Dieren die moeten blijven; Nut van de lijst beschermde diersoorten is beperkt

Beter iets dan niets moet drs. J.D. Gabor, staatssecretaris voor natuurbeheer, hebben gedacht toen hij afgelopen juni het "Besluit van 23 mei 1991, houdende wijziging van het Besluit beschermde inheemse diersoorten' het licht deed zien. In dit besluit werden enkele plante- en diersoorten binnen de natuurbeschermingswet geplaatst.

Bij een dergelijk besluit rijzen onmiddellijk enkele vragen. Wat bestond er al aan wetgeving? Is een dergelijke aanwijzing als beschermde soort zinvol? En in hoeverre zijn de wensen van de natuurbescherming hiermee ingewilligd?

Na de opheffing van het ministerie van CRM en de overheveling van het directoraat natuurbehoud naar het Ministerie van Landbouw en Visserij is er op wettelijk gebied nauwelijks vooruitgang geboekt. Een ontwerp voor een nieuwe vogelwet ter vervanging van de vogelwet 1936 zag het licht, maar werd weer ingetrokken. Ook een aangekondigde wijziging van de jachtwet onderging dat lot.

Plotseling publiceerde het ministerie een voorontwerp van een flora- en faunawet. Dat was in 1987. Daarna is het stil gebleven. Er gebeurde niets op het terrein van de natuurbescherming of het moest de naamsverandering van het betrokken ministerie in Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zijn.

Met de val van minister G. Braks in 1990 en het aantreden van een speciale staatssecretaris voor natuurbehoud, J.D. Gabor, lijkt de wetgeving op natuurbeschermingsgebied weer enigszins op gang te komen.

Walvissen

Sinds 1967 kent Nederland een natuurbeschermingswet. Op grond van deze wet kunnen bedreigde inheemse diersoorten als beschermde soort worden aangewezen. Dat is tot voor kort slechts éénmaal gebeurd: in 1973 vaardigde de toenmalige staatssecretaris van CRM, J. Vonhoff, (nu voorzitter van de natuurbeschermingsraad) een besluit uit waarin 24 soorten zoogdieren, 22 soorten reptielen en amfibieën, 10 soorten vissen en 4 soorten ongewervelden tot beschermde soort werden verklaard. Het heeft tot juni 1991 moeten duren voordat deze lijst werd uitgebreid met circa 10 soorten walvissen en 30 soorten insekten.

Door de aanwijzing als beschermde diersoort verkrijgt een diersoort een wettelijke bescherming. Krachtens de natuurbeschermingswet is het verboden zo'n soort te vangen, te bezitten, te verontrusten, te doden of zijn nesten of holen te vernielen. Het zijn allemaal bepalingen, die een direkt menselijk ingrijpen verbieden.

Maar de wet doet niets positiefs voor een beschermde soort. Zijn leefgebied wordt niet beschermd en bescherming wil ook niet zeggen dat het ministerie nu een potje met geld heeft om iets concreets voor een beschermde soort te doen.

In feite helpt aanwijzing als beschermde soort alleen voor soorten die om de een of andere reden veelvuldig gevangen of gedood worden. Mooie dieren (salamanders voor in het terrarium) of lastige dieren (vleermuizen in spouwmuren) biedt het bescherming tegen vangen of doden.

Maar voor de meeste soorten is vangen of doden niet een grote bedreiging. Veel ernstiger is de verschraling en vernietiging van hun biotoop. Aanwijzing als beschermde soort helpt hier weinig tegen.

Toch zinvol

Toch kan aanwijzing zinvol zijn. Plaatsing op de lijst heeft een signaalfunktie. Dieren die de status "beschermde soort' hebben, moeten extra bescherming hebben. Tenminste zo komt het op het gewone publiek en lagere overheden over. Dat is de kracht van de opzichzelf weinig verstrekkende maatregel.

De maatregel heeft in de dagelijkse "handhavingspraktijk' niet veel waarde. Dat blijkt uit de geringe inspanning, die de overheid zich getroost om overtredingen op te sporen. Politieagenten zijn weliswaar bevoegd, maar missen soortskennis: wat moet een agent met een persoon die een van de vele soorten blauwtjes (vlinders) heeft gevangen waarvan de de ene soort wel en de andere niet beschermd is? De meest geëigende opsporingsambten zijn de controleurs van de Algemene Inspectiedienst (beter bekend als de AID over wiens onjuiste opsporingsbeleid inzake de zeevisserij minister Braks is gevallen). Het aantal processen verbaal bedroeg in 1990 slechts 81 stuks (inclusief planten).

Dat er soorten als beschermd zijn aangewezen, is een positieve zaak. Toch kan men zich afvragen wat een gamper of een witsnuitdolfijn, twee walvissoorten, aan de aanwijzing hebben. Voor de Nederlandse kust worden ze niet gevangen. Hun grootste bedreiging hier is de verontreiniging van het zeewater. En daar verandert dit besluit niets aan. Wel betekent het dat dode aangespoelde dieren nu niet meer zomaar meegenomen mogen worden (en daardoor meestal ter beschikking komen van een wetenschappelijke instelling), maar dat heeft voor de natuurbescherming weinig betekenis. Hetzelfde geldt voor nog levende exemplaren. Het voorkomt gesol, maar dat is meer een aspect van dierenbescherming.

Een zwaarwegend punt voor aanwijzing vormde de door Nederland geratificeerde Conventie van Bern. In deze conventie neemt Nederland de taak op zich beschermende maatregelen te treffen voor een aantal met name genoemde diersoorten. De nieuwe lijst voldoet grotendeels aan de Conventie van Bern. Helaas heeft het ministerie het niet aangedurfd alle in de conventie genoemde soorten op de lijst te plaatsen. Zo ontbreekt de otter. Deze soort is, mogelijk met uitzondering van Zuid-Limburg, in Nederland uitgestorven. De soort behoort tot het onbejaagbare wild in de jachtwet (evenals de das). Van jagerszijde heeft men zich altijd hevig verzet tegen overbrenging van deze soort(en) van de jachtwet naar de natuurbeschermingswet en dat was kennelijk voldoende grond om hem weg te laten.

Door de opname van "alle walvissen' in het besluit gaat de staatssecretaris verder dan de Conventie van Bern voorstaat. Deze aanwijzing is een uitvloeisel van afspraken gemaakt op de ministeriële Noordzeeconferentie. Opvallend is dat ook potvis en dwergvinvis hiermee in de Nederlandse kustwateren beschermd zijn. Deze soorten zijn door de Noorse regering buiten de afspraak gehouden, omdat ze de jacht op deze soorten weer willen hervatten na de opheffing van het moratorium op de walvisjacht.

Naar het positieve effect van de opname van vier soorten kevers, zeven soorten libellen en 19 soorten vlinders kan men slechts gissen. De opgenomen soorten zijn alle zeldzaam en opvallend. Hun achteruitgang is vooral een kwestie van biotoopverlies en (soms) de vangst door verzamelaars voor hun collecties.

Maar het zijn juist die kenners die deze soorten kunnen onderscheiden van andere soorten. Welke leek kan het beschermde "groot geaderd witje' onderscheiden van het algemeen bekende koolwitje. Als men een dergelijke soort wil beschermen tegen het vangen, dan moet men alle witjes beschermen - of beter nog: alle dagvlinders. Elke politieagent begrijpt dit en kan verbaliserend optreden. Of daarmee een bron van achteruitgang is geëlimineerd, blijft twijfelachtig.

In Nederland zijn nog wel meer soorten te vinden die gerichte bescherming verdienen. Opvallend is dat de Noordse woelmuis, de enige ondersoort van een zoogdier waarvan het verspreidingsgebied beperkt is tot Nederland, nog altijd geen enkele wettelijke status kent. Dit terwijl het dier w`el is aangewezen als een prioritaire soort in het kader van het natuurbeleidsplan.

Gemiste kansen zijn ook het ontbreken van bedreigde soorten als zeehond, boommarter, eekhoorn en steenmarter, die hoewel onbejaagd nog altijd onder de jachtwet vallen.

Flora- en faunawet

De aanwijzing tot beschermde diersoort behoort tot het instrumentarium van de soortsbescherming. Mits goed opgezet kan dit zinnig zijn. Door een stelsel van verboden beperkt de overheid het menselijk handelen met dieren.

Toch zal het een aanzienlijke verbetering zijn als de wetten voor soortsbescherming (jachtwet, visserrijwet, vogelwet en een deel van de natuurbeschermingswet) opgaan in een algemene flora- en faunawet. Het publiek weet nu nauwelijks waar het aan toe is: een goudplevier valt onder de jachtwet, maar een zilverplevier onder de vogelwet.

Nu komt de staatssecretaris met reparatiewetgeving. Hopelijk betekent het niet dat de werkelijke verbetering, de komst van de algemene flora- en faunawet, nog verder is uitgesteld.

Voor het voortbestaan van soorten is biotoopbescherming belangrijker dan soortsbescherming. Een onlangs gepresenteerde wijziging van de natuurbeschermingswet voorziet hierin. In deze vernieuwde natuurbeschermingswet kunnen provincies kleine, lokaal belangrijke terreintjes als beschermd biotoop aanwijzen. Het schermen met beschermde soorten in een natuurterrein vormt psychologisch een belangrijk argument voor lagere overheden.

Foto: Gestrande Witsnuitdolfijn, Texel 1990. Het dier werd geborgen (grote foto) en overgebracht naar een Dolfinarium. Daar is de dolfijn enkele dagen later gestorven.

De beschermde soorten

Als beschermde diersoort in de zin van de natuurbeschermingswet zijn aangewezen:

ZOOGDIEREN

Walvissen (Cetacea), alle soorten Hamster (Cricetus cricetus) Eikelmuis (Eliomys quercinus) Hazelmuis (Muscardinus avellanarius) Vleermuizen (Chiroptera), alle soorten Egel (Erinaceus europaeus)

REPTIELEN

Moerasschildpad (Emys orbicularis) Slangen (Serpentes), alle soorten Hagedissen (Sauria), alle soorten

AMFIBIEËN

Kikkers, padden (Salientia), alle soorten Salamanders (Caudata), alle soorten

VISSEN

Rivierdonderpad (Cottus gobio) Gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) Kleine modderkruiper (Cobitis taenia) Grote modderkruiper (Misgusnus fossilis) Bermpje (Noemacheilus barbatulus) Elrits (Phoxinus phoxinus) Bittervoorn (Rhodeus sericeus amarus) Meerval (Silurus glanis) Rivierprik (Lampetra fluviatilis) Beekprik (Lampetra planeri)

INSEKTEN

Vliegend hert (Lacunus cervus) Heldenbok (Cerambyx cerdo) Juchtleerkever (Osmoderma eremita) Donkere winterjuffer (Sympecma braueri) Groene glazenmaker (Aesha viridis) Rivierrombout (Stylurus flavipes) Gaffellibel (Ophiogomphus cecilia) Bronslibel (Oxygastra curtisii Oostelijke witsnuitlibel (Leucorrhinia albifrons) Sierlijke witsnuitlibel (Leucorrhinia caudalis) Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis) Dwergdikkopje (Thymelicus acteon) Bruin dikkopje (Erynnis tages) Kalkgraslanddikkopje (Spialia sertorius) Groot geaderd witje (Aporia crataegi) Iepepage (Strymondia album) Grote vuurvlinder (Lycaena dispar) Dwergblauwtje (Cupido minimus) Heideblauwtje (Plebejus argus) Vals heideblauwtje (Lycaeides idas) Veenbesblauwtje (Vacciniina optilete) Pimpernelblauwtje (Maculinea teleius) Donker pimpernelblauwtje (Mac. nausithous) Grote ijsvogelvlinder (Limenitis populi) Rouwmantel (Nymphalis antiopa) Grote vos (Nymphalis polychloros) Keizersmantel (Argynnis paphaia) Veenbesparelmoervlinder (Boloria aquilonaris) Tweekleurig hooibeestje (Coenonympha arcania) Kleine heivlinder (Hipparchia statilinus) Gestr. waterroofkever (Graphoderus bilineatus) Brede geelgerande waterroofkever (Dystiscus latissimus)

KREEFTACHTIGEN

Rivierkreeft (Astacus astacus)

SLAKKEN

Wijngaardslak (Helix pomatia)