Amerikanen verdedigen Paul de Man; Een antisemiet is eigenlijk joods

David Lehman: Sign of the Times. Deconstruction and the Fall of Paul de Man. Uitg. Poseidon New York, 318 blz. Prijs (f) 52,45

Signs of the Times is het adembenemende relaas over de Vlaamse collaborateur Paul de Man die na de oorlog zijn schulden, familie en vaderland achterliet en in Amerika een gezaghebbende deconstructivistische literatuurcriticus aan de universiteit van Yale werd. Pas na zijn dood in 1983 werden zijn niets vermoedende Amerikaanse volgelingen opgeschrikt door de ontdekking van 170 stukken die De Man in 1941 en 1942 voor het door de Belgische nationaal-socialisten overgenomen dagblad Le Soir had geschreven. Daaronder waren ook antisemitische artikelen.

De polemieken die op de ontdekking volgden, trokken niet alleen de persoon van De Man maar ook de geldigheid van het deconstructivisme in twijfel. Zelfs de Franse vader van het deconstructivisme, Jacques Derrida, werd door zijn hardnekkige verdediging van De Man deels in diens postume val meegesleept.

Toen een Belgische bewonderaar van De Man de artikelen in Le Soir in 1987 had gevonden, kwam de vraag op of deze Amerikaanse leermeester geen persoonlijk belang had bij de deconstructivistische relativering van teksten en van de rol van de auteur. De critici zagen hun vermoeden bevestigd dat deconstructivisme immoreel is en wezen daarbij op De Mans uitspraken die tot recht praten van zijn verleden zouden kunnen dienen. Want, in zijn deconstructivistische visie, zou De Mans verleden wel eens niet kunnen bestaan, zou het fictie kunnen zijn, of in de woorden van het deconstructivisme 'tekst'. “Het is altijd mogelijk om met elke ervaring in het reine te komen (om zich van elke schuld te ontdoen), omdat ervaring altijd tegelijkertijd als fictionele verhandeling en als empirische gebeurtenis bestaat en het nooit mogelijk is om te besluiten welk van de twee mogelijkheden de echte is”, schreef De Man in 1979 in Allegories of Reading. “De onbepaaldheid maakt het mogelijk om de laagste misdaad te verontschuldigen, omdat het, als fictie, aan de beperkingen van schuld en onschuld ontsnapt.”

De schrijver van het boek over De Man, David Lehman, heeft een roman en verscheidene poeziebundels gepubliceerd en is bekend met het milieu van de Amerikaanse letterenfaculteiten. Hij studeerde Engels aan de Cornell-universiteit en hij beschrijft zijn verbazing als hij na zoveel jaar eens terugkeert naar een conferentie van de Modern Language Association, waar deconstructivisme, geslacht, ras en seksuele voorkeur de belangrijkste onderwerpen zijn geworden. Hoewel hij de affaire De Man versloeg voor het weekblad Newsweek is zijn boek minder een journalistiek verhaal dan een analyse.

Na het existentialisme werd deconstructivisme in het xenofiele Amerika het nieuwe wijsgerige Perrierwater, populairder en radicaler toegepast dan in Frankrijk zelf. Jacques Derrida lanceerde zijn gedachten in Amerika in 1966 tijdens de slottoespraak van een academische conferentie aan de Johns Hopkins universiteit, waarbij de glorie van het structuralisme moest worden gevierd. In plaats daarvan verklaarde hij het einde van het structuralisme.

Het deconstructivisme verleent hoogleraren aan letterenfaculteiten nieuwe status. De professoren met hun vaste leerstoelen verrichten naar hun indruk het werk waar de ploeterende schrijvers niet aan toe komen. De criticus kan vrij zoeken naar verborgen betekenissen en tegenstellingen in de teksten, het orgasme van Jane Austen eruit halen of het fallische denken van Joseph Conrad analyseren. De schrijver wil 'totalistische' macht uitoefenen, dus de criticus of interpretator moet zich daar aan onttrekken. Namen van vooraanstaande schrijvers, behalve die van Derrida zelf, worden daarom met een zekere afstandelijkheid tussen aanhalingstekens gezet. Derrida: “Het zou frivool zijn om te denken dat 'Descartes', 'Leibniz', 'Rousseau', 'Hegel', etc., namen van auteurs zijn.” De deconstructivist behandelt een bierreclame op voet van gelijkheid met deze westerse wijsgeren. “Amerika is deconstructivisme,” zei Jacques Derrida, die overal in het land heeft gedoceerd.

Treinongeluk

Op zijn zestiende jaar kreeg Paul de Man als tweede vader zijn oom Hendrik de Man, de voorzitter en voornaamste theoreticus van de Belgische socialistische partij. In 1936 was de broer van Paul met zijn fiets onder een trein gekomen. Precies een jaar later pleegde zijn moeder zelfmoord. Zijn vader, Robert de Man, was zo bedroefd, dat hij de zestienjarige Paul onder de hoede van zijn broer bracht. In 1939 was Hendrik de Man, die Belgie neutraal wilde houden, minister zonder portefeuille, later werd hij direct politiek adviseur voor koning Leopold II. Zodra de oorlog was uitgebroken, adviseerde De Man koning Leopold om in Belgie te blijven. Hij wilde dat Belgie een Franse koers van accommodatie met de Duitsers zou volgen en hij ontbond de socialistische partij. Hij verwelkomde de nieuwe orde.

Hendriks surrogaatzoon, Paul de Man, had ook diens intellectuele gaven en begon op zijn twintigste jaar te schrijven voor Le Soir, bijgenaamd Le Soir vole, omdat de oorspronkelijke redactie was vertrokken. In zijn artikelen etaleerde hij zijn enorme kennis van de Europese cultuurgeschiedenis en literatuur maar beval hij de nieuwe orde aan. Hij schreef ook dat Europa er cultureel weinig aan zou missen als de joden naar een kolonie zouden worden gestuurd, want de joodse schrijvers waren toch “middelmatig”. Het artikel verscheen toen de antisemitische campagne een nieuw hoogtepunt had bereikt. Hij schreef ook in Het Vlaamsche Land dat joden verantwoordelijk waren voor een aberratie in de literatuur.

Eind 1942 hield De Man abrupt op met schrijven en Lehman veronderstelt dat hij toen de kansen in de oorlog zag keren. Het merkwaardige was dat De Man in de tijd dat hij de gewraakte artikelen schreef met oppositieschrijvers en met joodse kennissen bleef omgaan en zelfs voor enkele dagen joden clandestien in zijn huis opnam. Georges Goriely, een joodse vriend van De Man gedurende de oorlogsjaren, vond De Mans aanbeveling van de nieuwe orde vooral opportunistisch. Goriely kon met De Man vrijelijk over zijn clandestiene activiteiten praten, want hij voelde zich niet bedreigd. De Man was eigenlijk 'Het Verdriet van Belgie' in persoon. Een militair tribunaal in Antwerpen liet hem na verhoor gaan. Hij was geen grote jongen en evenmin een fanatieke verklikker.

In 1948 vertrekt De Man naar de Verenigde Staten en begint hij als bediende in een boekwinkel in Grand Central Station. Wie met De Man in contact komt, raakt al gauw onder de indruk van zijn brede culturele kennis. De romanschrijfster Mary Mc Carthy en William Phillips, hoofdredacteur van de Partisan Review, helpen hem en zo wordt hij docent bij Bard College. Hij trouwt met een studente. Later gaat hij naar een Berlitz Language School in Boston, waar hij tevens artikelen vertaalt voor Confluence, een blad van Henry Kissinger. Zijn vrienden zoeken voor de bescheiden, passieve geleerde naar nieuwe mogelijkheden. Hoewel hij er wat oud voor is, wordt hij naast Noam Chomsky, de filosoof Stanley Cavell en de dichters Donald Hall en John Hollander toegelaten tot de Society of Fellows van de Harvard Universiteit. Hij krijgt voor drie jaar een stipendium om onderzoek te doen. Zo begon zijn wetenschappelijke loopbaan, die liep langs Cornell, de universiteit van Zurich, Johns Hopkins en uiteindelijk eindigde in Yale, waar hij op zijn 52ste zijn geruchtmakende eerste boek Blindness and insight schrijft. Zijn artikelen verschijnen in de New York Review of Books en andere tijdschriften. Als hij in 1983 aan kanker is gestorven, verschijnt over hem een bundel vol lof van zijn leerlingen.

Des te groter is de schok, als zijn artikelen uit Le Soir vier jaar later bekend worden. De Man had niet alleen het deconstructivisme verbreid maar het ook genstitutio- naliseerd aan de letterenfaculteiten. Het ging dus niet langer alleen om ideeen maar ook om leerstoelen.

Het boek behandelt de vele kronkelredeneringen die deconstructivisten gebruikten om hun voorganger te verdedigen. Een van de meest absurde is die van Richard Rand. De beschuldigingen tegen De Man waren volgens hem een “heel net, eigentijds stuk ouderwets antisemitisme”. “Want zijn niet inderdaad, Paul de Man en zijn deconstructie op de een of andere manier hoofdzakelijk joods - zo joods als iemand, waarschijnlijk, in onze multinationale jaren tachtig, kan zijn?”

Langdradig

Met name Derrida probeert de meest omstreden teksten van De Man te deconstrueren om te bewijzen dat het eigenlijk niet om antisemitische teksten gaat. Hier wordt het boek soms ietwat langdradig met de verfijnde sofismen van de hooggeleerden, die volgens hun eigen taaltheorie nog niet eens een hamburger kunnen kopen. Er staat in het boek betrekkelijk weinig informatie over De Man in zijn Amerikaanse periode. Lehman gebruikt veel geschreven bronnen en hij speculeert slechts over de motieven van De Man om in 1942 op te houden met schrijven. Het boek is dan ook geen biografie over deze man.

Door de val van De Man is het deconstructivisme in de Amerikaanse faculteiten over haar hoogtepunt heen maar nog zeer invloedrijk. De doctrine heeft zich inmiddels verder ontwikkeld naar nieuw historicisme, waar de schrijver wordt geanalyseerd als een resultante van de geschiedenis of de economische verhoudingen. Er zijn varianten als 'deconstructieve analyse', 'deconstructief feminisme' en 'poststructuralistisch marxisme'.

Bij de huidige strijd van actiegroepen van minderheden komt het deconstructivisme te pas, omdat teksten kunnen worden geanalyseerd naar het geslacht, de seksuele voorkeur of de huidskleur van de schrijver. De nieuwe deconstructivisten willen literaire en esthetische normen ondergeschikt maken aan politieke normen. Er is inmiddels oppositie ontstaan tegen deze visie maar deze zal pas effect krijgen, als ouderdom de academische revolutionairen van het fluweel heeft verdreven. “Anders dan liefde is een academische aanstelling voor altijd,” stelt Lehman terechtvast.