Onderwijs en olifantsgras; Blanke tucht en orde op een Oegandese school

De directeur van de school heette Johnny, Johnny Jones. Johnny was grijs, charmant en mollig. Hij dronk teveel. Maar nu was hij met verlof. De school stond in Afrika. Nog steeds, heb ik me laten vertellen.

Dit verhaal speelt in de zestiger jaren. Johnny was zo vertederend dat hij ondanks het verschil in leeftijd, ervaring en rang door de docenten met Johnny en niet met John of mr. Jones werd aangesproken. Maar wij vertrouwden Johnny niet. Johnny zat al vele, vele jaren in Afrika. Zijn ethiek had gesleten. Hij regelde en ritselde te veel, dachten wij. De oudere leerlingen met belangrijke ouders mochten meer dan de regels toelieten, kwamen zelfs bij hem op bezoek. Wat bleef er over van ons gezag, als onze strafmaatregelen niet serieus werden genomen? Wij waren de angry young men. Wij kwamen kersvers uit Europa om Afrika op te stoten in de vaart der volkeren. Wij zouden de leerlingen de twintigste eeuw in loodsen.

Oeganda is op de kaart van Afrika iets rechts van het midden te vinden. De blauwe ronde vlek, het Victoriameer, maakt er voor een stuk deel van uit. Oeganda was toen een land dat net zijn onafhankelijkheid had gekregen. De Engelsen hadden goed voor de Parel van Afrika, zoals Churchill dit land noemde, gezorgd. Er was een koning, King Freddie, trouwe klant in Londense nachtclubs, en een minister-president met een naam die velen nu nog kennen: Obote. Obote had een kuif zoals Wim Kan en was bevriend met Kenyatta en Nyerere. Dat was vast een fatsoenlijke man. Er was een parlement, "Westminster model' (spreek uit moddel). Er bloeiden veel bloemen in dit land en de zon scheen er bijna altijd. Ondanks de armoede hadden de meeste mensen behoorlijk te eten. Ondanks de malaria, bilharzia en lepra geloofden velen in een roze toekomst.

De school telde zo'n 500 leerlingen, zwarte, inktzwarte jongens tussen de 12 en de 20, met onwaarschijnlijk dunne benen en lange slanke handen met grote roze nagels. De meesten waren geboren in echte ouderwetse Afrikaanse hutten, gemaakt van rode klei, mest, takken en afgedekt met olifantsgras. Ik weet nog steeds niet waarom olifantsgras zo wordt genoemd. Het was een stug gewas, dat overal in het savannelandschap manshoog opgroeide. Misschien eten olifanten het, of zijn het de enige beesten die boven dit gras uitsteken. Maar nee, giraffes voerden er ook hun vertraagde dans in uit. De verspreid staande bomen en palmen, de stammen onzichtbaar, leken er in te zwemmen.

De school was een kostschool. De slaapzalen, de leslokalen, het hoofdgebouw, eetzalen, woningen van docenten en ander personeel, dit alles stond verspreid in een parklandschap van vele vierkante kilometers waarin hier en daar gladde rotsbulten van merkwaardige geologische oorsprong en ook nog sportvelden. Het kostte een kwartier lopen om het schoolterrein te doorkruisen. De grens werd gevormd door het olifantsgras. De huizen van de docenten werden omringd door enorme tuinen met fantastische exotische groeisels, metershoge cactussen, kerstrozen maar dan zo groot als een struik, almaar bloeiende bougainville, mango-, grapefruit- en sinaasappelbomen, bananen- en papayapalmen.

Wat deed ik hier? Na aankomst werd me ruimschoots de tijd gegeven te acclimatiseren, maar waarmee? Ik moest les geven op deze school, maar hoe doe je dat? Uit een gesprek van vijf minuten met een intellectuele Afrikaan, voor een dagje van Londen overgevlogen naar Nederland, was hem gebleken dat ik aan alle eisen voldeed. Vreemd: tot het geven van onderwijs in Nederland was ik niet bevoegd, ik had geen leservaring, sprak nauwelijks enig Engels en had geen ervaring met het in Afrika gehanteerde Engelse onderwijssysteem. Daar stond ik voor een klas vol zwarte kroeskoppen die me vol ontzag aanstaarden. De eerste lesdagen heb ik lacherig doorgebracht, maar toen werd me duidelijk dat ik voor dit werk niet geschikt was. Maar weglopen kon niet meer.

Dominick ontmoette ik in het huis van wederzijdse kennissen. Ik was kersvers uit Europa, mijn vrouw Inge met twee kleintjes nog in Nederland. Hij gaf al anderhalf jaar geschiedenisles. Het was een somber jongmens met een veel afzakkende hoornen bril waarmee hij spottend rondkeek. Korte tijd later nodigde hij me uit "for a meal'. Hij woonde alleen in een schattig huisje aan het eind van een tientallen meters lange oprijlaan eindigend in een kleine rotonde voor het huis. In tegenstelling tot zijn collega's had hij geen kok in dienst. Het werd een eenvoudig maal: macaroni, pure blanke macaroni. Dominick offreerde tomatenketchup, om de macaroni op smaak te brengen, en als drank water waarvan hij zelf vele glazen dronk. We hebben de maaltijd zwijgend verorberd. Dominick was geen prater.

Toch gaf hij een verklaring voor zijn tragische uitstraling. Hij was zoals vele blanken in Afrika, een vluchteling. Hij was gevlucht voor de liefde die hij koesterde voor een meisje, waarmee zijn moeder hem de omgang verbood. Hij was door zijn moeder opgevoed volgens de regels van een obscure protestantse splintergroep en zij was katholiek.

De school lag tien kilometer van een provinciestadje met enkele duizenden inwoners. Daar waren winkels die in de verte op Europese winkels leken. De Indiërs, die deze winkels exploiteerden, waren tientallen jaren eerder met de Engelse kolonisatoren meegekomen om de ene spoorbaan aan te leggen die vanaf de oostkust van Afrika dwars door Kenya naar Oeganda loopt, zich dan splitst in een zuidelijke tak naar de hoofdstad Kampala en een noordelijke tak die juist achter ons schoolterrein eindigde. Vrijdags kwam de trein uit Kenya met alle heerlijkheden voor rijke blanken, bijna allen Engels. 's Middags stonden de echtgenotes van de leraren, de dokter, de bankdirecteur, de veearts en andere hoogwaardigheidsbekleders in de winkel van misses Fernandez waar de vloer vol lag met verse groentes. Achterin lagen grote hompen vlees, ontdaan van bot maar onvakkundig gesneden, zodat ik 's avonds laat nog alle zenen verwijderen moest om het vlees geschikt te maken voor de gehaktmolen.

Dominick verhuisde: hij ging samenwonen met Karl, een religieuze Amerikaan die een groot deel van zijn salaris weggaf aan leerlingen. Op aandrang van Dominick kocht ik een veel te dure luxe, en zoals later bleek gammele, auto. We haalden Inge met de kindjes van het vliegveld. Dominick reed want ik had nog geen rijbewijs, kon dus niet autorijden met m'n prachtige auto. Ook Inge vond het moeilijk met hem te praten. Ons herenigde gezin kreeg Dominick's oude huis toegewezen. Op een veel te grote vrachtwagen werden twee kisten met Hollands huisraad afgeleverd. De oplegger raasde op een zondagochtend dwars door de tuin langs, in plaats van over de oprijlaan, ten koste van schitterende hibiscusstruiken en ander gewas. Omdat Karl al een ijskast, bestek, keukengerei en wat niet al bezat, liet Dominick ons voor een habbekrats in het bezit van belangrijke nuttige goederen. Zijn bordjes van onnavolgbaar grijs plastic, aangeschaft bij misses Fernandez, zwerven nog steeds door ons huishouden.

De omgeving was overweldigend, zo overweldigend dat je als het ware naar binnen vluchtte. Tijdens de Grote Trek in Zuid-Afrika, een halve eeuw of langer geleden, plaatsten de Boeren 's avonds de huifkarren in een kring en ontstaken daarbinnen een geruststellend kampvuur. Hier, op deze school, bestond het kamp uit de huizen bij de school. In plaats van in het kampvuur staarden wij ons blind op de schermutselingen tussen de Europese bewoners van deze enclave. Het gaf geen rust, maar wel een soort zekerheid. Er broeiden alle mogelijke ongenoegens in de groep. De meesten waren jong en waren net als ik pas getrouwd en op avontuur.

Er waren drie zwarte collega's die onbelangrijke vakken als aardrijkskunde en handvaardigheid gaven. Ze werden niet echt serieus genomen door hun Europese collega's. Ze woonden ook in fraaie docentenwoningen maar richtten die niet leuk Europees in met een vrouw, twee kinderen en een kleedje op de vloer. Ze hadden wel een onderwijsbevoegdheid maar konden geen les geven. Dat wist iedereen. De rest was blank en bijna geheel Engels. Dat gold dus ook voor het onderwijssysteem, de omgangsvormen, de taal, de godsdienst, voor alles. Vele van mijn collega's hadden in Oxford of Cambridge gestudeerd. Het waren jonge intellectuele zwaargewichten, slim maar nat achter de oren.

Het docentencorps van een school is altijd een wespennest vol roddels, ergernissen, spot, wisselende bondgenootschappen, intriges, gevecht om informatie, gevecht om kleine privileges maar verenigd in de gemeenschappelijke afkeer van de schoolleider. Misschien niet altijd, wel vaak. Ik wist dat nog niet toen. Ik was nog jong. Een vermoeden van onrecht maakte me al verontwaardigd. Toen ik hoorde dat Johnny als "headmaster' slecht functioneerde, was ik dus onmiddellijk overtuigd. Deze school was gedoemd ten onder te gaan onder zijn leiding. Met Johnny aan het roer bleef er niets over van het gezag van ons docenten. Geleidelijk zouden oudere leerlingen, dikwijls over de 20 jaar en in Afrikaanse verhoudingen volwassen mannen met een relatief hoge scholingsgraad, teveel invloed krijgen. Keukenpersoneel, de loodgieter, de administrateur en de magazijnmeester, een functionaris met een sleutelpositie, begonnen zich steeds eigenwijzer te gedragen en eigenden zich onrechtmatig privileges en waarschijnlijk goederen toe.

Een kostschool brengt andere, meer verplichtingen met zich mee dan een dagschool. Zo werd periodiek iedere docent voor een week aangesteld tot "dutymaster'. Tot de plichten van de dutymaster behoorden een groot aantal controlerende functies, die veel tijd vergden, veel ergernis opleverden en mij in deze functie soms voor onoplosbare problemen plaatsten. Tijdens het avondmaal moest vastgesteld worden dat de voedselvoorziening op reguliere wijze tot stand kwam. Wat te doen met klagende leerlingen die beweren dat de kok vlees achterhoudt? Aan het eind van de dag moest een rondgang langs alle 500 bedden worden gemaakt om vast te stellen of iedereen aanwezig was. Maar welke actie te ondernemen als kamergenoten beweren dat Okol bij "some woman' in het dorp slaapt?

Op zaterdag werd strafcorvee gegeven onder leiding van de dutymaster. Traditioneel bestond dit uit het allereenvoudigste werk: het kort houden van het gras. Voor het gras maaien was een merkwaardige techniek ontwikkeld. Als gereedschap werd een meter lange, circa drie centimeter brede strip staal gebruikt welke aan de ene kant in een flauwe bocht was gebogen en aan de andere kant was voorzien van een eenvoudig handvat. Door zwaaiende bewegingen als met een golfstick konden individuele grassprieten worden onthoofd. Het olifantengras was te stug voor Europese grasmachines en met een zeis maaiden die stomme "Africans' zich de voeten af, zoals een missiepater me vertelde. De strafklanten hadden een gloeiende hekel aan "grass slashing' en bestormden bij aanvang van het strafcorvee de dutymaster met zoveel smoezen, klachten en verhalen dat het mij als dutymaster nooit gelukt is meer dan twee van de gestraften aan het werk te krijgen.

Johnny ging met verlof. Dit was de kans voor corrigerende maatregelen. Wij, de blanke staf, zouden orde en regelmaat herstellen, zouden ervoor zorgen dat wangedrag en overtredingen niet ongestraft konden passeren. Ik was "on duty' - opgewonden en ongerust. Vastbesloten maar ook vol twijfel: welke was de gedragscode, hoe gedraagt een Engelse leraar zich in een Afrikaanse kostschool van een juist gedekoloniseerd land, welke regels golden: de mijne, de Engelse of de Afrikaanse? In het eerste lokaal waar ik 's avonds "prep' controleerde, was het meteen raak. In plaats van een klas, rustig de verplichte twee uur huiswerk makend, trof ik een rumoerige bende met als middelpunt een jongen die zwaaide met een pornografische afbeelding. Dit kon niet. Nog erger: het jongmens weigerde mij de prent te overhandigen, mijn gezag werd niet erkend. Ik spoedde me door nog enkele lokalen waar de situatie niet beter was.

Het was tijd voor actie, harde actie. Dit was teveel voor een man alleen en ik repte me dus naar Karls huis. Zonder enige moeite wekte ik bij Dominick dezelfde staat van opwinding als bij mezelf. Natuurlijk was hij bereid als oude rot samen met mij dit ondankbare maar heilzame werk te verrichten. Als barse rechercheurs stoven wij over het schoolterrein, overal verbijsterde leerlingen achterlatend die voor grotere en kleinere vergrijpen, anders nooit bestraft, streng werden toegesproken terwijl hun namen werden genoteerd op een steeds langer wordende lijst. Het bezoek aan de slaapzaal van de oudste jongens werd de climax. Deze jonge heren werden altijd met rust gelaten maar hier, zelfs in deze burcht van jong nationalisme, zouden wij de orde herstellen. Hier liet ik Dominick toch liever voorgaan: hij had meer gezag en ook meer moed. De jonge heren moesten naar bed, het licht moest uit, wat dachten zij wel dat zij waren. Er was een heftige woordenwisseling, bijna een gevecht, en later vertelde hij dat er met een mes was gedreigd, een klein mes, maar toch. Het werd tijd om de plaatsvervangend directeur in te schakelen.

John Bishop was een uiterst beschaafde Oxfordiaan met een fel temperament. Er waren beschrijvingen van echtelijke conflicten in het openbaar. Terwijl hij langs de kant van de weg liep, reed zij de auto met achterin de kinderen bleek weggetrokken, stapvoets naast hem, terwijl zij elkaar toescholden. Wat jammer dat ik het nooit gezien heb. John was al naar bed, maar in pyjama en zich door de haren harkend werd hij verwonderlijk snel door Dominick overtuigd van de ernst van de situatie. Natuurlijk, zo kon het niet langer, "it's as simple as that'. Wat een schitterende uitdrukking. Het was zijn stopwoord. Zo zal ik me John Bishop altijd herinneren, "it's as simple as that'. Kloekmoedig besloot hij tot een "general assembly' om half zeven de volgende ochtend, dus nog voor het ontbijt.

Op de één of andere wijze is het gelukt alle docenten, slaperig en volledig onkundig van de opwinding, op te trommelen. We zaten in een halve cirkel op het toneel van de assembly hall, anders alleen zaterdags in gebruik. De school was integraal aanwezig, al even beduusd als het docentencorps. John schitterde in toga in het middelpunt van de halve cirkel staande achter een katheder en stak een vlammend betoog af vol morele waarden in prachtig Engels. Drie leerlingen werden van school gestuurd waaronder de pornograaf en de oudere messentrekker. Het was een triomf van de orde.

Enkele maanden later was Johnny Jones terug op zijn post en Dominick voorgoed afgereisd naar het oude Europa. Ik schikte mij in bestaande verhoudingen die niet zo slecht bleken te zijn en kreeg heel langzaam enige beheersing van zowel de Engelse taal als het onderwijs. Anderhalf jaar later vertrok ik ook met mijn gezin, juist toen Amin van Obote de macht overnam en Oeganda naar de afgrond van de Afrikaanse Middeleeuwen sleurde.

Oeganda is nu al tientallen jaren een land volgens de moderne atlas. Maar er is nauwelijks een plek op aarde waar zoveel ellende heerst als daar. De school staat er nog, dat weet ik. Het is onwaarschijnlijk dat deze nog funtioneert. In de hoofdstad heerst enigermate rust. Maar het stadje waar ik heerlijke bloemkolen kocht, op de markt een moeizaam kronkelende python in een laken bekeek, de leproze bedelaars enkele munten op de vingerloze hand legde, me de laatste vieze moppen door de paters liet vertellen bij misses Fernandez, waar ik mijn korte broeken liet maken, waar mijn kinderen de vertedering opwekten van arm en rijk, dat stadje is nu het laatste toevluchtsoord voor duizenden vluchtelingen, want de hele provincie wordt geteisterd door rovende opstandelingen en soldaten.

Nergens heerst de aids zo als in Oeganda. Zou Doedidoe, zoals onze kinderen Birgida, het meisje voor alledag noemden, nog leven? En Basilio, de tuinjongen? Ik herinner me hem drijfnat van het zweet door het slashen, dronkenschap of de was. Het is bijna niet mogelijk hulp te bieden in dit land. Zelfs de Foster Parents organisatie adopteert er geen kinderen, het is er te erg. Er loopt een enkele Mill Hill pater rond. Vel niet te vlug een oordeel over de katholieke missie.

Via de Amerikaanse 008 heb ik Dominick teruggevonden. Zijn achternaam is net zo bijzonder als zijn voornaam: er is er maar een van in New York. We schrijven elkaar met Kerstmis over de kinderen en over de kwaliteiten van de verschillende Amerikaanse presidenten, die zijns inziens steeds slechter worden. Ik ga hem deze vakantie opzoeken. Waar zullen we het over hebben? Het is geen prater.