Dag en nacht

Bestaan er niet-ernstige tragedies? Drama's die ervaren worden als hartverscheurend en toch onbelangrijk? Pijn die eigenlijk geen pijn is?

Gisteren heeft mijn dochtertje van bijna vijf haar Teddybeer verloren. We waren op bezoek geweest bij kennissen in Warmond en fietsten langs de spoorlijn naar huis terug. De zon scheen, de vogels floten en niets duidde op een naderende catastrophe. Een meisje haalde ons in en zei: bent U misschien een teddybeer verloren? Schrik: waar is Teddy? We constateerden zijn afwezigheid. Ik bedankte het meisje; ik dacht eerst dat ze hem had opgeraapt, maar ze zei: hij ligt daarginds, bij het bruggetje, en fietste door.

Nog steeds waren we ons het onheil niet bewust. We dachten: we gaan hem even halen; de plek die zij aanwees lag zowat vijftig meter achter ons. We draaiden om en fietsten er heen. Bij het bruggetje was een kruispunt; nergens een teddybeer te zien. We keken in het gras, langs de bermen, steeds verder van het kruispunt. Geen Teddy.

Nu begon de werkelijkheid van het verlies tot mijn dochtertje door te dringen, met de bijbehorende en tot dat moment uitgebleven reactie, maar van ons maakte zich op dat punt juist een gevoel van onwerkelijkheid meester. Teddy was verdwenen, maar hoe was dat mogelijk? Er kon, tussen het moment dat dat meisje ons waarschuwde en onze terugkeer op de onheilsplek niet veel meer dan een minuut zijn verlopen. Er waren dozijnen fietsers langsgekomen: had iemand hem in dat korte interval opgeraapt en meegenomen? Wanneer de conclusie waartoe ze leiden maar ongewenst genoeg is ga je je eigen waarnemingen betwijfelen: hadden we dat meisje wel goed verstaan? Had zij misschien een andere plek bedoeld? Om beurten reden we een heel eind beide kanten uit, terwijl de ander met mijn weeklagende dochtertje bij de brug bleef wachten, maar zonder iets te vinden.

Een nuchter gebleven deel van mijn bewustzijn constateerde met interesse hoe de meest absurde veronderstellingen een zo dwingend karakter kunnen krijgen dat je niet bij machte bent er geen gevolg aan te geven: telkens even kijken of mijn dochtertje misschien die teddybeer niet toch gewoon in haar armen had ("dat meisje heeft misschien een heel andere beer gezien, of iets dat er niet was'). Je blijft als een gek steeds opnieuw dezelfde verificaties herhalen: zoeken op een plek waar je al drie keer eerder hebt gekeken, niet uit verwarring maar doelbewust: "daarnet lag hij er wel niet, maar nu misschien wel' - alsof er een fout in de werkelijkheid was geslopen die intussen weer ongedaan is gemaakt.

Na nog eens en nog eens de hele omgeving te hebben onderzocht moesten we ons wel neerleggen bij de conclusie: iemand moest hem in die korte tijdspanne hebben opgeraapt en meegenomen. Of, wie weet, in de sloot geschopt (O, Teddy). Bij het zien van mijn dochtertjes wanhoop laaide weer nieuwe haat in mij naar boven tegen dit rotland en de liederlijke mensen die het bewonen, met hun abjecte belustheid op alles wat ze voor niks kunnen krijgen. Al eerder is het mij overkomen dat mijn dochtertje iets verloor, een keer een wollen das, in een drogisterij, en nog voor we de winkel uitwaren had iemand 'm al meegepikt. Aardige das, heel geschikt voor onze jongste, hup, in de boodschappentas. En meteen vallen mij andere bittere herinneringen in, zoals die keer dat ze een rieten mandje liet vallen en een kerel met een fiets aan de hand er als een bulldozer overheen ging, eerst het voorwiel, dat zou nog per ongeluk kunnen zijn, en daarna, heel bedaard, ook het achterwiel, strak voor zich uitkijkend: ik zie niets, hoor niets; moet ze ook maar niet zo stom zijn het uit haar handen te laten vallen - of God weet hoe zo iemand denkt, maar zulke dingen beleef je alleen maar in Nederland.

Aan de andere kant, vermaan ik mijzelf, misschien heeft iemand die beer ook wel opgeraapt met de beste bedoelingen. Om naar het politiebureau te brengen. Het is waar dat het ons niet ontbrak aan hulpvaardige belangstelling, mensen die van hun fiets stapten, vroegen wat er aan de hand was en mijn dochtertje probeerden te troosten ("huil maar niet, beertje komt wel terug'); een oudere dame ging zelfs naar de nabijgelegen brandweerkazerne om te vragen of iemand ons verloren bezit daar niet had afgeleverd. Ook trachtte ik mij voor te houden dat Teddy, met zijn inwendig lichaam van, vermoedelijk, polyester, zou zijn blijven drijven als iemand hem in de sloot had gegooid. Toch zocht ik mismoedig het kroos af op gaten en wakken.

Het bleek geruime tijd onmogelijk mijn dochtertje (en onszelf) te overreden om van die plek weg te gaan, alsof we Teddy daar achterlieten zonder voldoende te hebben gezocht; en we hadden niet voldoende gezocht: we hadden hem immers niet gevonden? Tenslotte toch maar weg, naar het politiebureau, wie weet lag hij daar al.

Hij lag er niet, natuurlijk niet; maar het is ook waar dat de reactie van de politiebeambte achter het loket onberispelijk was, vriendelijk en ernstig; in Parijs had je me met geen stok voor een verloren teddybeer het politiebureau ingekregen; ze zouden je, onder lollige terzijdes naar hun collega's, vertellen dat ze wel wat anders te doen hadden en hoogstens adviseren gewoon een nieuwe te kopen.

En inderdaad, daar ergens ligt de scheiding tussen dag en nacht; je hebt ook mensen die hun huisdieren langs de kant van de weg zetten als ze met vakantie gaan om wanneer ze terugkomen gewoon nieuwe te kopen. Ah, maar dat zijn levende dieren. Dat is natuurlijk zo, maar daar gaat het eigenlijk niet om. Het noodlot wil dat ik net voor de Kinderpagina een stukje had geschreven getiteld Levend speelgoed: en er is geen twijfel aan, zo'n teddybeer is meer dan een hoopje pluche, het is een projectie van een levend wezen, niet in de laatste plaats van het kind zelf, en in die zin onvervangbaar.

Zelfs voor een met rede en de gave des onderscheids uitgeruste volwassene als ik: deze Teddy was bijna even oud als mijn dochtertje, hij was dag en nacht bij haar en heeft met haar en ons over de wereld gezworven, in vreemde hotelkamers en logeerbedden geslapen; hij heeft toen zij groter werd haar te klein geworden pyjama's, sokken en mutsen op- en aangehad, hij is meegeweest naar het ziekenhuis; hij heeft een keer een duister en eindeloos weekend doorgebracht in een kwekerij in Boskoop, waar we hem hadden vergeten; ze heeft hem in slaap gezongen en verpleegd wanneer hij ziek was en grote pleisters op zijn buik geplakt; ze heeft zijn verjaardagen gevierd (zowat elke week), hem gewassen nadat zij chocola en andere onbeschrijflijke rommel op hem had gemorst, zodat zijn vacht in textuur, kleur (en geur) nog maar weinig overeenkomst meer had metdie van zijn soortgenoten in de winkel; zijn glazen ogen waren grijs door slijtage. Ik heb haar 's avonds voor zij ging slapen verhalen over hem verteld, hoe hij altijd vooraan stond als er ijsjes waren te halen, het gauw opat en dan weer achteraan in de rij ging staan om er ongemerkt nog een te krijgen - dat en nog allerlei onzin meer. Zo'n beladen relatie heb je zelfs met een huisdier niet, ik hield van die beer, je moest wel, omdat zij zo van hem hield.

Zoiets is niet te vervangen door de aankoop van een andere beer, alleen al omdat de stem die vraagt wat er met de echte Teddy gebeurd is (waar is hij nu? Is hij bij andere mensen? Ligt hij toch nog ergens bij de brug?) niet tot zwijgen is te brengen. Zoals je ook voortdurend het verleden ongedaan tracht te maken: ik zie ons weer klaarstaan om op de fiets te stappen en ik hoor mezelf zeggen: nee, laten we Teddy maar niet meenemen, stel je voor dat we hem kwijtraken. Wat verstandig opgemerkt! Waarom hebben we hem meegenomen? Waarom heb ik niet beter opgelet? Hoe komt het dat ik hem niet heb zien vallen? Waarom heb ik dat meisje niet gevraagd ons even te wijzen waar ze hem gezien had? Waarom heb ik hem nooit voorzien van een halsbandje met ons telefoonnumer, zoals je met een huisdier doet, etc. etc.

Maar het is niet te ontkennen, het is maar een artefact en je kunt een nieuwe kopen (overigens ook niet zo eenvoudig, want deze komt uit Parijs en ik heb er hier nooit zo een gezien) (misschien is dat de reden dat iemand 'm heeft ingepikt, want wie zou anders zo'n oude groezelige teddybeer willen hebben?), vervolgens kunstmatig verouderen (in warme melk dopen en afdrogen?) en liegen dat het dezelfde is, door iemand (politie, kind, toverfee) teruggebracht. Nu houd ik niet van bedrog, maar daar gaat het niet eens om: ik ben bang dat mijn dochtertje niet zo gemakkelijk is te bedriegen, zelfs niet met intro's van het genre: ze hebben hem eerst schoongemaakt. Ze kent hem te goed, er zijn teveel onzichtbare details die voor haar herkenbaar zijn.

Wat denkt zij er zelf van? Overdag is ze gemakkelijk af te leiden en ze zegt er niet veel over. Dat leidt tot de vraag in hoeverre je de zaak verbetert of verergert door er niet te veel aandacht aan te besteden en niet te emotioneel over te doen. Vannacht trof ik haar wakker, met open ogen in het donker, en ze vroeg of er al iemand had opgebeld. Ze twijfelt geloof ik niet dat hij terug zal komen. Kon ik het ook maar geloven; ik denk ("dat hebben we tenminste nog') aan de foto's waar hij op voorkomt, met z'n lieve, door en door bekende Teddygezicht dat we, vrees ik, nooit meer zullen zien.