Een brak Zuiderzeemuseum

De komst van de Afsluitdijk betekende de dood voor heel wat dierlijk leven dat op brak water was aangewezen. Maar een deel daarvan leeft voort: in het Noordzeekanaal.

We schrijven 1922: ""Wanneer eenmaal de Zuiderzee is drooggelegd, zal het merkwaardigste brakwatergebied van Noordwest-Europa verdwenen zijn en daarmede de woonplaats van een groot aantal soorten van planten en dieren.'' Dat schreef dr. R.C. Redeke, directeur van het toenmalige Zoölogisch Station in Den Helder in het voorwoord van de bundel Flora en fauna der Zuiderzee, een uitgave van de Nederlandsche Dierkundige Vereeniging. Hij doelde vooral op planten en dieren ""die tot dusverre alleen nog maar in de Zuiderzee gevonden werden en nergens anders.'' Vijf jaar later werd begonnen met de Zuiderzeewerken en de Afsluitdijk sloot de zee buiten. Nu is de Zuiderzee al ruim een halve eeuw IJsselmeer.

Wat was dat voor "merkwaardig brakwatergebied', waarover Redeke schreef? En die bijzondere flora en fauna, die haar weerga niet kende in Noordwest-Europa, waar is die gebleven?

In de natuurbeschermingswereld zul je ze er niet meer over horen. Daar lijkt men meer dan tevreden te zijn met in ieder geval het laatste van die Zuiderzeewerken: zuidelijk Flevoland. Op een plaats waar de droogmaking niet zo best lukte, ontstonden in het begin van de jaren zeventig de Oostvaardersplassen. De onverwachte natuurexplosie in dat grote moerasgebied heeft de Redekes van tegenwoordig in een euforische stemming gebracht: voor het eerst sinds eeuwen broeden er weer zilverreigers in Nederland en kregen grauwe ganzen als broedvogel weer vaste voet aan de grond. Exotische vogels als waaierstaartrietzangers en buidelmezen zijn tot onze inheemse broedvogelfauna gaan behoren. Baardmezen, kiekendieven en velduilen hebben vanuit die half drooggevallen zeebodem de kwijnende stand van deze zeldzame vogelsoorten in heel Nederland weer op peil gebracht. In sommige geledingen van de natuurbeschermingswereld werd tot voor kort reikhalzend uitgekeken naar nóg zo'n cadeautje van Rijkswaterstaat: in een nieuwe Markerwaard.

Maar wat moest er onder water voor verdwijnen, voor die geweldige nieuwe boven-waternatuur? Over wat voor flora en fauna hadden Redeke en zijn Dierkundige Vereeniging het in 1922?

Zuiderzeeballade

Dat er ooit een bloeiende Zuiderzeevisserij bestond vertelt ons de bekende Zuiderzeeballade. De belangrijkste vis waarop de botters uit Urk, Enkhuizen en Harderwijk visten was de Zuiderzeeharing, kleiner dan de Noordzeeharing. Dat was zo'n bijzonder brakwaterdier. Elk voorjaar zwom die massaal de Zuiderzee in om in het brakke water kuit te schieten. Nu is dit haringras uitgestorven. De ansjovis, destijds na de haring de belangrijkste inkomstenbron van de Zuiderzeevisserij, komt tegenwoordig niet meer ten noorden van Zeeland voor. De zalm, de steur en de zeeforel, die vroeger in riviermondingen (ook in de Zuiderzee) paaiden of er verbleven op hun weg van zee naar de paaiplaatsen op de rivieren, laten zich in heel Noordwest-Europa nog maar sporadisch zien.

Redeke en zijn dierkundigen repten in hun dikke bundel nog van tal van kleinere diersoorten die gebonden waren aan het brakke water van de Zuiderzee: het Zuiderzeekrabje, de brakwaterpok, de brakwatermossel, brakwaternaaktslakjes en een aantal soorten brakwaterkreeftjes, -pissebedden, draad- en borstelwormen. Veel daarvan verbleven in de zeer uitgebreide velden zeegras, dat inmiddels ook nagenoeg uit ons land verdwenen is. En ook in het voor het blote oog onzichtbare plankton kwamen veel algjes, watervlooien en raderdiertjes voor, die van buiten de Zuiderzee nauwelijks bekend waren.

In het zoete IJsselmeer komt nu bijna geen van die soorten meer voor. Voor een aantal wateren die vroeger met de Zuiderzee in verbinding stonden en ook brak waren, zoals het IJ, de Amsterdamse grachten en de monding van de Amstel, geldt hetzelfde. En het destijds sterk door het Zuiderzeewater beïnvloede Noordhollands Kanaal en sommige brakwaterpolders in Noord-Holland bieden ook al geen levensruimte meer voor het Zuiderzeekrabje en zijn consorten. De meeste van die wateren herbergen inmiddels heel gewone Hollandse planten en dieren van het zoete water.

Toch zijn de voormalige Zuiderzeebewoners niet helemaal verdwenen. Behalve in enkele geïsoleerde, door de Deltawerken brak geworden wateren zoals het Veerse Meer, blijkt een belangrijk deel van die uitgestorven gewaande Zuiderzeegemeenschap nog te overleven: tussen Amsterdam en IJmuiden, in het Noordzeekanaal.

Nogal een verschil. Vergelijk dat rechte scheepvaartkanaal met zijn steile oevers, volgepakt met havens en industrie, eens met de Waddenzee-achtige oneindigheid van de vroegere Zuiderzee! Die paradijselijke uitgestrektheid, zoals bijvoorbeeld Jac. P. Thijsse in 1914 wist te beschrijven in het Verkade-album Langs de Zuiderzee, is langs het Noordzeekanaal niet te vinden. Wat zoekt een Zuiderzeekrabje tussen de lozingspijpen van Duphar, Hoogovens en AKZO, tussen de baggermolens en de tankers? Waarin ligt die kennelijke overeenkomst tussen het huidige Noordzeekanaal en de toenmalige Zuiderzee?

Nu, in één opzicht zijn ze vergelijkbaar: aan de ene kant ligt de zoute zee en aan de andere kant het zoete binnenwater. Met als gevolg een geleidelijke overgang van zout naar zoet: brak water dus.

Saliniteit

Het zoutgehalte ofwel de saliniteit van water wordt uitgedrukt in grammen zeezout per liter. Eén gram per liter is één gewichtspromille. De saliniteit van zuiver zeewater is 34 promille en van binnenwater is die meestal minder dan 0,4. Voor de toenmalige Zuiderzee en het huidige Noordzeekanaal ligt de saliniteit tussen grofweg één en tien. Voor de vele echte zeebewoners was en is dat veel te zoet, voor zoetwaterorganismen juist weer te zout. Maar voor een aantal van de vroegere Zuiderzeeplanten en -dieren was dat brakke water juist ideaal: niet te zoet, niet te zout.

Brakwatermilieus, op de overgang tussen zee en binnenwater, zijn zeldzaam geworden. Overal in de wereld worden steeds meer riviermondingen met dammen en sluizen van de zee afgesloten. Uitgestrekte deltagebieden zijn steeds kleiner geworden door inpolderingen en de resterende zeewaterinvloeden zijn bijna overal voor de landbouw teruggedrongen. Zo zijn de Noordhollandse brakwaterpolders bijvoorbeeld verzoet. En zo verloor Nederland dus bijna overal de planten en dieren die het door zijn ligging tussen land en zee juist kenmerkten.

Maar ook het Noordzeekanaal is toch met sluizen afgesloten van de zee? Hoe komt dat water dan brak? Omdat sluizen niet echt afsluiten: als een schip bij IJmuiden wordt doorgeschut moeten de sluizen open, dicht en weer open. Elke keer dat aan de zeezijde de sluisdeuren worden geopend zakt het zwaardere zeewater in de sluiskolk en wordt het lichtere zoetere water naar buiten geduwd. Bij een daaropvolgende opening van de sluisdeuren aan de kanaalzijde gebeurt hetzelfde: het zoute water kruipt over de kanaalbodem naar binnen en wordt in de kolk door zoet water vervangen. Door het vrijwel continu schutten van schepen ontstaat een constante stroom van zeewater over de kanaalbodem. Die "zouttong' reikt tot in de Amsterdamse havens. Het zoete water dat uit het Markermeer en via het Amsterdam-Rijnkanaal uit de Rijn en de Utrechtse en Hollandse polders het kanaal binnenkomt, wordt door menging met die zouttong steeds brakker, tot het in IJmuiden via de sluizen of het gemaal naar zee wordt afgevoerd. Het resultaat is dat het kanaal in de bovenste "zoetwaterschijf' varieert van zoet in Amsterdam tot sterk brak bij IJmuiden.

Drie werelden

Sinds 1987 zijn biologen van Rijkswaterstaat bezig de stand van zaken op te maken van de levende have in het kanaal. Van al die drie werelden: zoet, zout en brak, blijken er vertegenwoordigers aanwezig te zijn. Zoet- en zoutwatervissen leven letterlijk boven en onder elkaar: baars en snoekbaars zijn een meter boven de zeevissen te vinden in de uitstromende zoetwaterschijf bij IJmuiden op zee. En hengelaars vangen bij Zaandam en Amsterdam van een diepte van enkele meters nog kabeljauw uit de zouttong. In de magen van zoetwatervissen werden zoutwaterdiertjes gevonden, en uit zoetwater afkomstige prooidieren in de ingewanden van zoutwatervissen. Veel echte brakwatervissen bestaan er niet, behalve het onaanzienlijke brakwatergrondeltje, dat overal in het gebied te vinden is. Daarentegen zijn er onder de algen en de kleinere diersoorten wel veel "echte' brakwatersoorten aangetroffen. Een groot deel daarvan behoort tot de door Redeke c.s. beschreven bijzonderheden van de Zuiderzee. Met als mascotte het Zuiderzeekrabje, dat in vrijwel het hele kanaal voorkomt.

Sommige Zuiderzeedieren zijn echter ook in het Noordzeekanaal niet of nauwelijks meer te vinden. Voor de tussen zee en rivier reizende vissen als zalm, de steur en de zeeforel komt dat voor een belangrijk deel doordat de sluizen van IJmuiden een barri`ere in hun trekroutes vormen. Maar ook de nog niet al te beste waterkwaliteit van het kanaalwater lijkt hiervoor verantwoordelijk te zijn. Deze vissoorten zijn juist erg gevoelig voor watervervuiling. Veel giftige stoffen zijn voor deze vissen op sommige plekken nog in te hoge gehaltes in het Noordzeekanaal-water aanwezig. Ook voor de niet trekkende Noordzeekanaal-bewoners blijkt dat nadelig te zijn: in de buurt van afvalwaterlozingen zijn de gevoeligste diersoorten minder talrijk dan elders in het kanaal. Momenteel doet Rijkswaterstaat onderzoek naar de manier waarop verbetering van de water- en waterbodemkwaliteit verdere ontwikkeling van het planten- en dierenleven van het brakke water kan stimuleren.

Niet veel zoeter

Om het leefgebied voor die bijzondere levensgemeenschap geschikt te houden mag het kanaal ook niet veel zoeter worden. Paradoxaal genoeg komt een vijand van de levende Zuiderzeefossielen uit hun vroegere leefgebied, het huidige Markermeer. Uit waterkwaliteitsoverwegingen wordt dat doorgespoeld met zoet IJsselmeerwater: van de Oranjesluizen bij Amsterdam naar de Noordzee bij IJmuiden. Hoe meer dat is, hoe meer het kanaal zijn brakwaterkarakter verliest. Uit onderzoek heeft Rijkswaterstaat geconcludeerd dat voor een duurzaam voortbestaan van het brakwater-ecosysteem die hoeveelheid doorspoelwater niet meer mag toenemen. Daarmee kan niet altijd worden voldaan aan de wensen van de exploitant van de aan het kanaal gelegen Amsterdamse electriciteitscentrale, die soms wat meer koelwater uit het Noordzeekanaal zou willen betrekken. Maar die hoeft niet het onderste uit de kan, zo heeft men bij Rijkswaterstaat gedacht.

Zo is het Noordzeekanaal dus een Zuiderzeemuseum geworden. Je zou ook kunnen zeggen: een vluchtplaats. Een plek waar zeldzame soorten dieren en planten kunnen overleven, totdat de leefomstandigheden elders een verdere verspreiding en herstel van de populaties weer mogelijk maken. Het IJsselmeer zal daar zo gauw niet bijhoren. Daarvoor is de afhankelijkheid van de landbouw en drinkwaterindustrie van 's lands grootste zoetwatervoorraad te groot.

Maar in de Noordhollandse polders zijn waterschappen al, samen met natuurbeschermingsinstanties, begonnen de vroegere brakwatermilieu's op een aantal lokaties te herstellen. Het waterschap "De Waterlanden' gebruikt daarvoor in de polders van de zuidelijke Zaanstreek Noordzeekanaalwater. Daarmee wordt niet alleen het noodzakelijke brakke water aangevoerd, maar ook de daarin levende planten en dieren. Als de ingenieurs van Rijkswaterstaat ook het Noordzeekanaal een flinke renovatiebeurt geven en de lozingen worden teruggedrongen, komen misschien ook de zalm en steur nog eens terug!