Crisis Joegoslavië is vooral een machtsstrijd; Aleen een geforceerde bemiddeling kan een bloedige burgeroorlog voorkomen

"Ujedinjenje ili smrt' - Eenheid of de Dood - was de naam van een geheime organisatie die in 1911 in Belgrado werd opgericht en die later bekend zou worden onder de naam "De Zwarte Hand'. Het ging om de eenheid van een Groot-Servië, dat niet alleen Bosnië, Herzegowina, Montenegro, het voornamelijk door Albanezen bewoonde Kosovo en het gedeeltelijk door Bulgaren bewoonde Macedonie moest omvatten, maar ook Slovenië, Kroatië en de Vojvodina, die tot het Habsburgse rijk behoorden. Drie jaar later, in 1914, werd in Sarajevo aartshertog Franz Ferdinand van Habsburg-Este vermoord, die na de zelfmoord in 1889 van kroonprins Rudolf, de troonopvolger was in de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. De aanslag, die tot de eerste wereldoorlog leidde, was georganiseerd door De Zwarte Hand.

De afgelopen jaren schijnen in Belgrado net als in 1911 plannen te zijn beraamd voor een groot Servië. Onderdelen van die plannen zijn uitgelekt, misschien ook met opzet bekendgemaakt. Zo is enkele maanden geleden openlijk gedreigd met een aanval op de kernenergiecentrale in Slovenië. De bedreiging werd zo serieus genomen dat de kerncentrale tijdelijk is stilgelegd, wat overigens het risico van een tweede Tsjernobyl, maar nu in Midden-Europa, niet heeft weggenomen.

Dat laatste wordt in Oostenrijk maar al te goed beseft, nu dit land ook al wordt bedreigd door de desastreuze toestand van kerncentrales in Bulgarije en Tsjechoslowakije. Maar wat in Oostenrijk vooral wordt begrepen is de historische achtergrond van de afscheiding van Slovenië en Kroatië: gebieden die van de dertiende tot in de twintigste eeuw tot Oostenrijk of Hongarije behoorden en waarvan de zuidgrens eeuwenlang de grens was tussen het Ottomaanse en Habsburgse imperium.

Na de Eerste Wereldoorlog werd Europa via het verdrag van Versailles opnieuw verkaveld, net als een eeuw eerder door het Wener Congres. Grenzen werden opnieuw getrokken, nieuwe staten werden gecreëerd. De nieuwe staten en hun nieuwe grenzen kwamen echter op vrij willekeurige wijze tot stand. Officieel was sprake van zelfbeschikking, maar de bevolking werd niets gevraagd. De Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie werd verdeeld in Oostenrijk, Hongarije en Tsjechoslowakije: delen ervan werden toegewezen aan het opnieuw gevormde Polen, Roemenië en Italië. Slovenië, Kroatië en de Vojvodina werden toegevoegd aan Servië in de vorming van een nieuw koninkrijk, dat daarmee alle gebieden omvatte die in 1911 in Belgrado werden opgeëist voor een Groot-Servië. Het kreeg echter de naam Zuidslavië, later veranderd in Joegoslavië.

De vorming van Joegoslavië betekende een samenvoeging van gebieden die eeuwenlang tot verschillende culturen hadden behoord, met verschillende godsdiensten (rooms-katholiek, servisch-orthodox, islamitisch), een verschillend schrift (Latijns en Cyrillisch), twintig verschillende talen (Macedonisch, Sloveens en Servokroatisch; maar ook Duits, Italiaans, Hongaars, Albanees). Nog belangrijker was dat Kroatië en Slovenië als delen van het Habsburgse imperium, tegenover Servië hadden gestaan in de Eerste Wereldoorlog. Het Verdrag van Versailles legde zo niet alleen de grondslag voor de Tweede Wereldoorlog, maar ook voor de nu oplaaiende etnische conflicten die de directe consequentie zijn van het feitelijk buiten beschouwing laten van het zelfbeschikkingsrecht.

Nu wordt de Balkan, ondanks de gevolgen van de aanslag in Sarajevo, in het algemeen beschouwd als een zijtoneel van de wereldgeschiedenis. Er is nooit veel belangstelling geweest voor de poging tot integratie van circa vijftien volkeren en culturen in het nieuwe koninkrijk Joegoslavië. Dat in de periode tussen de twee wereldoorlogen de prominentste Kroatische politicus, Radic, werd vermoord, evenals de (Servische) koning Alexander, werd voor kennisgeving aangenomen. Dat Kroatië zich in de Tweede Wereldoorlog met Duitse steun onafhankelijk verklaarde en dat er tijdens die oorlog een wrede burgeroorlog werd gevoerd tussen partizanen, Kroatische Ustaca's en Servische Cetniks (het officiële koninklijke leger), werd nauwelijks opgemerkt. Ten dele kwam dat door het optreden van Josip Broz, bijgenaamd Tito. Als onomstreden leider van het verzet tegen de Duitsers, werd hij na de oorlog algemeen als leider van geheel Joegoslavië erkend. Tito slaagde erin Joegoslavië na 1945 bijeen te houden, door binnenslands een politieke balans te handhaven. Hij maakte daarbij bekwaam gebruik van de Koude Oorlog. Om te voorkomen dat Joegoslavië zich zou aansluiten bij het Warschaupact, werd tientallen jaren lang miljarden dollars aan Belgrado betaald. Het gevolg was een ogenschijnlijk bloeiende economie: de Joegoslavische dinar behoorde tot de harde valuta, en het arbeiderszelfbestuur werd in het Westen vaak als alternatief socialistisch model gezien. Er klopte niets van. Alles berustte op de niet ophoudende dollarstroom, die echter (anders dan met de Marshall-hulp in West-Europa) niet werd geïnvesteerd, maar geconsumeerd, en waarvan uiteindelijk niets overbleef. Het is een bekend patroon uit de ontwikkelingshulp dat tot de befaamde schuldencrisis heeft geleid en het verklaart de recente Westelijke aarzeling financiële steun aan de Sovjet-Unie te geven voordat er een economische herstructurering heeft plaatsgehad.

Tito's politieke erfenis was een bizar systeem van machtsdeling tussen de republieken-provincies, met een jaarlijks wisselend, dus machteloos presidentschap. Het functioneerde zolang de Koude Oorlog voortduurde en de Westerse hulp binnenstroomde. Tito's dood - in 1980 - en het einde van de Koude Oorlog - vanaf 1985 - betekenden echter het einde van een bron van inkomsten, die voor het behoud van de politieke stabiliteit essentieel was. Eerst stortte de economie in: de hoge uitgaven voor leger en overheidsbureaucratie konden niet meer worden gedekt door de staatsinkomsten, en de politieke oplossing geld bij te laten drukken, leidde binnen enkele jaren tot een hyperinflatie. Vervolgens ontstond een politieke machtsstrijd, omdat moest worden uitgemaakt wie de tekorten moest aanvullen. Tito's zorgvuldig uitgekiende machtsbalans stortte daarbij definitief in als gevolg van de verkiezing van Milosevic tot president van Servië in 1987 en de daarop volgende inlijving door Servië van de zogenaamd autonome provincies Kosovo en Vojvodina. Sindsdien wordt door Servië bepaald wie Kosovo en Vojvodina in federale organen, zoals de presidentiële raad, vertegenwoordigen. Het gevolg was dat er in Slovenië en Kroatië een sterke tendens ontstond zich los te maken van het steeds meer door Servië gedomineerde Joegoslavië. Het tegen Oostenrijk en Italië aanleunende Slovenië heeft een redelijk efficiënt werkend industrieel apparaat, terwijl Kroatië kon rekenen op miljardeninkomsten uit de toeristenstroom langs de kust: inkomsten die in het federale Joegoslavië, onder een Servisch bewind, in dezelfde bodemloze put dreigen te verdwijnen als eerder de Westerse miljarden. Want de andere delen van het huidige Joegoslavië zijn ondanks de miljardengiften uit het Westen, arm en onderontwikkeld gebleven, terwijl het land wordt bestuurd door een overheidsbureaucratie naar communistisch model, met het daarvoor karakteristieke hoge niveau van ineffiency en corruptie. De industrie is verouderd en inefficiënt, het federale leger is te groot, te duur en overbewapend en Joegoslavië heeft daarmee hetzelfde treurige toekomstperspectief als elk ander ontwikkelingsland in Oost- of Centraal- Europa. De huidige crisis is dan ook niet in de eerste plaats een etnisch conflict. Het is een strijd om het vergroten van macht dan wel het behoud van machtsposities tussen degenen die al jarenlang het regeringsapparaat hebben beheerd, en die elkaar de rekening willen toeschuiven voor de groeiende tekorten op de begroting. Die machtsstrijd wordt echter voorgesteld als een streven naar onafhankelijkheid en zelfbeschikking, waarbij bekwaam gebruik wordt gemaakt van historische verschillen en tegenstellingen: voor een burgeroorlog schrikt niemand terug.

Het conflict wordt nu toegespitst op het de grens tussen Kroatië en Servië, in feite de oude grens tussen het Ottomaanse en het Habsburgse imperium. Alleen als daarover op korte termijn overeenstemming wordt bereikt, bestaat de mogelijkheid dat Joegoslavië blijft bestaan, zij het als een veel lossere federatie van autonome regio's.

Het is opmerkelijk dat, terwijl in Westeuropa de nationale soevereiniteit stap voor stap wordt opgegeven en de nationale grenzen vrijwel alle betekenis hebben verloren (in 1992 worden ze formeel afgeschaft), in Centraal- en Oost-Europa oorlog dreigt over grenzen en onafhankelijkheidsverklaringen. Het zijn de verkeerde problemen: in feite gaat het om decentralisatie van bestuur, om de overdracht van macht en verantwoordelijkheid van boven naar beneden. De communistische ideologie vereiste in alle varianten, van Moskou tot Peking en van Havana tot Belgrado, totale centralisatie van de macht. De recente conflicten in de Sovjet-Unie en Joegoslavië en nu ook in Tsjechoslowakije, zijn symptomen van het begin van een moeizaam en noodzakelijk proces van decentralisatie.

Ook de Westeuropese integratie betekent een overdracht van macht en bevoegdheden, maar in omgekeerde richting, namelijk van nationale staten naar supranationale organen en het is een centralisatie-proces dat al meer dan veertig jaar gaande is. Het is niet onmogelijk dat uiteindelijk de relatie tussen supranationale en nationale bestuurslagen in geheel Europa dezelfde wordt. Maar in Midden- en Oost-Europa zal de decentralisatie en federalisatie leiden tot een hevige machtsstrijd, die gepaard zal gaan met moordaanslagen, terroristische acties en zelfs burgeroorlogen. Die kunnen nu echter niet langer als binnenlandse aangelegenheden van een soevereine staat worden afgedaan, omdat de gevolgen de grenzen overschrijden en geheel Europa zullen treffen: brandende oliebronnen, terroristische aanslagen, straling uit beschadigde kerncentrales, vluchtelingenstromen en het risico van escalatie door interventies van bijvoorbeeld Hongarije, Bulgarije, Albanië of Griekenland.

Er bestaat echter nog geen supranationale organisatie in Europa die in staat is, ook ongevraagd, een bemiddelende rol te spelen, terwijl allang duidelijk is dat in Joegoslavië alleen geforceerde bemiddeling nog een kans biedt op het voorkomen van een vernietigende burgeroorlog. Als die bemiddeling niet wordt afgedwongen, of als zij mislukt, is een militaire interventie door een Europese "Rapid Deployment Force', vrijwel onvermijdelijk.

Door het voorzitterschap van de Eurpese Gemeenschap heeft Nederland nu een sleutelrol. Als de Nederlandse bemiddelingspogingen slagen, is dat van grotere betekenis voor het regelen van dergelijke conflicten, dan een operatie Desert Storm.