Atoombom op Nagasaki was "lichtflits in donker bos'

DEN HAAG-HEERLEN, 9 AUG. “Ik kreeg de volle mep”, herinnert de Hagenaar C. Burki zich. Als krijgsgevangene van de Japanners was hij op 9 augustus 1945 in Nagasaki op het moment dat omstreeks elf uur in de ochtend daar de tweede Amerikaanse atoombom ontplofte. “Die bom heeft mijn leven gered”, zegt Burki precies 46 jaar later.

Burki is inmiddels 82 jaar, maar hij oogt nog als een gezonde Hollandse jongen, net als op foto's van voor de Tweede Wereldoorlog. De atoombom op Nagasaki heeft voor hem lichamelijk noch geestelijk gevolgen gehad. “Ik denk wel eens dat ik zo veel straling heb gehad, dat ik gewoon geen kanker kan krijgen. Maar misschien mag ik zulke dingen niet zeggen.”

Een andere overlevende van Nagasaki, oud-KNIL-soldaat Th. Scholten (74) uit Heerlen, is lichamelijk een wrak. Hij vertelt “voor het eerst en voor het laatst” over zijn oorlogsjaren. Zijn verblijf in twaalf Japanse kampen (Bandoeng, Tjilatjap, Batavia, Singapore, de Birmaspoorweg, Siam, tweemaal Singapore, Manilla, Hongkong, Formosa) eindigde in kolenmijnen in Japan, enkele tientallen kilometers van Nagasaki. Hij kan zich de explosie niet herinneren. Scholten: “Ik zat ondergronds en heb er niks van gemerkt. Bij de mijnen waren zo vaak ontploffingen van dynamiet.”

De verwoesting van Nagasaki zag Scholten wel van dichtbij, toen hij met andere krijgsgevangenen uit het kamp Fukuoka 17, enkele tientallen kilometers van de stad, gewonden moest helpen en lijken afvoeren. Al enkele jaren heeft Scholten huidkanker. Zijn rug en armen zitten vol vlekken die aangeven waar kwaadaardige tumoren zitten. Onlangs werd een gezwel van zijn neus verwijderd.

Na de oorlog werd Scholten getroffen door vier hartinfarcten en vier herseninfarcten. Eén been moest als gevolg van de verwoestende werking van granaatscherven in vier fasen worden afgezet, van het andere been is slechts een stompje over. Toch is Scholten niet erkend als oorlogsslachtoffer. Hij kan bijvoorbeeld niet bewijzen dat de voortwoekerende huidkanker een gevolg is van de atoombom die op 9 augustus 1945 Nagasaki trof. Vergeefs deed hij een beroep op de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers.

De toenmalige KNIL-soldaat Burki, vooral na de oorlog een verdienstelijk tekenaar en kunstschilder, was in 1944 al op wonderbaarlijke wijze aan de dood ontsnapt. Het Japanse vrachtschip waarmee hij van Indonesië naar Japan werd vervoerd, werd niet ver van de Japanse kust getorpedeerd. Van de 800 krijgsgevangenen overleefden ruim 200 man de scheepsramp, onder wie Burki. Eenmaal op Japanse bodem werden de drenkelingen, onder wie Burki, overgedragen aan de militairen en op transport gezet naar het dichtbijzijnde Fukuoka 14, een werkkamp onder de rook van fabrieken en werven in Nagasaki.

Ook Scholtens oversteek naar Japan verliep niet zonder problemen. Het eerste schip waarin hij met honderden andere krijgsgevangenen naar Japan reisde, zonk in september 1944 op volle zee nadat het was getroffen door vliegtuigbommen. Scholten was een van de weinige overlevenden. Veel krijgsgevangenen verdronken, anderen werden op het zinkende schip neergemaaid door de Japanse bemanning. Scholten raakte enkele weken later opnieuw in het water toen een ander schip vol krijgsgevangenen op weg naar Japan werd getroffen door torpedo's. De derde reis kon door slechte weersomstandigheden niet worden gemaakt, pas na de vierde poging zette ook Scholten voet op Japanse bodem.

Vlak voor het laatste vertrek van Formosa naar Japan, begin 1945, moesten de krijgsgevangenen ritueel een paard slachten, waarvan ze zelf ook wat vlees mochten hebben. Scholten: “We kregen een hamer, een schroevedraaier en een aardappelschilmesje. Het hoofd van het paard werd tussen twee deuren gezet en z'n benen werden vastgebonden. Zo is het dier gevild. Dat was ons afscheid van Formosa.”

Bij Nagasaki moest de Limburger die in 1938 zijn bestaan als mijnwerker had opgegeven voor het beroep van KNIL-soldaat, de kolenmijn in. Begin jaren zestig trad hij opnieuw in dienst van de Limburgse mijnen, ditmaal bovengronds, tot de mijnsluitingen in 1973. Scholten zit nu in een rolstoel en brengt veel tijd door in ziekenhuizen. Aanvragen voor een elektrische rolstoel die zijn verzorgster kan bedienen en een uitschuifbare autostoel - om de vele ritten naar het ziekenhuis voor de gedeeltelijk verlamde Scholten te vergemakkelijken - worden mede om zijn hoge leeftijd niet gehonoreerd. De eigen bijdrage voor deze hulpmiddelen is honderd procent en dat kan Scholten niet opbrengen.

In de weken voor de atoomaanval op Hirosjima (6 augustus) en Nagasaki werden Japanse steden bestookt met brandbommen. Ook het kamp Fukuoka 14, waar Burki te werk was gesteld, werd daarbij beschadigd. “De Jappen wilden dat de rijstvoorraad veilig werd gesteld. Rijst werd in het kamp bewaard en moest in verband met de bombardementen in een bakstenen huis worden ondergebracht, omringd door aarde en met klei op het dak. Het was een heldere dag, de zon scheen, er waren scherpe schaduwen. Ik had net twee mandjes weggebracht met klei, die door een andere krijgsgevangene werd gladgestreken. Ondanks het luchtalarm moesten we doorgaan met het werk.

“Van het ene moment op het andere sta ik in een vreselijk fel licht, vergelijkbaar met een sterk blitslicht in een donker bos. Ik werd er duizelig van. Meteen zette ik mijn kraag op, ik dacht dat het brandbommen waren. De hitte was vreselijk. Ik dacht: ik moet dat huisje in. Ik stond vlak bij de ingang. Toen ik in de deuropening stond, twee of drie seconden na de lichtflits, kreeg ik een volle lading luchtdruk over me heen. Later bleek dat we binnen de straal van de totale verwoesting stonden, wat dus dood en verdoemenis betekent. Ik viel op de grond en raakte bewusteloos, misschien een paar minuten.”

Burki's verwondingen vielen alleszins mee: een pijnlijke schouder en, naar later bleek, twee brandwonden op de rug. Bril en pet waren door de luchtdruk van zijn hoofd geblazen. Van de 128 Nederlandse en Indisch-Nederlandse krijgsgevangenen in het kamp - op een totaal van 168 krijgsgevangenen - stierven er negen ter plekke.

“Ik heb nog nooit zoveel doden gezien”, zegt Burki over de dagen na de explosie. De gouverneur van Nagasaki riep de "gezonde' krijgsgevangenen op te helpen bij het opruimen van lijken en puinhopen. “We hebben ook mensen gered, zoals kinderen die met stukken glas in hun benen rondliepen. Sommige gewonden stierven terwijl je ze hielp, ook veranderden lichamen ter plekke van kleur. Je moet je ook voorstellen dat vaak driekwart van het lichaam was verbrand, onder de pus en de korsten zat. Die nacht hebben we de stad zien afbranden. De volgende dag begonnen vervelde lichamen te rotten, waar weer enorme vliegenplagen op af kwamen.”

Al vrij snel vluchtten de ongeveer 135 krijgsgevangenen het dal bij Nagasaki in, gewonde kameraden meevoerend op planken en deuren. Burki: “Zonder te weten dat alles besmet was - we wisten niet dat er een atoombom was gevallen en zelfs niet eens wat een atoombom was - hebben we een week op de grond geslapen. In een verlaten arbeiderskamp, op een paar uur lopen van Nagasaki, hebben we met dekens de letters POW gevormd, prisoners of war. Amerikaanse toestellen merkten ons uiteindelijk op.”

Wonden van zieken werden in het voormalige arbeiderskamp verzorgd met stukken gaas die gewassen werden in conservenblikken met besmet slootwater dat op een houtvuur aan de kook was gebracht. “Veel gewonden zijn nog gered door de maden die de wonden schoonvraten. Die jongens brulden wel van de pijn.”

Na de capitulatie van Japan op 15 augustus brachten Amerikaanse oorlogsbodems de inmiddels ex-krijgsgevangenen via Okinawa naar een Amerikaanse basis bij de Filippijnse hoofdstad Manilla. “Na jarenlang het leven van een slaaf te hebben gehad, was het daar een sprookje, anderhalve maand lang. Bioscopen, goed eten. Voor ons was dat het paradijs.”

Toen de meeste krijgsgevangenen uit alle uithoeken van het voormalige Japanse imperium weer bij elkaar waren gebracht, was het sprookje voorbij. Burki ging “onder barre omstandigheden” met een Australisch vrachtschip naar Indonesië terug. “Op Borneo kregen we meteen een geweer in handen. We waren toch soldaten? De Jappen waren verslagen en de orde moest worden gehandhaafd. Maar mensen die drieëneenhalf jaar ziekte, honger en ellende hebben meegemaakt laat je toch niet dienen? Die stuur je naar huis!”

Burki zet in alle rust zijn schilderscarrière voort. Moeiteloos en zonder pijn vertelt over zijn oorlogservaringen. In 1977 schreef hij er een boek over. Scholten leeft in een nachtmerrie. Hij sleept zich in slapeloze nachten van de ene dag naar de andere. “Dat filmpje draait almaar rond.” De verzorgster van Scholten is dan ook woedend over de recente uitspraak van premier Lubbers dat de kwestie van de Japanse ereschulden tot het verleden behoort: “Voor ons is de kous niet af.”