Indiase miniaturen en snuisterijen in het Rijksmuseum; Als de lente komt, dansen de vissen

Tentoonstelling "Indiase miniaturen uit Parijs, de verzameling van de Fondation Custodia', en "Hoofse snuisterijen uit India, kunstvoorwerpen die in de Mogol-periode werden vervaardigd'. Beide tentoonstellingen duren van 10 augustus t-m 10 november. Rijksmuseum Amsterdam, Stadhouderskade 42. Di-za 10-17u, zo 13-17u. Inl 020-6732121

Ze doen denken aan de plaatjes in middeleeuwse gebedenboeken. Ze zijn net zo gedetailleerd geschilderd, net zo mooi ingekleurd, net zo verhalend en net zo kostbaar. De Indiase miniaturen strelen het oog. Maar wie zich een beetje verdiept in de achtergronden van deze schilderkunst, begint aan een wandeling op de mistige wegen van de Mogolkeizers van India, vorsten met soms een goddelijke status.

Bijna drie eeuwen heersten ze over grote delen van het Indische subcontinent, van de Bengalen in het oosten tot de rivier de Godavari in het zuiden. Keizer Akbar I legde in de zestiende eeuw al de basis voor een streng georganiseerd rijksbestuur van ambtenaren, wier rangorde afhing van het aantal ruiters dat kon worden uitgerust. Hoe meer ruiters, des te groter het grondbezit. Misschien is dat de reden dat er zoveel sierlijk uitgedoste edelen op paarden in de Indiase miniatuurschilderkunst voorkomen. Gingen de overheidsdienaren eenmaal dood, dan verviel hun hele bezit aan de keizer, die er een feeëriek hof op na hield.

Evenals Europese vorstenhuizen lieten de Mogol-heersers uit Toerkestan - Mogol is de Arabisch-Perzische benaming voor Mongolen - hun ambachtslieden soms van heinde en verre komen om te kunnen pronken met het mooiste van het mooiste. Grootmogol Akbar I (1556-1605) stelde Perzische kunstenaars aan om les te geven op schildersateliers in Agra, Delhi en Fatehpur Sikri, waar kunstenaars uit heel Voor-Indië, vooral Hindoes, zich moesten bekwamen in het schrijven en illustreren van klassieke werken.

Akbar I, tijdgenoot van Karel V en Süleyman in Turkije en de grootste machthebber van zijn tijd, liet op een van die ateliers ook zijn biografie schilderen. Omdat hij ongeletterd was, dienden de miniaturen de realiteit zo dicht mogelijk te naderen. Van een gezicht moest het karakter zijn af te lezen. Tot die tijd volstond men met het weergeven van bepaalde kleding en attributen om de rang en status van de geportretteerde aan te duiden.

Een beroemde illustratie uit die biografie is het gevecht dat Akbar leverde op de rug van een dolle olifant, die een andere dolle olifant vanaf een pontonbrug het water in duwt. De omstanders maken dat ze weg komen. Latere keizers zouden in hun liefde voor de kunsten niet onderdoen voor Akbar. Sjah Jahan, de bouwer van de Taj Mahal in Agra, stelde een leger van artiesten aan om zijn aanzien te verhogen en om zijn hof de geschiedenis te laten ingaan als een centrum van ongekende schittering.

In diverse delen van het Indiase rijk, zoals in de uitlopers van de Himalaya's en in Centraal-India, ontwikkelden zich scholen met elk een kenmerkende stijl. Inheemse Rajput-vorsten volgden het voorbeeld van de Mogol-keizers en namen ook status-verhogende kunstenaars in dienst. Het merendeel van hun twintig tot veertig centimeter hoge miniaturen doet ons geloven dat het leven geen kommer en kwel kende. De Hindoe-goden Krishna en Radha beminnen elkaar "non-stop' op knusse balkonnetjes en onder bloemetjes-baldakijnen. Maharadja's worden in weelderige tuinen op hun wenken bediend door scharen van dienaressen. En als de lente zich aankondigt dansen zelfs de vissen op de klanken van de musicerende hofdames.

De door de eerste keizers geïntroduceerde zuiver Perzische miniatuurschilderkunst werd later overheerst door een meer romantische, Indiase visie. Ook de Europese schilderkunst liet zijn invloed gelden. De stijlen lopen uiteen van sobere voorstellingen van enkele "en profil' afgebeelde figuren tot 'genrestukken' waarop wel honderd minutieus geportretteerde hovelingen voorkomen, wandelend in een paleis van duizend-en-één-nacht.

Het Rijksprentenkabinet laat tot 11 november zien dat de realiteit het ten tijde van de Mogolhoven niet altijd moest afleggen tegen de romantiek. Een realiteit die de westerling, alleen door de hemelse landschappen en majesteitelijke kleding van de geportretteerden, niettemin onwerkelijk voorkomt. De tentoonstelling omvat zo'n honderd bladen uit het bezit van de Fondation Custodia in Parijs. Deze stichting beheert de nalatenschap van de Nederlandse verzamelaar Frits Lugt (1884-1970), die in 1954 het Institut Néerlandais in Parijs oprichtte. Rembrandt zwichtte al in de zeventiende eeuw voor deze Indiase miniaturen; later zouden Matisse en Klee diep onder de indruk raken. Lugt kocht zijn eerste stuk in 1921, het begin van een deel-collectie die zou uitgroeien tot een overzicht van de belangrijkste Mogol-schilderscholen. Hij was destijds op het spoor gezet door Rembrandt die naar voorbeeld van Indiase miniaturen zo'n twintig tekeningen maakte.

Samen met de miniaturen presenteert het Rijksmuseum nog "hoofse snuisterijen' uit India. Zelfs uit Europa trokken de Mogol-vorsten ambachtslieden aan voor de vervaardiging van kostbare hebbedingen. Daarmee zetten zij de Perzische traditie voort om voorwerpen voor de sier te laten maken, terwijl in het pre-Islamitische India alleen objecten met een religieuze of puur praktische functie het bestaansrecht hadden. De beschilderde flesjes, de doosjes van jade, de albasten reliëfs en de gouden armbanden gaf de grootmogol cadeau aan andere edelen of aan ijverige ondergeschikten. De keizer zelf was trouwens net zo dol op het uitpakken van cadeautjes. Viel er een geschenk bij hem in de smaak, dan was hij tot menige concessie bereid. En daar hebben Westerse kooplieden destijds zo hun voordeel mee gedaan.