Dit is geen toneelstuk maar een abattoir

Het toneelstuk wordt zelden uitgevoerd, ik zelf ken het in geschrifte, terwijl ik bovendien de plaatopname bezit die de Marlow Dramatic Society er zo'n dertig jaar geleden van heeft gemaakt.

Op plaatkant zes bereikt het drama zijn bloedige hoogtepunt. Aanwezig zijn generaal Titus, zijn dochter Lavinia, zijn zoon Livius, keizerin Tamora en keizer Saturnius. Vorst en vorstin eten van de, speciaal voor hen gebakken, pastei, als Titus plotseling zijn eigen dochter doorsteekt. Vorstin en vorst vragen ontsteld wat Titus in vredesnaam bezielt. Het is mededogen, verklaart de gekwelde vader smartelijk, mededogen met het meisje dat drie bedrijven eerder is verminkt en verkracht. Door Chiron en Demetrius, keizerin Tamora's zonen uit een eerder huwelijk.

“Ga, haal hen onmiddellijk hierheen!” beveelt keizer Saturnius.

“Zij zijn allebei in de pastei verwerkt”, zegt Titus met smalle lippen. “Dezelfde pastei waarvan hun moeder net zo smakelijk van heeft gegeten. Zo heeft zij datgene genuttigd wat zij ooit in haar schoot heeft gedragen” (en hij doodt keizerin Tamora).

“Sterf, dolle schurk, deze daad zal niet ongewroken blijven!” zegt keizer Saturnius (en hij doodt Titus).

“Vergt gij het zien van 's vaders bloed de zoon? Dan hebt gij dood voor dood en loon voor loon!” rijmt Lucius (en hij doodt keizer Saturnius).

Grote opschudding. "Ohohohohohohohohoh!' roept de complete Marlow Dramatic Society in de microfoon. In het toneelstuk zijn inmiddels al veertien doden gevallen. Grimmig, in ketenen geslagen, overziet de boze Moor Aaron het slagveld. Hij weet: vijfenzeventig dichtregels verder zal zijn lot bezegeld zijn.

Het is de lachwekkendste tragedie van het gehele toneelrepertoire, Elizabethaanse horror, voor het voetlicht gebracht door bordpapieren karikaturen met slechts twee menselijke eigenschappen: bloeddorst en wraakgier. T.S. Eliot heeft het "one of the stupidest and most uninspiring plays ever written' genoemd. Behalve stupide en onbezield is het toneelstuk bovenal onsmakelijk. Neem de scène waarin de arme Lavinia moet boeten voor het feit dat zij de dochter van haar vader is. Niet alleen wordt haar de tong uitgerukt, niet alleen worden haar beide handen afgehakt, tevens wordt zij tweevoudig verkracht - en wel bovenop het lijk van haar even eerder afgeslachte echtgenoot - de schrijver had blijkbaar een creatieve dag.

Sinds kort ken ik het drama eveneens via de tv-registratie die de BBC ervan heeft gemaakt. Het is dezelfde opname die dinsdagavond door Veronica zal worden uitgezonden. Wees gewaarschuwd: dit toneelstuk is alleen maar te verdragen als men zich in de keukenkast opsluit, er zorgvuldig voor wakende dat de deur geluiddicht wordt afgesloten.

Wij kunnen de Elizabethanen niets verwijten. Je hoeft tegenwoordig maar de eerste de slechtste buurtvideotheek binnen te lopen om bevestigd te zien: bloeddorst is van alle tijden. Maar Titus en de zijnen overdrijven. Dit is geen toneelstuk meer, het is een abattoir. Aaron de Moor wordt levend begraven. Alerbus, Tamora's zoon, wordt in stukken gesneden. Bassanius, broer van de keizer, wordt doorstoken. De Boer annex Boodschapper wordt opgehangen. Chiron, Tamora's tweede zoon wordt gekeeld, net als Dimetrius, Tamora's derde zoon. Lavinia, Titus' dochter, wordt doorstoken. Marcius, Titus' zoon, wordt onthoofd. Mucius', Titus' tweede zoon, wordt doorstoken. Quintus, Titus' derde zoon, wordt onthoofd. Keizer Saturnius wordt doorstoken, net als keizerin Tamara, haar voedster, haar vroedvrouw en haar aartsvijand Titus zelf. Voegt men daarbij die "arme, schuldeloze vlieg' die in het derde bedrijf ten noorden van de etensborden gonst en voor straf aan het blinkend staal wordt geregen, dan komt men op een dodental van vijftien, wat mij een serieuze gooi naar het wereldrecord lijkt. Vooral als je daar nog die eenentwintig andere zonen van Titus bij optelt, die door hun vader regelrecht uit het looprek naar het slagveld zijn gezonden en, veel te jong voor het krijgsbedrijf, allen sneuvelen. Had dit toneelstuk zes in plaats van vijf bedrijven gehad, schreef eens een criticus, dan had er geen levend wezen meer op het toneel gestaan en was de schrijver gedwongen geweest om gewapenderhand de complete parterre uit te roeien.

De betreffende schrijver was trouwens de Engelsman William Shakespeare (1564-1614). Men vergeve hem al die smakeloosheden: zijn "Titus Andronicus' moet als een jeugdzonde worden beschouwd. De rijpere werken van zijn hand zijn niet onverdienstelijk en een aantal daarvan is er zelfs in geslaagd tot op heden repertoire te houden.