Vermaatschappelijking bedrijfsleven leidt tot nieuwe coalities; De belangengroepen tellen mee

In de jaren zeventig was een veel gehoorde uitspraak in werkgeverskringen: “Het bedrijfsleven is de kurk waarop de samenleving drijft.” Daarmee werd aangegeven dat de samenleving in hoge mate afhankelijk was van het bedrijfsleven en veel daaraan te danken had.

Gaat deze uitspraak nog steeds op? De resultaten van een recent onderzoek van het managementadviesbureau Public Affairs Consultants wijzen op een kentering. Volgens veel ondernemers, politici en topambtenaren, die in het kader van dat onderzoek zijn geïnterviewd, zal het bedrijfsleven in de jaren negentig meer gaan samenwerken met de overheid en zullen maatschappelijke groepen bedrijven die naar hun mening niet verantwoord handelen, meer aan de kaak gaan stellen. Het beeld dat uit deze interviews oprijst is dat het bedrijfsleven zich ten behoeve van de eigen continuïteit steeds meer rekenschap moet gaan geven van zijn maatschappelijke en politieke omgeving. Die kan variëren van de milieubewuste consument tot de politieke ontwikkelingen in Den Haag en Brussel. Voor de komende tijd lijkt het daarom beter de oude werkgeversslogan aan te passen: de samenleving is de kurk waarop het bedrijfsleven drijft. Dit vereist een omslag in de houding van het bedrijfsleven.

Deze "vermaatschappelijking van het bedrijfsleven' hangt voor een deel samen met de toegenomen betekenis van de EG als bepaler van de randvoorwaarden voor het commerciële opereren van bedrijven. Nederlandse bedrijven moeten actiever omgaan met de Brusselse "politieke markt', zo menen veel leden van Raden van Bestuur van grote ondernemingen met wie in het kader van het genoemde onderzoek is gesproken. Er moeten volgens hen meer coalities worden gesmeed tussen bedrijven en de Nederlandse overheid. Daarbij wordt door sommigen gesteld dat in vergelijking met andere lidstaten Nederland - en in het bijzonder het bedrijfsleven - nog niet goed klaar is voor "1992'.

Nu het Brusselse politieke en ambtelijke apparaat steeds meer in de belangstelling komt te staan, wordt de nationale politiek wel eens als minder belangrijk beschouwd. Ten onrechte. Den Haag blijft verantwoordelijk voor de meeste regelgeving en zal ook bij de uitvoering van de EG-regelgeving een belangrijke rol spelen. Een interessante ontwikkeling daarbij is dat overheid en bedrijfsleven elkaar steeds meer nodig hebben voor het realiseren van hun eigen doelstellingen. Zo vinden er momenteel diverse publiek-private samenwerkingsverbanden plaats, in het bijzonder op het gebied van infrastructuur (zoals nu het IJ-oever-project in Amsterdam).

De overheid wordt ook in andere opzichten een interessante marktpartij voor ondernemingen. Wat bijvoorbeeld te denken van het fenomeen van de terugtredende overheid. Waar de overheid terugtreedt, ligt in veel gevallen terrein braak waarop het bedrijfsleven actief kan worden. Er zijn al enkele voorbeelden, zoals de studiefinanciering. Er zullen echter nog meer van dergelijke voorbeelden volgen, die stuk voor stuk interessante mogelijkheden voor het bedrijfsleven opleveren. Om van die mogelijkheden gebruik te maken, is het wel nodig dat bedrijven zich hierop actief oriënteren en continuïteit in hun relatie met de overheid aanbrengen. Als die continuïteit tot stand gebracht is, hoeven bedrijven hun toevlucht ook niet meer te nemen tot lobby-activiteiten op de korte termijn.

Naast de Europese en nationale politieke besluitvorming is er een derde factor die het bedrijfsleven dwingt tot een heroriëntatie op de samenleving zelf. Daarin tekent zich een duidelijke trend af. Waar vroeger maatschappelijke (belangen-)groepen vaak nog in de sfeer van "liefdewerk oud papier' en nogal amateuristisch optraden, is dat tegenwoordig volstrekt anders. Groeperingen als Greenpeace, Natuurmonumenten, Stichting Natuur en Milieu en de Consumentenbond hebben zich ontwikkeld tot professionele organisaties met een eigen staf en ondersteunend apparaat. Ook hebben zij de weg naar coalitievorming gevonden. Hun argumenten worden nadrukkelijk meegewogen bij de politieke besluitvorming. De laatste tijd komt het steeds meer voor dat de interactie tussen deze groeperingen enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds niet meer alleen "over de band' van politiek of overheid plaatsvindt, maar juist direct en bilateraal. Het gebeurt ook meer en meer dat bedrijven hun voornemens eerst aan deze organisaties voorleggen alvorens tot uitvoering over te gaan. Vroeger begon men gewoon en zag men vanzelf wel of er protesten kwamen.

Niet alleen maatschappelijke groepen worden belangrijk, de individuele consument wordt ook steeds bewuster. Marketeers kunnen daarover meepraten. Milieuvriendelijke verpakkingen en produktiewijzen, "groene' beleggingsfondsen, Max Havelaar-koffie, voedingsmiddelen zonder kunstmatige toevoegingen: het zijn allemaal commercieel interessante produkten geworden door ontwikkelingen in de samenleving en de publieke opinie.

Dat het bedrijfsleven meer onderdeel gaat uitmaken van de samenleving in plaats van daarnaast te functioneren, heeft ook te maken met de verwachte terugtocht van de overleg-economie. De structuren die in de jaren vijftig zijn gecreëerd waarbij het overleg tussen de centrale organisaties van werkgevers en werknemers (al dan niet met Kroonleden) een belangrijke stempel drukken op het sociaal-economisch beleid, worden steeds vaker ter discussie gesteld. Dat beeld komt duidelijk uit het genoemde onderzoek naar voren. De periode dat individuele bedrijven - en ook politiek en overheid - maatschappelijke problemen konden "doorschuiven' naar overleg- en adviesorganen lijkt op zijn einde te lopen. Exponent van die kentering is de huidige WAO-discussie.

Dit betekent dat individuele bedrijven en ondernemingsraden meer een eigen verantwoordelijkheid krijgen, ook voor maatschappelijk gerichte onderwerpen zoals milieu, arbeidsongeschiktheid en ziekteverzuim. Voor de centrale organisaties van werkgevers en werknemers heeft de decentralisatie van de sociale economie consequenties: op landelijk niveau de hoofdlijnen vaststellen en daarnaast meer faciliterend, servicegericht en ondersteunend optreden bij bijvoorbeeld lokale cao-onderhandelingen. Voor de individuele bedrijven heeft ook deze ontwikkeling tot gevolg dat zij zich bewuster moeten gaan opstellen ten opzichte van samenleving en politiek.

Een jaar of tien geleden baarden organisatie-adviseurs opzien bij hun opdrachtgevers door de oude vertrouwde piramidale bedrijfsstructuur om te keren: in plaats van de ondernemingsleiding kwam de klant bovenaan te staan. Moderne, deels uit Japan overgewaaide management-opvattingen deden hun intrede. Er moest een omslag worden gemaakt van produktgericht naar klantgericht denken.

Deze ontwikkeling lijkt nu een stap verder te gaan: van klantgericht denken naar omgevingsgericht denken. De "outside in'-benadering kan in de jaren negentig niet meer worden beperkt tot de markt, maar moet worden uitgebreid tot de politieke en maatschappelijke omgeving.

Een andere klassieker uit het management-jargon: "Change is normal'. Dat uitgangspunt passen ondernemingen meestal toe op de produktie-organisatie. Zij reageren vaak verbaasd als er veranderingen in de samenleving optreden die directe gevolgen hebben voor het bedrijf. Dat de samenleving ook dynamisch en niet statisch is, wordt niet genoeg onderkend. De toenemende invloed die deze veranderingen in de omgeving kunnen hebben op het commerciële reilen en zeilen, wordt evenmin voldoende beseft. Bedrijven die dat besef wel hebben en tijdig inspelen op maatschappelijke en politieke ontwikkelingen zullen in de komende jaren een voorsprong krijgen op de concurrentie. Ook over de grenzen.