De pet van tante Jet

Wie voor het eerst gaat parachutespringen is behoorlijk bang. Na twee dagen met zeven anderen in een klasje zitten weet je wat je in alle situaties moet doen maar je bent nog geen meter van de grond geweest.

Je moet alle situaties inderdaad goed kennen want straks in de lucht ben je alleen en mag je geen fouten maken. Toch is het net of je twee dagen autorijles hebt gehad zonder in een auto te zitten, waarbij je nu al is geleerd wat je moet doen als je in Engeland in het verkeer terechtkomt.

Wij, in Frankrijk, leren heel andere dingen. De parachutes op de cursus in Soulac-sur-Mer zijn vierkant en door hun bijzondere bouw zijn ze bestuurbaar met twee stuurtokkels die je in je handen houdt. Met diezelfde tokkels kun je ook remmen. Verder heb je voor noodgevallen altijd een reserveparachute bij je en je weet precies hoe hij werkt. Als alles misgaat en je raakt ook nog in paniek, gaat de reserveparachute automatisch open. Landen doe je tegen de wind in en door op het laatste moment hard te remmen kan dat heel zacht.

Dat weten we allemaal en nog veel meer. Op de derde dag is het zover: wij, de nieuwe cursisten, mogen gaan springen! Helaas, als we wakker worden is het bewolkt en het waait te hard. Dat betekent wachten tot het weer beter wordt. Niets zo erg bij parachutespringen als wachten op goed weer. 's Avonds trekt de hemel gelukkig open. Onze instructeur heet Jan en hij is ook onze eerste jumpmaster. Hij begeleidt ons naar boven. De parachutes gaan om en we lopen naar de startbaan. We wachten. Daar komt het vliegtuig, het keert en nu rennen we ernaar toe. Iedereen stapt in en gaat op de goede plaats zitten, van tevoren is de springvolgorde afgesproken. De deur gaat dicht en het vliegtuig stijgt op. Langzaam klimmen we naar 1200 meter hoogte. We kijken elkaar een beetje angstig aan. De jumpmaster doet de deur op een kier en kijkt recht naar beneden. Hij schuift de deur helemaal open en gebaart dat nummer 1, de zwaarste, op de rand moet gaan zitten. De wind waait oorverdovend hard naar binnen. “Ready? Go!” roept de jumpmaster. Nummer 1 duikt er uit als een vogel die met het vliegtuig mee probeert te zweven. Hij telt hardop: “Duizendéén, duizendtwee..” De rest horen we niet meer. Meteen daarna gaat nummer twee naar buiten. Dan gaat de deur dicht en maken we een rondje want iedereen moet er op hetzelfde punt uit. Ik ben nummer drie en ga alvast op de vloer zitten. De jumpmaster kijkt weer even door een kier en gooit dan de deur open. Snel neem ik plaats op de rand van het vliegtuig. De jumpmaster weet dat dit een spannend moment is dus hij probeert het zo snel mogelijk voorbij te laten gaan. Dit is 1200 meter hoog, denk ik nog. “Ready? Go!” roept hij en ik ga. Ik vergeet even dat ik moet tellen maar denk daar twee seconden later toch nog aan: “..duizenddrie, parachute” roep ik hard in de wind. Precies op tijd springt hij open. Omdat wij beginners zijn wordt de parachute door een lange lijn vanuit het vliegtuig opengetrokken. Ik merk tot mijn verbazing dat ik vrij rustig hang, alles is in orde. Ziezo, dit neemt niemand me nog af. Ik stuur een beetje rond en kijk naar de anderen. Mijn benen bungelen er maar wat bij als een landingsgestel dat ik nog moet intrekken. Na vijf of tien minuten zweven ben ik weer op de grond. Nou, daar is niet veel veranderd - had ik anders verwacht? De anderen komen ook rustig neer of zijn er al. Verbaasd en vrolijk kijken we elkaar aan en iedereen is het erover eens dat het prachtig is.

Nu moeten we de parachute gaan vouwen voor allen die na ons komen. Dat is een zeer precies en belangrijk werkje en vooral in het begin erg moeilijk. Daarna is er een feestje en iedereen feliciteert elkaar.

Ik heb op dat moment één sprong gemaakt. Om ons heen lopen mensen die er al honderden of duizenden hebben gemaakt. Zij gaan ook niet meer naar boven om aan een parachute te hangen maar zij beginnen op 3 of 4 kilometer hoogte met vrije val, waarbij ze allemaal ingewikkelde figuren maken. De parachute is voor hun alleen nog een manier om veilig te landen.

Na een paar sprongen word ik bij de vierde keer opeens erg bang. Waarom? Ik weet het niet, er gaat niets fout en er gebeuren geen ongelukken om ons heen. Iedereen landt veilig, alleen niet altijd dicht genoeg bij de landingsplaats. Meestal komt dat door kleine fouten en nooit is het een ramp: als je je hoofd maar koel houdt en denkt om je eigen veiligheid. Na die vierde sprong lijkt alles opeens makkelijker te gaan. Wat kan ons gebeuren? De parachutes zijn goed, de opleiding is uitstekend, iedereen let in de lucht goed op. Zingend gaan we het vliegtuig weer in voor onze volgende sprongen: “Wie heeft de pet van tante Jet? Timo heeft de pet van tante Jet.”

Natuurlijk is het veilig. Anders zouden de springers die al tweeduizend keer naar boven zijn geweest en even vaak veilig geland zijn toch nooit nog een keertje gaan?