Paul Tétar van Elven kopieerde ijverig de oude meesters

Tentoonstelling: De kunst afgekeken: kopieën naar oude meesters door Paul Tétar van Elven. T-m 12-10 in het Museum Paul Tétar van Elven, Koornmarkt 67, Delft. Di. t-m. za. 13-17u.

Paul Tétar van Elven (1823-1896) was misschien geen groot schilder, maar hij had andere verdiensten. Hij liet de gemeente Delft zijn woonhuis na aan de Koornmarkt, en een groot deel van zijn meubels en zijn verzameling (eigen) schilderijen, prenten, wapens, boeken, porselein en schildersattributen. Nadat zijn weduwe in 1925 overleed werd het pand conform zijn wens ingericht als klein museum. Daar kun je sindsdien, als vrijwel nergens anders in ons land, elk jaar van juni tot oktober een onvervalste negentiende-eeuwse sfeer opsnuiven. Lekker.

Heerlijk, die kristallen kroonluchters in de woonkamer en het rood pluche op de meubelen, het geschoren velours uit de achttiende eeuw als wandbespanning en talloze kasten en tafeltjes propvol Chine de Commande-porselein en zilverwerk. Overvol, burgerlijk in de negentiende-eeuwse betekenis van het woord en uitermate behagelijk: Van Elven en zijn beide vrouwen moeten er gezellige uurtjes hebben doorgebracht, nadat zijn schilderwerk gedaan was.

In zijn vak was Van Elven middelmatig, maar welmenend. Zijn emplooi vond hij waarschijnlijk allereerst als tekenleraar aan de Koninklijke Academie in Delft. Daarnaast schilderde hij romantische historiestukken gebaseerd op een idyllische opvatting van de in zijn tijd zeer populaire Gouden Eeuw: de moeder en de echtgenote van Van Oldenbarnevelt die om gratie verzoeken voor Johan aan Prins Maurits, bij voorbeeld. Een andere inkomstenbron vormden de kopieën die hij maakte naar de grote zeventiende-eeuwse meesters, en naar zijn voorbeelden uit de Italiaanse Hoogrenaissance: Rafael, Michelangelo, Titiaan, Veronese.

Aan die laatste bezigheid heeft het museum een kleine tentoonstelling nu gewijd in Van Elvens voormalige slaapkamer. “Paul heeft weder veel genoten en gewerkt,” schrijft zijn brave vrouw in 1862 in een brief vanuit Dresden. Op een vakantie in Duitsland maakte hij “eene schets naar de beroemde Madonna di Sixto van Rafaël, twee leevensgrote engelenkopjes van dien groote meester, de Nacht van Correggio, Suzanna in het bad door Paul Veronese, de vier apostelen van Banjo Cavallo. Dit alles is spoedig opgenoemd, doch niet zoo spoedig vervaardigd, en gij zult met mij Paul wel een pluimpje voor zijn ijver geven.” Aan een Russische prinses verkocht hij bovendien een kopie van het portret van Karel de Eerste door Van Dijck, hetgeen volgens zijn echtgenote een grote tegemoetkoming in de reiskosten betekende.

Alleen al het aantal Sixtijnse Madonna's van Rafael dat Van Elven naliet - er zijn er vijf op de tentoonstelling, maar wie weet hoeveel hij er heeft verkocht - doet vermoeden dat hij in de kopieën druk handelde. Hij moet de zaken grondig hebben aangepakt en serieprodukties op touw hebben gezet.

De kopieën van Paul Tétar van Elven zijn vooral interessant als je ze beschouwt in het licht van de schilderspraktijken in de vorige eeuw. Het natekenen en -schilderen van werken van illustere voorbeelden speelde, anders dan tegenwoordig, een grote rol. Studenten deden het als onderdeel van hun opleiding op de academies; volleerde schilders maakten studies voor eigen gebruik of voor de verkoop. Zeker in de eerste helft van de eeuw, voordat de fotografie als reproduktiemiddel een rol ging spelen, was een handzame kopie van de Nachtwacht of de Stier van Potter een begeerd bezit. Veel schilders moeten met het kopiëren een goede boterham hebben verdiend.

Uit het archief van het Rijksmuseum is bekend dat, toen het museum nog in het Trippenhuis zetelde, de kopiïsten vaak zij aan zij de museumzalen vulden. En dat niet alleen met ezels, maar ook met levensgrote raamwerken met een ruitverdeling ter overname van de originele compositie, die de bezoekers ernstig moeten hebben gehinderd bij de bezichtiging van de kunstwerken. Al liep het in de musea in de vorige eeuw nog niet zo storm als nu.

Om de produktie van regelrechte vervalsingen te voorkomen gold in vrijwel alle musea dat de gekopieerde schilderijen kleiner van omvang moesten zijn dan het origineel. Het is daarom op zijn minst curieus dat Van Elven De boetvaardige Maria Magdalena naar Mateo Cerezo op het oorspronkelijke formaat schilderde, terwijl hij ook nog de signatuur overnam. Had hij onoirbare plannen met deze kopie? Aangezien zij zich na zijn dood nog in zijn nalatenschap bevond, heeft hij ze in elk geval niet kunnen uitvoeren.