"Alles wordt afgekapt; dat is onverdraaglijk'

Dat ouder worden niet altijd een pretje is, zal niemand verbazen. Opmerkelijk is wel dat de ouderdom bij velen een extra dimensie aan de avond van het leven blijkt te geven. Vandaag: oud-cultureel ambassadeur Maarten Mourik

Maarten Mourik (1923). “Die foto is gemaakt ten tijde van mijn pensionering, wat uiteraard een heel diepe cesuur in mijn bestaan was.” De gebalde vuist zou een symbool kunnen zijn van de woede waarmee hij vertrok. “Ik vond en vind het ontzaglijk onrechtvaardig dat je door een zeer willekeurige wettelijke bepaling op een bepaalde leeftijd, op een bepaalde dag die je op die leeftijd brengt met een klik van de computer als het ware wordt uitgeschakeld, wordt uitgesloten buiten het circuit waar je je hele leven hebt rondgedraaid. Buiten de omgeving die jou ook in zeer belangrijke mate zijn stempel heeft opgedrukt, jou identiteit heeft verleend.

“Verder vind ik het maatschappelijk gezien heel dom dat zoveel mensen waarin de maatschappij zo veel heeft geïnvesteerd, financieel en immaterieel, op dood spoor gezet worden en dat er van hun geaccumuleerde ervaring - en je mag ook hopen op een klein beetje wijsheid als saus over die ervaring - helemaal geen gebruik meer wordt gemaakt. Ik vind dat kapitaalvernietiging, maatschappelijke kapitaalvernietiging.”

Achteraf viel het hem mee. “Ja, het is onvoorstelbaar veel beter geworden dan ik gedacht had. Ik bracht een zekere reputatie met me mee als vechter voor het gezicht naar buiten toe van onze cultuur en de rol die daarbij de overheid dient te spelen. De invulling: dat zijn natuurlijk nog steeds de cultuurproducenten, de cultuurscheppenden en de cultuurdragers. Maar de overheid moet de randvoorwaarden scheppen en blijft daarin tot de dag van vandaag in gebreke. Twintig jaar geleden ben ik begonnen mijn ideeën hierover te verkondigen die ik nu wat verfijnd maar in grote lijnen nog steeds verkondig, namelijk dat wij een dam moeten opwerpen tegen de bemoeizucht van de Europese Gemeenschap ten aanzien van onze eigen nationale en regionale cultuur.

“Het is nodig, als je in Europa de kleinere culturen een even grote kans wilt geven als de grotere, om een gedragscode op te stellen - ik heb dat genoemd: een Europees Cultureel Handvest. Twintig jaar geleden was ik daarmee een roepende in de woestijn. Maar nu ben ik zover, dat wanneer het gezelschap dat ik heb opgericht, het Comité Buitenlands Beleid, een manifest aanbiedt aan de staatssecretaris van buitenlandse zaken die belast is met cultuur en aan d'Ancona en Ritzen, dan zijn er acht- `a negenhonderd mensen uit het Nederlandse culturele en academische leven die zo'n manifest ondertekenen.

“Je blijft een Gideonsbende, maar er is toch een groot verschil tussen een roepende in de woestijn of iemand die als het ware Sjors van de Rebellenclub is geworden. Daar komt bij dat ik veel van wat ik vroeger toch echt wel een "waste' van mijn tijd beschouwde, dat ik daar niets meer mee te doen heb. Ik heb natuurlijk nog steeds, en meer dan ik verwachtte, mijn bijeenkomsten, vergaderingen, afspraken voor colloquia, fora en lezingen en de deadlines van artikelen waar je je aan te houden hebt, maar ik heb niet meer die administratieve beslommeringen die onontkoombaar zijn in welk hiërarchisch verband ook. Vroeger moest ik met dikke dossiers naar huis: daar ben ik van verlost.”

Toch balt hij nog steeds zijn vuist en verzet hij zich. Vergeefs, in het geval van de dood. “Voor mij als niet-gelovige, althans, dat heeft er ongetwijfeld mee te maken, is de gedachte dat er een defitief einde komt aan het menselijk bestaan en in casu aan mijn zeer persoonlijke menselijke bestaan altijd onverdraaglijk geweest en gebleven. Ik vind het, om een Griekse term te gebruiken, een "skandolon' dat het ons gegeven is om op een gegeven ogenblik in deze prachtige wereld te verschijnen, dat het ons gegeven is om ons bestaan en het bestaan om ons heen, het universum in zijn verste uithoeken te beleven. Maar dat op een bepaald moment, vroeger of later maar in mijn ogen altijd veel te vroeg, dat wordt afgekapt; dat is iets waar ik geen vrede mee heb. Het gaat me niet om het sterven als fysiologisch proces, dat zal me een zorg zijn, maar het feit dan voor alle eeuwigheid niks meer te zijn, in het niets te verdwijnen: dat is voor mij een onverdraaglijke gedachte.”

Misschien dat hij daarom ook verzen schrijft? Om zolang als hij gelezen wordt nog aanwezig te blijven? “Dat ik ben gaan schrijven heeft inderdaad te maken met de dood en het is een heel persoonlijk verhaal. Ik was aan het begin van mijn loopbaan gestationeerd op Makassar, als heel jong ambtenaar, vice-consul in feite. En kort voordat ik uitgezonden werd, in augustus '51, was ik getrouwd met een meisje dat ik al zes jaar kende. Ik was gaan vliegen, zij kwam met een slow-boat drie maanden na mij aan, tegen Kerstmis. En eind februari, het was de schrikkeldag van dat jaar '52, gingen wij met vrinden uit eten bij een Chinees aan de rand van de stad. Toen we na afloop naar buiten kwamen, werd ons gezelschap overvallen door een stelletje straatrovers. Ik merkte nauwelijks wat er gebeurde, er was wat geschuifel over de grond en een vent die zei “Bukan saya, tuan, bukan saya!” (Dat was ik niet, meneer, ik niet!).

“Maar toen zei mijn vrouw, die dapper haar tasje tegen zich aan had geklemd - een man van weinig gebaren maar dit doet hij voor, schrikachtig hoog tegen zich aan, heel vrouwelijk ineens - "Hij heeft me gestoken!' en ik zag in het halfdonker inderdaad het bloed over haar jurk gutsen. Ze was met een Makassaarse dolk in haar rug gestoken, diep in haar lever bleek later. En ze is op de achterbank van mijn auto, op weg naar het ziekenhuis, gestorven. Ik was dus in no time van een gelukkig jonggetrouwd man weduwnaar geworden en twintig uur later was mijn vrouw al begraven. Dat dat een enorme klap is hoef je nauwelijks toe te lichten. Een klap die je aan de ene kant verdooft, aan de andere kant half gek maakt.

“Ik ben gered, het klinkt gek als ik het zo zeg, door Vestdijk. In de Makassaarse boekhandel vond ik namelijk in die dagen zijn bundel De glanzende kiemcel en hoe verder ik daarin kwam, hoe meer ik gegrepen werd door wat hij over poëzie schreef en ook de techniek ervan. Ik ben toen zelf aan het dichten gegaan en daar zijn, vind ik nog steeds, zeer geïnspireerde en zeer leesbare gedichten uit gekomen die voor mij de ongekende, zeg maar therapeutische waarde hadden dat ze mij uit mijn halve waanzin haalden of daarvan terughielden. Mijn poëzie is in de loop der jaren hoe langer hoe meer van het zeer incidentele van de dood van mijn vrouw afgekomen maar onherstelbaar verlies en de dood als het absolute einde van alles wat je ooit geweest bent en gehad hebt: dat is toch wel een hoofdthema gebleven.”

Voortleven dank zij de poëzie: geldt dat niet ook voor die bruid van toen? “Zij kan niet ouder worden in mijn gedachtenwereld. Als zij was blijven leven was zij nu ook 67, maar ik kan mij haar niet voorstellen als 67. Ik zie haar inderdaad nog, en dat is voor een heel groot gedeelte gebaseerd op de foto's die ik van haar bezit, ik zie haar nog als een heel jonge vrouw.” Maar ook zichzelf ziet hij niet als 67. “Als ik aan mezelf denk, denk ik aan de persoon vanaf zijn vijfde jaar, toen hij zijn eerste herinneringen had, tot op de dag van vandaag en de dag van morgen als je het over je plannen hebt. Het is een continuüm, in feite, een continuüm dat nog heel graag gecontinueerd zou worden.”

Een zeldzame lach. “Het enige dat je aan je leeftijd herinnert is, zeg maar, je verminderde lichamelijke capaciteiten. De kleine kwaaltjes die je krijgt. Ik heb een angina pectoris ontwikkeld, vorige zomer had ik suiker maar dat heb ik weer weg weten te werken. En je voelt je wat eerder stijf van hardlopen of veel lopen. Ik kan ook niet meer hoog klimmen of de gletsjertochten maken die ik toen ik 50 was nog maakte.”

Sinds het overlijden van zijn eerste vrouw is Maarten Mourik tweemaal hertrouwd. “Ja, in zoverre kun je niet spreken van een continuüm. Je begint elke keer weer opnieuw te leven. Je trouwt opnieuw omdat er een bepaalde periode in je leven is afgesloten. Ik ben ook opnieuw gaan leven nadat ik jarenlang met de dood in de schoenen had rondgelopen na een hele kritieke kankeroperatie. Als die niet in Washington had plaatsgevonden maar in Nederland, op dat moment met de toenmalige stand van de wetenschap in beide landen, dan was ik er niet meer geweest. En vanaf die tijd en zeker in die tijd heb ik verschrikkelijk bewust geleefd. Genoten van het leven an sich en van het gegeven dat ik door mocht leven. En een heleboel dingen die zo belangrijk leken als promoties en wat de baas van je zegt: dat wordt dan allemaal volstrekt onbelangrijk. Dat komt wel weer terug helaas. Dat is een soort open plek in het bos die later toch weer wordt overwoekerd door het struikgewas van het dagelijks bestaan. Zoals in dat toneelstuk van Sartre, Les jeux sont faits, waarin mensen de kans krijgen hun leven over te doen. Ze doen precies dezelfde dingen, stommiteiten ook, die ze in hun eerste leven gedaan hadden.”

Foto Michiel Wijnbergh