hebben. “Gekakel in het kunstwereldje,” vindt hij dat. “Ze denken steeds dat ze wat nieuws ontdekt hebben. Nu weer die mevrouw van de Rijksdienst, Ottevanger. Die schrijft dat kunstenaars plotseling het schilderij als venster op de wereld hanteren. Ach, ach, een eeuwenoud principe, deze keer wel heel slecht uitgevoerd. Dat gekladder van die groep uit Amsterdam, After Nature, van Domburg en Klashorst, die weer naar de natuur gaan schilderen is in vergelijking met wat talenten als Olga Wiese, Wout Muller of oudere schilders als Wijnberg of Berserik doen volstrekt marginaal.”

De nieuwste "realistische mode' in avant-garde-kringen ziet hij als gegoochel met trends. “Zodra een kunstwerk klassieke elementen bevat, bestaat het gevaar dat het beschouwd zal worden als een traditioneel provinciaal reactionair arrière-garde produkt, dat ten hoogste ƒ 1.250,- zal opbrengen. Daar heeft een galerie niets aan. Maar als datzelfde kunstwerk door middel van verbale acrobatiek wordt geplugd als zijnde een doorbraak naar een nieuwe mentaliteit en een manifestatie van de Tijdgeest, dan kan het al gauw voor ƒ 12.500,- de deur uit”, schreef hij in zijn boek.

Fantasie

Olga Wiese zit ontspannen op het terras van café De Kale Jonker, op een steenworp afstand van de kunstacademie Minerva. Rond haar scharrelt een witte hond, die naar de merkwaardige naam Sjuu luistert, en verdacht veel lijkt op sommige honden op haar schilderijen. Uiteraard bevalt het haar goed dat haar werk in het museum hangt; dat is op deze schaal nooit eerder gebeurd.

Maar een dergelijk succes heeft ze nooit gezocht en het zit haar ook niet dwars dat haar schilderijen tot nu toe niet in het museum hingen. “Het schilderen schenkt me genoeg voldoening. En zo hoort het ook, vind ik. Natuurlijk, ik moet er van leven, en als de markt groter wordt, is dat mooi. Maar mijn werk wordt toch al gezien en gekocht,” zegt ze. Negentien van de drieëntwintig geëxposeerde werken zijn afgestaan door de verzamelaars die ze kochten.

Ze tekent al zolang ze zich herinneren kan, zegt ze. Dat ze geen professionele opleiding volgde was meer toeval dan een bewust keuze. “Ik heb gewoon de omgekeerde weg bewandeld. De meesten maken zich eerst de techniek meester en gaan dan denken wat ze moeten schilderen. Bij mij was het andersom. Ik wist wat ik wilde schilderen en heb me de techniek later aangeleerd.”

Ze schildert uit haar fantasie, zegt ze. Ze put daarbij uit haar geheugen, waarin ze details van wat ze om zich heen ziet opslaat. “Dus ik neem een neus van die, een mond van die, de ogen van weer een ander, en zo maak ik mijn figuren. Ik ben natuurlijk een beetje God. Ik mag de wereld samenstellen zoals ik wil.”

Ze gaat niet te werk volgens een vooropgezet plan als ze schildert. De schilderijen onstaan al associerend. Het verhaal dat ze in het schilderij vertelt, vindt ze het belangrijkste. Als inspiratiebron noemt ze dan ook de striptekenaar uit het begin van deze eeuw, Windsor McCay, die onder meer Little Nemo tekende. “Alles wat je denkt te zien, verandert op het volgende plaatje steeds weer. Mannen blijken vrouwen, gebouwen worden levende wezens, een krokodillemuil wordt een troon. Dat spreekt me aan. Dat alles anders blijkt dan je eerst denkt te zien.”

Ze tekent zelf geen strips, maar vindt zichzelf eigenlijk een tekenaar met olieverf. Ze kent Diederik Kraaijpoel, en deelt zijn kritiek op het officiële kunstcircuit en kunstambtenarij. “Als je een suikerbiet in een ijskast als kunstwerk presenteert, kopen ze dat grif aan voor zesduizend gulden. Maar alles wat maar een beetje begrijpelijk is voor wat volgens kunstambtenaren het klootjesvolk heet, daar willen ze niets van weten. Als ze dat accepteren kunnen ze niet laten zien dat zij verstand van moderne kunst hebben”, vertelt Olga Wiese.

Maar volgens haar keert het tij. Twee figuratieve Groninger schilders, Röling en Muller hebben nu opdracht gekregen in het grote Groninger theater d'Oosterpoort een wandschildering te maken. “Een doorbraak”, denkt Olga.