De EG als wereldmacht

Een opmerkelijke passage uit het slotcommuniqué dat de EG-ministers van buitenlandse zaken dinsdag in Den Haag uitgaven na hun buitengewone vergadering over de Joegoslavische crisis was de vermelding van de Westeuropese Unie (WEU). Ze “namen er kennis van dat WEU-lidstaten hun vertegenwoordigers hebben geïnstrueerd (...) na te gaan of de WEU enige bijdrage kan leveren aan de handhaving van een overeengekomen bestand”. Hiermee stelden ze zich achter het Franse idee nog deze week de crisis in Joegoslavië aan de orde te stellen op een speciale bijeenkomst van de permanente raad (van ambassadeurs) van de WEU.

De Franse minister van buitenlandse zaken, Dumas, vroeg zijn Duitse collega, Genscher, het afgelopen weekeinde per brief een vergadering te beleggen om na te gaan of er eventueel een Europese “interventiemacht” naar Joegoslavië moet worden gestuurd. Het verzoek werd aan Bonn gericht omdat Duitsland nu voorzitter is van de WEU, waarbinnen negen van de twaalf EG-landen op defensiegebied samenwerken (Denemarken, Griekenland en het neutrale Ierland maken er geen deel van uit).

Het Parijse initiatief zorgde voor verdeeldheid in de Europese Gemeenschap. Dumas kreeg Duitse steun voor zijn voorstel, maar in Londen en Den Haag had scepsis de overhand. Een woordvoerder van bondskanselier Kohl toonde zich er voorstander van de WEU te betrekken bij de beheersing van het interne Joegoslavische geweld. Minister van defensie Stoltenberg onderstreepte echter direct dat de Bundeswehr “in geen geval” troepen voor een Europese vredesmacht zal leveren, aangezien de Duitse grondwet het inzetten van Duitse soldaten buiten het gebied van de NAVO verbiedt.

Een hoge Britse diplomaat merkte in de marge van het Haagse spoedoverleg op dat “een militaire macht geen vrede kan opleggen”. De Britten spreken wat dat betreft uit ervaring. Jarenlange militaire inzet heeft Noord-Ierland immers geen vrede gebracht. Pas als in Joegoslavië sprake is van een bestand dat wordt nageleefd wil Londen bemoeienis van de WEU “sympathieker” in overweging nemen, aldus onderminister Hogg. Ook minister Van den Broek, de huidige voorzitter van de EG-ministerraad, liet na de mislukte missie die de EG-trojka onder zijn leiding in Joegoslavië had uitgevoerd weten nu weinig te zien in het sturen van een Europese troepenmacht.

De scheidslijn leek zich net zo af te tekenen als tijdens het lopende debat over een gemeenschappelijke defensiepolitiek van de Europese Gemeenschap. Ook hier zijn de Fransen de gangmakers, de Duitsers in hun kielzog meevoerend, en uiten Nederlanders en Britten de krachtigste reserves. Toch was het verzet tegen WEU-beraad over Joegoslavië niet absoluut en zo kon het gebeuren dat de EG-ministers op haast unieke wijze in een communiqué steun gaven aan het tot leven wekken van de WEU, hoe summier dat ook gebeurde.

Dumas was in Den Haag vol goede moed. Hij sprak enthousiast over het sturen van “Europese blauwhelmen” naar Joegoslavië. “Het is niet uitgesloten dat er een beroep wordt gedaan op een troepenmacht om als buffer te fungeren”, zei hij. Het zou daarbij overigens niet om een louter Europese operatie gaan. Volgens de Franse minister moeten Zweden, Canada, Polen en Tsjechoslowakije worden uitgenodigd aan de operatie deel te nemen.

De voorzitter van de Europese Commissie, de Fransman Delors, zal met genoegen de verrichtingen van zijn landgenoot hebben gevolgd. Hij is er een fervent voorstander van dat de EG zich als wereldmacht manifesteert en ziet de tijd nu rijp voor zo'n rol, met alle politieke en militaire consequenties van dien. In een vraaggesprek met de Financial Times noemde hij het deze week zelfs de collectieve “plicht” van de Europese Gemeenschap net zo betrokken te raken bij het zoeken naar vrede in Joegoslavië als de Verenigde Staten dat zijn in het Midden-Oosten.

Hoe moeizaam dit proces verloopt bleek gisteren in Londen, waar de verzamelde WEU-ambassadeurs volgens een woordvoerder niet verder kwamen dan “door te gaan met het beschouwen van de huidige situatie in Joegoslavië”. Ze kwamen overeen “verder na te denken over de mogelijkheden van het leveren van concrete bijdragen”.