Peter Limbin: wij zijn geen schaduw van Rangoon, maar de wettige regering; Birmees bepleit stappen tegen junta

Birma, een bijna vergeten land, weggedrukt tussen India en Indochina, waar een obscure militaire junta al sinds 1962 onverbiddelijk de lakens uitdeelt. Na het onderdrukken van de volksopstand, die vandaag drie jaar geleden begon, beloofden de militairen vrije verkiezingen, die, wonderwel, in mei 1990 werden gehouden en uitliepen op een eclatante overwinning voor de oppositie. De beloofde machtsoverdracht had niet plaats, maar het gaf de oppositiepartijen wel het morele alibi een schaduwregering te vormen.

DEN HAAG, 8 AUG. Peter Limbin (50) noemt zich minister van buitenlandse zaken van de "Nationale Coalitieregering' van Birma en is dezer dagen in Europa om te pogen erkenning te krijgen. De coalitieregering is niet een schaduw van het militaire bewind in Rangoon, vindt Limbin, integendeel: “Wij zijn sinds de verkiezingen de wettige vertegenwoordiging van de Birmezen en we hebben een derde van het grondgebied in handen”. Het woord Myanmar, de nieuwe naam die de junta twee jaar geleden aan het land gaf, is voor hem een vloek.

Met zachte stem spreekt de "minister' over zijn land en de ontberingen. “In augustus 1988 dacht iedereen dat de militairen zouden verdwijnen en dat de opstand zou slagen, maar we vergisten ons jammerlijk.” Een maand later onderdrukten de militairen definitief alle protesten, met naar schatting enige duizenden doden als gevolg. Limbin, tot dan werkzaam in een toeleveringsbedrijf voor het leger, verdween wegens "opruiende activiteiten' voor zes maanden achter de tralies en verloor zijn baan. In 1989 sloot hij zich aan bij de net gevormde Nationale Liga voor Democratie (NLD). De oprichting van de NLD was een uitvloeisel van het enige lichtpunt dat de nieuwe militaire leider, Saw Maung, in het vooruitzicht had gesteld: vrije verkiezingen.

Limbin mocht de financiën van de NLD beheren en kon tot aan de verkiezingen van 27 mei 1990 functioneren. Intussen had hij wel moeten ervaren dat om hem heen alle belangrijke leiders van de liga waren opgepakt, onder wie de onbetwiste aanvoerder, Aung San Suu Kyi, de dochter van de Birmese nationale verzetsheld Aung San. Ondanks de tegenwerking en intimidatie kreeg de NLD 82 procent van de kiezers achter zich, goed voor 396 van de 485 parlementszetels. De partij van de militairen kreeg een schamel aantal van 10 zetels.

De militairen stonden nog wel toe dat de einduitslag werd bekendgemaakt, daarna was het afgelopen met de invoering van de democratie, de belofte dat de uitslag van de verkiezingen zou worden gerespecteerd werd, tot satanisch genoegen van de militairen, zo leek het wel, niet ingelost. “We konden niets uitrichten, de militairen hebben de absolute macht en kunnen ons maken en breken”, zegt Limbin. Vorige maand verklaarde Saw Maung de verkiezingsuitslag van 1990 alsnog ongeldig.

Eind vorig jaar vluchtten veel oppositieleiders, onder wie Limbin, naar het bergachtige oosten van het land, waar guerrillagroeperingen van nationale minderheden als de Karen en de Chan de macht hebben. De NLD sloot een coalitie met de minderheden die resulteerde in de oprichting, in december, van een eigen regering.

Hoe is het mogelijk dat de Birmese militairen, die kennelijk op zo weinig steun van de bevolking kunnen rekenen, het zo lang kunnen uithouden? Limbin: “Ons land is rijk aan voedsel en grondstoffen en dat redt de junta. Birmezen zijn geduldig, zolang ze materieel nog een fatsoenlijk bestaan kunnen hebben accepteren ze de omstandigheden”. Het bewind beschikt voorts over een uitgebreid netwerk van informanten. Een op de zes Birmezen zou wel eens, al dan niet gedwongen, als verklikker dienen.

Een van Limbins assistenten zegt fel: “Maar het is niet zo dat wij ons voor 1988 niet tegen de militairen hebben verzet. Al in 1962, meteen na het aantreden van Ne Win (de generaal die tot 1988 juntaleider was, maar volgens velen nog steeds de sterke man achter de schermen is, red.), hadden protesten plaats. Studenten en boeddhistische monniken hebben vrijwel permanent acties gevoerd”. Limbin wijst op de welig tierende drugshandel, waar het militaire bewind bij betrokken is en die in belangrijke mate bijdraagt aan de inkomsten van het leger.

Niets wijst er voorlopig op dat de Birmese militairen van plan zijn het veld te ruimen. De oppositie is monddood gemaakt of gevlucht en Saw Maung heeft genoeg middelen om zijn bewind voort te zetten. Amnesty International meldt met grote regelmaat schendingen van de mensenrechten door de militairen, en verscheidene regeringen, waaronder de Amerikaanse, hebben Rangoon opgeroepen de wil van het volk te respecteren. De zes naburige landen, verenigd in de ASEAN, zijn echter terughoudend met het onder druk zetten van Birma en beschouwen de situatie als een interne aangelegenheid.

Het houden van verkiezingen kan, zo meent Limbin, de kapitale fout zijn die de militairen op den duur zal opbreken. Voor de buitenwereld is duidelijk geworden dat de Birmezen echte democratie willen en daarvan worden weerhouden door een corrupt militair regime.