Helpt hulp?

Hulp helpt niet altijd; soms raakt de geholpene van de wal in de sloot. Het beoogde doel komt niet dichterbij, maar raakt juist verder uit het zicht. Het gaat dan niet over acute noodhulp aan mensen die door een ramp zijn getroffen, zoals een mislukte oogst, watersnood of oorlog. Uit humane overwegingen wordt in die situaties onmiddellijk en onvoorwaardelijk steun geboden.

Maar hoe gaat het verder als er geen directe levensbedreiging meer bestaat? Graan en vlees blijven sturen kan dan de economie van het ontvangende land flink ontwrichten. Lokale landbouwers en veetelers krijgen geen kans hun produktie op poten te zetten omdat de goedkope importen de prijzen bederven. Op die manier werkt hulp ondermijnend en ontstaat er een steeds grotere afhankelijkheid.

Onze ontwikkelingshulp wil dan ook vooral mensen in ontwikkelingslanden zo opleiden dat ze op eigen benen kunnen staan. Ze moeten zichzelf kunnen voeden en ook de nodige produkten voor export kunnen produceren. "Trade not aid', is al tientallen jaren de met de mond beleden boodschap in het ontwikkelwezen.

In de dagelijkse praktijk schort er nog wel eens wat aan de invulling van deze mooie slogan. Als een ontwikkelingsland eenmaal zover is, wil het wel eens wat exporteren om deviezen te verdienen. Deviezen die nodig zijn om produkten te importeren die het land zelf niet heeft. Maar nauwelijks half overeind gekrabbeld moeten de exporteurs dan vaststellen dat de gulle hulpgevers de deur gesloten houden voor hun goederen. Daar gaat dan je "trade'.

De Europese Gemeenschap bijvoorbeeld wordt verweten dat de schade ze door een protectionistisch beleid aan de ontwikkelingslanden toebrengt de verstrekte hulp ruimschoots overtreft. De EG maakt het nog bonter door niet alleen de eigen markt af te schermen voor invoer uit de ontwikkelingslanden, maar door ook nog eens z'n overschotten op de markten van die landen af te zetten. Vaak zelfs onder de kostprijs: dumping. We pakken met de ene hand terug wat we met de andere zo gul hebben gegeven.

Dumping van graan- en vleesoverschotten door de EG brengt ons op een tweede vorm van hulp die tot ernstige verstoringen heeft geleid. Het EG-landbouwbeleid dat erop gericht is de producent een goed inkomen te verschaffen is een geldverslindende misser. Producenten worden door het vaststellen van te hoge garantieprijzen geprikkeld hun produktie steeds uit te breiden. De overschotten die daardoor ontstaan worden vaak met exportsubsidie op de wereldmarkt aangeboden.

Gelukkig breekt, vooral door druk van buitenaf, het inzicht door dat dit systeem niet deugt. Producenten in de landen die onze overschotten in hun maag gesplitst krijgen klagen over bederf van hun afzetmogelijkheden. Ook de Europese burger krijgt heel voorzichtig in de gaten hoeveel hij te veel betaalt via zijn belastingbiljet en de te hoge prijzen in de winkel.

De hervormingen gaan intussen heel langzaam omdat de goed georganiseerde agrarische belangengroepen sterke weerstand bieden. De voor de wereldhandel zo belangrijke GATT-onderhandelingen (General Agreement on Tariffs and Trade) zijn er een paar maanden geleden door in het slop geraakt en uitgesteld. Afgewacht moet worden of de voorstellen die de EG de komende maanden op tafel zal leggen voldoende zijn om de GATT-onderhandelingen te redden. Mislukt dit, dan mag worden verwacht dat partijen hun markten zullen afschermen. De wereldhandel krijgt een gevoelige knauw.

Een van de economieën die regelmatig overschotten van de EG en de VS tegen een zacht prijsje opkoopt, is de Sovjet-Unie. Daar nemen ze onze overproduktie af omdat het ondoelmatige Sovjet-landbouwsysteem de bevolking niet kan voeden. Die hulp is soms acuut nodig omdat honger dreigt, maar op de lange duur helpt ze toch vooral ook een ziek systeem in stand te houden.

Daarmee kom je op een van grote vragen van het moment: moet het Westen de Sovjet-Unie helpen? En moet het dan financiële steun zijn of technische, of allebei? Er zijn sterke argumenten om Gorbatsjov in het zadel te houden door middel van een Marshallplan-achtige financiële injectie. De dreiging bestaat dat de relatief stabiele Gorbatsjov het veld moet ruimen als de winkels nog langer leeg blijven. Een mogelijke chaos - en daarop ingrijpen van een militaire dictatuur - wordt dan ook ijverig als breekijzer gebruikt om de Westerse portemonnee open te krikken. Een eenmaal op gang gebrachte Sovjetmarkt zou ook een geweldig afzetgebied kunnen zijn voor Westerse spullen.

De onlangs gehouden G-7 top heeft Gorbatsjov bepaald niet overladen met financiële steun. De verzamelde regeringsleiders waren uiterst kritisch over de door hem voorgelegde niet overal even consistente hervormingsplannen. Die droegen duidelijk sporen van het in elkaar schuiven van een vooruitstrevende en een behoudende aanpak. Men vraagt zich bovendien af of de huidige Sovjeteconomie een krachtige geldinjectie wel kan absorberen zonder de al hoge prijsinflatie nog verder aan te jagen. En waar zou overigens dat geld vandaan moeten komen? We zien hoe de rijke Bondsrepubliek kreunt onder de last die het relatief kleine voormalige Oost-Duitsland betekent. Terecht wordt ook opgemerkt dat de tot dusver ingevoerde structuurveranderingen nog onvoldoende zijn. Een interessant tegenargument is bovendien dat financiële hulp op dit moment averechts zou werken omdat hij terecht komt bij de officiële, behoudende bureaucratie. Terwijl er juist in de informele sfeer een bloeiende markteconomie op gang begint te komen.

De vraag of hulp helpt wordt steeds vaker en indringender gesteld.