Bezuinigingen Navo-landen een rommeltje; "De Belgen eten geleidelijk hun eigen krijgsmacht op'

Van de bezuinigingen op defensie maken de NAVO-landen een rommeltje, omdat elk strategisch concept achter die bezuinigingen ontbreekt. Er is bovendien een sterke neiging de landsverdediging weer nationaal aan te pakken ten koste van het internationale beleid. Ieder land gaat zijn eigen gang. Men neemt met zijn bezuinigingen vaak een voorschot op de toekomst.

Dat zijn de belangrijkste conclusies die defensiedeskundigen trekken uit de reorganisaties die momenteel in de verschillende NAVO-landen worden doorgevoerd.

De samenwerking op militair en veiligheidsgebied in tijden van spanning was altijd al een probleem, maar van enige coördinatie in tijden van ontspanning lijkt nog minder sprake te zijn. De NAVO tracht weliswaar de diverse bezuinigingsoperaties enigszins te coördineren in het licht van de nieuw te ontwikkelen strategie, maar uiteindelijk zijn de lidstaten volledig autonoom als het gaat om hun defensiebegrotingen.

Waar hebben de Europese NAVO-landen zoal het mes in gezet? GROOT-BRITTANNIË - Drie weken geleden maakte de Britse regering haar bezuinigingen op het defensie-apparaat bekend. Onder het door militairen veelal gewantrouwde motto "smaller and better' gaat de omvang van de Britse strijdkrachten de komende drie jaar terug met 20 procent. De grootste reductie wordt doorgevoerd bij de landmacht, waar 40.000 van de 156.000 man weg moeten, de marine gaat terug van 63.000 naar 55.000 en de Royal Air Force van 89.000 naar 75.000. Reductie in mankracht is voor het Verenigd Koninkrijk een effectieve manier van bezuinigen, omdat het Britse leger geheel uit beroepsmilitairen bestaat, die doorgaans beter worden betaald dan dienstplichtigen. Elke salarisverhoging voor een beroepsleger betekent dan een flinke hap uit de begroting en beperkt de mogelijkheden voor de aanschaf van nieuw materieel. Met hetzelfde geld kunnen de Britten slechts 70 procent van de manschappen op de been houden van het aantal dat landen als Duitsland en Frankrijk met evenveel middelen in het veld kunnen brengen, zegt een militaire deskundige.

Maar ook materieel levert de Britse defensie de komende jaren het nodige in. Zo handhaaft men weliswaar het Trident-programma (vier onderzeeboten met kernraketten), maar het aantal "gewone' onderzeeboten gaat terug van 27 naar 16. Het aantal oppervlakteschepen moet terug van vijftig naar veertig. Groot-Brittannië heeft overigens voldoende middelen vrij om verouderde schepen te vervangen door nieuwe, maar dat gebeurt niet meer in de verhouding van één op één. Dat betekent dat de vloot weliswaar geleidelijk kleiner, maar ook moderner wordt.

Het verbaast dan ook niet in Brussel te vernemen dat de NAVO redelijk tevreden is over de inspanningen van de Britten. Het terugbrengen van het aantal manschappen houdt gelijke tred met de reducties in materieel, maar daardoor blijft er geld beschikbaar voor modernisering. Zo'n aanpak past wel in de nieuwe strategische conceptie van de NAVO. FRANKRIJK - Het komende najaar beslist Frankrijk, dat officieel buiten het militaire kader van de NAVO staat, over de definitieve omvang van de strijdkrachten en hun bewapening. De zogenoemde programmawet voor de militaire uitgaven voor de periode 1992-1996 zal binnen afzienbare tijd aan het parlement worden voorgelegd. Minister Joxe van defensie heeft al aangekondigd dat de omvang van de strijdkrachten de komende vijf jaar van 280.000 tot 220.000 zal worden teruggebracht. Anders dan vaak wordt aangenomen geven de Fransen niet meer uit aan defensie dan vergelijkbare landen. Dit jaar werd 3,4 procent van het bruto nationaal produkt aan militaire uitgaven besteed en daarmee kwam Frankrijk op de dertiende plaats in de wereld, net boven Zwitserland, maar na de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Duitsland. In totaal beschikt Frankrijk nu nog over 280.000 man landstrijdkrachten (tegenover bijvoorbeeld 156.000 voor de Britten), voor het merendeel dienstplichtigen die slecht worden betaald en die per 1 januari aanstaande tien maanden moeten dienen.

Echt bezuinigen op de defensie doen de Fransen eigenlijk niet, maar wel schuiven ze geplande programma's met grote regelmaat voor zich uit, omdat de kosten niet kunnen worden opgebracht. Ook wordt de omvang van militaire orders regelmatig beperkt. Van de nieuwe zware Leclerc-tank, die in het midden van de jaren negentig in dienst moet komen, zullen er slechts 800 van de oorspronkelijk geplande 1.200 worden besteld. Experts houden er rekening mee dat dit aantal nog lager wordt. Op den duur komen echter de Fransen voor ingrijpende keuzes te staan en deskundigen bepleiten daarom nu al de Franse strijdkrachten om te vormen tot een beroepsleger dat de "tricolore' internationaal hoog moet houden en een territoriaal leger van dienstplichtigen voor de verdediging van het eigen grondgebied.

ITALIË - De Italiaanse defensie-inspanning is niet overweldigend, maar nieuw is dat dit nu - na de Golfoorlog - in Rome als probleem serieus wordt genomen. Verdere bezuinigingen op de uitgaven voor de verdediging lijken voorlopig van de baan. Volgens NAVO-cijfers is Italië een van de hekkesluiters in de NAVO-rijen, met 1,7 procent van het bruto nationaal produkt. Bij dat cijfer is het elitekorps van de politie, de carabinieri, meegerekend. Zonder hen is het slechts 1,3 procent. Door de stijgende personeelskosten en het feit dat de inflatie hoger is dan was voorzien, dalen de uitgaven in Italië als vanzelf verder. Tijdens de oorlog in de Golf is duidelijk geworden dat Italië niet over een adequaat leger beschikt en daarom gaan er ook in dat land stemmen op om meer naar beroepsmilitairen uit te zien om zo een professioneler leger te krijgen. De legertop vindt dat voor de noodzakelijke modernisering en stroomlijning eigenlijk meer geld nodig is. Er wordt al zeker zes jaar gesproken over modernisering van de defensie, en de plannen hiervoor zijn blijven liggen, veranderd, uitgesteld. Maar minister van defensie Rognoni lijkt er nu ernst mee te willen maken en heeft voor na de zomer een aantal concrete voorstellen aangekondigd.

DUITSLAND - Een van de grootste militaire reducties is doorgevoerd in Duitsland. Minister van buitenlandse zaken Genscher beloofde vorig jaar augustus in Wenen de omvang van de strijdkrachten van het verenigde Duitsland in vier jaar terug te brengen van 540.000 tot 370.000 man. Daarmee leverde hij een substantiële bijdrage aan de totstandkoming van het akkoord voor conventionele bewapening in Europa (CFE), want de grote angst van de Sovjet-Unie is nog altijd een groot Duits leger dat het instrument van een nieuw Duits expansionisme zou kunnen worden.

In de komende jaren zullen 213 van de 688 militaire bases en kazernes in West-Duitsland gesloten worden. De bedoeling is dat uiteindelijk 298.000 man op 475 legerplaatsen in West-Duitsland gelegerd zullen worden en 66.000 man op 142 bases in Oost-Duitsland. De luchtmacht wordt een derde kleiner, de Duitse marine de helft. Het aantal beroepsmilitairen zal ook worden teruggebracht, van 89.600 naar 78.500, en het aantal dienstplichtigen van 208.000 naar 145.000, zo heeft de regering in Bonn begin dit jaar bekendgemaakt. Over de recente daling van de Duitse inspanning maakt de NAVO zich allerminst ongerust. “Door de vereniging van de twee Duitslanden en de integratie van de strijdkrachten van de voormalige DDR waren de kosten tijdelijk gestegen, nu komen ze weer terug op het oude niveau”, zo vat een functionaris de Duitse bijdrage samen.

BELGIË - Veruit de zwakste schakel in het Atlantisch bondgenootschap zijn de Belgen. Ze zijn formeel en informeel al eens door de NAVO bekritiseerd om hun drastische bezuinigingen. Die kritiek heeft er onder andere toe geleid dat de Belgen bij nader inzien toch één brigade in Duitsland houden. Volgens de eind vorig jaar gepubliceerde voornemens zal het Belgische leger teruggebracht worden van 82.706 naar 66.639 man. Minister van defensie Coëme liet toen weten dat bovendien “de graad van operationele beschikbaarheid” wordt verlaagd. Veertien mijnenvegers zullen buiten dienst worden gesteld, de omvang van de luchtmacht wordt beperkt, terwijl de diensttijd is teruggebracht naar acht maanden.

De gevolgen van een en ander is een bezuiniging van tussen de twaalf en vijftien procent op een defensie-inspanning die in de ogen van de NAVO toch al niet veel voorstelt. Militaire deskundigen wijzen er op dat het relatief hoge aantal beroepsmilitairen heeft geleid tot hoge exploitatiekosten, waardoor er in feite geen geld over is voor de aanschaf van nieuw materieel. “Eigenlijk eten de Belgen geleidelijk hun eigen krijgsmacht op”, zegt een ingewijde. De Belgische staf-chef, luitenant-generaal Charlier, verklaarde dezer dagen tegenover het dagblad De Standaard dan ook: “Men moet ons nu de volgende vier, vijf jaar de kans geven om de hervormingen in alle rust door te voeren. Er zijn er nu al die blijkbaar denken aan een nieuwe inkrimpingsorganisatie van het leger, terwijl die nog maar net is goedgekeurd. Dat kan natuurlijk niet. Zo kunnen we niet werken.”

Problematisch zijn in de NAVO ook de inspanningen van de Canadezen. De Canadezen hebben nog geen beslissing genomen over een herstructurering van hun defensie, maar ook zonder die beslissing te kennen omschrijft een militaire deskundige hen als “de klaplopers van de NAVO”. De Denen leveren geen grote defensie-inspanning en zij hebben geen plannen om de omvang daarvan verder te verminderen. Griekenland en Spanje hebben geen verdere reducties gepland, zij het dat Spanje de duur van de militaire-dienstplicht van twaalf naar negen maanden terugbrengt.

Ondanks alle bezuinigingen bij de Europese NAVO-landen krijgen zij een evenrediger deel van de defensielasten te dragen, aangezien de Amerikanen nog drastischer snoeien in hun defensie-uitgaven. De omvang van de Amerikaanse strijdkrachten in Europa gaat terug van 320.000 naar circa 100.000. En het is de vraag of de Verenigde Staten dat aantal op den duur ook niet veel te groot zullen vinden. De reductie is onderdeel van een veel omvangrijker bezuiniging die het aantal Amerikaanse divisies terugbrengt van 28 naar 18 en het aantal marineschepen van 545 naar 451. Dit jaar gaan de uitgaven voor defensie met elf procent omlaag en tot 1995 elk jaar met nog eens drie procent.

IN BRUSSEL is men, ondanks de bezuinigingen die worden doorgevoerd in de verschillende NAVO-landen afzonderlijk, redelijk optimistisch gestemd over de nieuwe opzet van het bondgenootschap. In het NAVO-hoofkwartier is men inmiddels bezig met de zevende versie van het nieuwe strategische concept dat begin november moet worden goedgekeurd op de NAVO-top in Rome. Het document, dat voortborduurt op de uitspraken van de NAVO-top in Londen en de bijeenkomst van ministers van buitenlandse zaken in Kopenhagen, moet medio oktober gereed zijn. Het plan zal, behalve een politiek deel, een concrete uiteenzetting geven van de consequenties van de nieuwe opzet voor de strijdkrachten van de deelnemende landen. In Brussel bestaat de indruk dat de bezuinigingen die de verschillende landen hebben doorgevoerd ook “een redelijke basis bieden voor de opzet van een snelle-interventiemacht”.

Militaire deskundigen tonen zich echter minder enthousiast dan de NAVO-functionaris over de manier waarop de bezuinigingen tot stand worden gebracht. “Een rommeltje is het”, zegt een van hen. Het ontbreekt nog aan een echt strategisch concept, zodat er over de mate waarin je kunt bezuinigen eigenlijk nog niets te zeggen is. Hij constateert dat er “een neiging tot re-nationalisatie van de defensie is. Iedereen gaat zijn eigen gang. Nederland is een van de weinige landen die nog proberen te coördineren”.

Een hoge militair drukt zich wat voorzichtiger uit. “Veel bezuinigingen in de NAVO-landen zijn een voorschot op lopende onderhandelingen.” Hij wijst er op dat het juist in tijden van bezuinigingen van groot belang is om aan specialisatie te doen. Dat betekent dat je bepaalde taken afstoot. Waarom zou Nederland zijn laatste vier onderzeeboten niet overdoen aan de Britten, die er straks na hun reductie nog 16 van de 28 over hebben, zo suggereert hij, om er in één adem aan toe te voegen dat zoiets niet alleen onhaalbaar maar zelfs onbespreekbaar is.

In oktober zal de NAVO de definitieve formuleringen moeten hebben gevonden voor de missie die ze denkt te kunnen volvoeren binnen de nieuwe verhoudingen in Europa. De meeste Europese landen en de Verenigde Staten zijn het er over eens dat de verdragsorganisatie daarin een blijvende plaats dient te hebben. Na hun bijeenkomst in Kopenhagen spraken de ministers van buitenlandse zaken van de lidstaten dat zo uit: “Een getransformeerd bondgenootschap vormt een essentieel element in de nieuwe architectuur van een ongedeeld Europa; wij zijn het er over eens dat het bondgenootschap de flexibiliteit moet hebben om door te gaan met zich te ontwikkelen zoals de veiligheidssituatie voorschrijft”.

Daarbij lijken ze echter om de vraag heen te zijn gelopen wat een militaire en politieke alliantie eigenlijk nog te doen heeft als haar eigenlijke doel is bereikt, namelijk vreedzame verhoudingen tussen de landen in Europa. Veel verder dan de verdediging van het grondgebied van de zestien lidstaten van de NAVO gaat de consensus van de verdragspartners in de praktijk niet. Dat grondgebied wordt niet meer bedreigd en dus zal de betekenis van de NAVO op den duur als vanzelf steeds verder worden uitgehold.

“De NAVO staat voor een lastige keus: interventie of integratie”, zegt een militaire deskundige. “Als je de Oosteuropese landen niet wil integreren in de NAVO, dan zul je een capaciteit moeten ontwikkelen om in geval van een crisis in die landen te interveniëren. Integratie wil de NAVO niet, interventie is onwenselijk. De enig overblijvende optie is dus de NAVO laten opgaan in een systeem van collectieve veiligheid.”

In Kopenhagen bestond aanvankelijk enige opluchting dat de NAVO de slag om het primaat van de Europese veiligheid met ruim verschil won van de Europese Gemeenschap en andere organen als de Westeuropese Unie en de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Daardoor werd de indruk gewekt dat de rol van de NAVO voorlopig veiliggesteld was. Toch zal het steeds moeilijker worden “de fundamentele herziening van de bondgenootschappelijke politieke en militaire strategie”, zoals het in de slotverklaring van Kopenhagen heet, geloofwaardig te maken voor de burgers in de NAVO-landen. De veranderde situatie in Europa heeft de bestaansreden aan de verdragsorganisatie ontnomen, en die werkelijkheid begint steeds meer tot de mensen door te dringen.

Met medewerking van onze correspondenten in de betrokken landen.