Vakbeweging

Na lezing van het artikel van Paul Scheffer in NRC Handelsblad van 29 juli 1991 (Hoogmoed op lemen voeten), waarover ik met instemming heb zitten grinniken, schoten me een paar dingen in het geheugen, die ik u niet wil onthouden.

Een zin die mij bijzonder trof, luidde: “De PvdA raakt er meer en meer van doordrongen dat ze niet de zaakwaarnemer van een deelbelang is.” In de Nederlandse journalistieke praktijk is een dergelijke bewering toch nog een klein waagstuk, dat het nodige commentaar zal opleveren. Niettemin herinner ik mij enige zeer vroege symptomen van dat nieuwe besef. In de periode waarin de jonge econoom Hans van den Doel lid van de PvdA-fraktie in de Tweede Kamer was, waren die symptomen er ook al.

Tijdens een discussie over een politiek onderwerp, waarbij de vakbeweging ten nauwste betrokken was, sprak Van den Doel de gedenkwaardige zin uit, die lang in de fraktie heeft nageklonken: “De vakbeweging is een pressiegroep en dient als zodanig te worden behandeld. Er is niks institutioneels aan.” En we hadden in de jaren zestig nogal wat van die halfgoden in ons midden: Roemers, Van den Born, Ies Baart, Henk Vredeling, Sake van der Ploeg en Kramer van de mijnwerkers. Misschien vergeet ik er nog een paar.

Een paar jaar voor die befaamde uitspraak deed zich een vergelijkbaar incident voor tussen Roemers en Jacques de Kadt. Toen Roemers zich op een dag verstoutte de uitdrukking "wij van de vakbeweging' te gebruiken, stoof De Kadt woedend op en gaf hem een ongezouten schrobbering. “U vertegenwoordigt hier niet de vakbeweging, maar een politieke partij.” En telkens als de arme Roemers in de fraktie aan het woord was, werd hij met argusogen door zijn strenge criticus bespied. U ziet, het begon al los te komen. Dat was al een hele vooruitgang vergeleken bij de situatie van v`o`or 1940. Als zeer jonge man was ik toen lid van de afdeling Groningen der SDAP, waar evenals in alle wat grotere plaatsen de regionale vakbondsbestuurders op de voorste rijen zaten en met eerbied werden aangehoord. Zij hoorden om met Hogendorp te spreken, tot de "aanzienlijken'. Toen reeds beschikten zij over het typische jargon, dat ik als aankomend politiek geïnteresseerde al vermocht te onderscheiden. De echte kenners waren zelfs op de hoogte met het bestaan van een zekere pikorde, te beginnen met de typografen. Naar mijn schatting vormde de Landarbeidersbond de achterhoede. Voor sociologen ligt hier nog een rijk terrein van onderzoek open.