De droom van de horlogemaker

Ik maak nooit iets mee. Maar vorige week wel. Want toen liet ik mijn horloge vallen.

Het dekseltje sprong eraf, het dekseltje aan de achterkant, en ik kreeg het er niet meer op. Dus toen ging ik maar eens naar de electronicaman op de hoek, die zo mooi over varkensneusjes en bananestekkertjes kan spreken en die overal verstand van heeft. Die schroefde een vergrootglas in zijn oog en begon toen hevig te turen en met een minuscuul borsteltje te borstelen en het dekseltje met een soort van houten soepstengel te bekloppen, maar ook hij kreeg hem er niet meer op.

Wat nu? Mismoedig fietste ik rond met mijn horloge, mijn dekseltje en het plakbandje dat die twee bij elkaar hield. Maar daar viel mijn oog al op een tabakszaak annex slijter annex snoepwinkel met alleen maar horloges in de etalage. De eigenaar stond me met opgehouden hand op te wachten. Kennelijk moest ik daar iets inleggen, maar wat? Aha, het horloge natuurlijk. Dit moest wel een echte vakman zijn. Die kon aan je hoofd al zien dat je een ziek horloge had. “Zal ik er maar eens een flinke klap met de hamer op geven?” grapte hij. “Ja”, zei ik, “geeft u er maar eens een flinke klap met de hamer op, want het dekseltje zit los.” Hij trok zich even terug, frummelde en ritselde wat, riep heel hard ”Bèng!' en kwam grijnzend terug. Het dekseltje zat er nu muurvast op.

Zelf was hij blijkbaar ook wel tevreden, want aan de toonbank kreeg ik nog een mooi verhaal te horen. Het ging over een horlogemaker ergens in de Pijp, die een paar jaar geleden eens een verkoopstunt had bedacht. Hij maakte bekend dat hij voor ieder horloge, hoe oud en kapot ook, een tientje zou geven. Daar kwamen de eerste klanten al, oude mevrouwen met half vergeten klokjes uit half vergeten kastladen opgediept, erfstukken die toch niet meer aan de praat te krijgen waren. Ze lagen maar in de kast stuk te wezen. Je was eraan gehecht, maar je keek er eigenlijk nooit meer naar om. Dus waarom niet de herinnering bewaard en een tientje geïncasseerd?

De Pijpse horlogemaker nam de klokjes rustig in ontvangst, overhandigde volgens afspraak een tientje, haalde tot verbazing van de tevreden verkopers een zware hamer vanachter de toonbank te voorschijn - en gaf er vervolgens tot verbijstering van diezelfde tevreden verkopers een zware klap mee op het uurwerk. Uurwerk verbrijzeld.

Dit was een verhaal om lang over na te denken. We moesten er allebei wel om lachen, een beetje ongelovig en meewarig, maar toch ook wel met enig ontzag. Het had wel iets, al wisten we niet precies wat. Het was zielig, maar ook wel geraffineerd. Het was agressie of vernielzucht, maar wel beheerst en op eigen kosten. Als je er even over nadacht, kon je je het voorstellen ook. Een horlogemaker die na een leven lang uiterst geduldig en behoedzaam priegelen zelf zijn droom liet uitkomen, de geheime droom van iedere horlogemaker: nu eens in één keer een flinke serie horloges kapot te mogen slaan.

En nu nog even een gedicht. Het is van Jan Emmens en volgens mij is het een tel-eerst-tot-tien-als-je-boos-bent-gedicht. Kijk maar, tel maar na. De dichter probeert het tien keer, en het wordt ook wel steeds minder (stok, takje, houtje, steeltje), maar het helpt niet echt:

Het zichzelf beheersend gebedje Breek wat, een pot, een potje, breek wat, een schotel, een stok, breek wat, een takje, een houtje, een steeltje, maar breek wat IN GODSNAAM.