"Alfa-onderzoek meestal niet slechter dan dat van b`eta's'

ROTTERDAM, 8 AUG. De kwaliteit van het onderzoek in de alfa- en gammawetenschappen doet in het algemeen niet onder voor dat van de b`eta's - ook al werd in 1990 meer dan de helft van de aanvragen voor alfa-onderzoek afgewezen door de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Het beoordelingspatroon van NWO zegt meer over de verschillen in traditie en organisatie tussen de wetenschapsgebieden dan over de kwaliteit van het onderzoek.

Dat zeggen deskundigen uit de verschillende sectoren van het wetenschappelijk onderzoek, in reactie op het onlangs gepubliceerde Jaarboek van NWO. Noch in exacte hoek, noch in die van de alfa's en gamma's wordt het verontrustend gevonden dat zoveel meer onderzoekvoorstellen uit de alfa- en gammawetenschappen worden afgekeurd. In 1990 was volgens NWO van de ruim 720 ingediende voorstellen uit de alfa- en gammahoek meer dan de helft kwalitatief onder de maat, tegen bijvoorbeeld nog geen tien procent van de 360 voorstellen uit de exacte wetenschappen. Daarmee was de situatie in 1990 nauwelijks anders dan vijf jaar eerder.

De voorzitter van het "gebiedsbestuur' exacte wetenschappen van NWO, de Groningse chemicus prof. dr C. Haas, vindt dat niet verbazingwekkend. “In de meeste exacte vakken wordt al zo'n veertig jaar met NWO-beoordelingen gewerkt. Daar kennen de leidende onderzoekers de normen, ze weten vrij goed hoe er wordt beoordeeld en kunnen zelf al betrekkelijk eenvoudig vaststellen welk onderzoek kansloos is. Die projecten worden dus niet ingediend. In de alfa- en gammawetenschappen is die cultuur nog in ontwikkeling, net zoals binnen de exacte wetenschappen bij bijvoorbeeld informatica. Daar moeten de normen nog worden verankerd. Dat vergt een langdurig leerproces.” Van de ruim veertig onderzoeksvoorstellen die informatici in 1990 voor subsidie bij NWO indienden werd, voor alle duidelijkheid, de helft onvoldoende bevonden.

Econoom prof. dr. A. Bosman, lid van het gebiedsbestuur maatschappij- en gedragswetenschappen, is het met Haas eens. Hij wijst erop dat veel stichtingen waarin de verschillende disciplines binnen NWO zijn georganiseerd, binnen de alfa- en gammawetenschappen pas enkele jaren oud zijn. “Het kost enige tijd voordat het duidelijk is welke beoordelingsstandaards door het stichtingsbestuur worden gehanteerd”, aldus Bos. Bovendien zijn onderzoekers in deze wetenschapsgebieden pas het afgelopen decennium bewust op zoek gegaan naar extra geld, waarbij ze elkaar beconcurreren bij de verdeling van de verschillende fondsen. Daarbij is NWO niet de enige en ook al lang niet meer de grootste aanvullende financier. NWO financiert ongeveer 15 procent van het onderzoek, maar departementen en (semi-)overheid, het bedrijfsleven en particuliere "collectefondsen' zoals de Hartstichting - de zogeheten "derde geldstroom' - nemen op dit moment al 25 procent van het universitaire onderzoek voor hun rekening. Een percentage dat nog steeds stijgt.

De "vlucht' naar de derde geldstroom baart Boskamp en Haas wel enige zorg. Volgens Boskamp is het begrijpelijk dat sommige onderzoekers naar de derde geldstroom uitwijken. De bedragen die NWO voor het alfa- en gamma-onderzoek beschikbaar heeft zijn immers relatief gering, de kans dat een goede onderzoeker subsidie verwerft is niet erg groot. Voor het economisch onderzoek heeft NWO bijvoorbeeld jaarlijks iets meer dan twee miljoen gulden beschikbaar, terwijl ongeveer 1.200 economen bij de Stichting Ecozoek zijn aangesloten. Dat er niettemin in 1990 maar zo'n veertig aanvragen voor subsidie werden ingediend is volgens Bosman behalve aan de opbouwfase waarin Ecozoek nog verkeert, ook te wijten aan het relatieve gemak waarmee onderzoekers kunnen "scoren' in de derde geldstroom. “Maar als je succes hebt in de tweede geldstroom, en in 1990 werden tien nieuwe projecten gehonoreerd, wordt dat wel als een soort erkenning van je kwaliteit beschouwd.”

Haas meent dat de tweede geldstroom, het geld dat NWO verdeelt, voor de universiteiten belangrijker is dan de derde. “Van veel contractonderzoek kun je je afvragen of het voor de universiteit eigenlijk wel interessant is, of je er iets van kunt leren.” Toch heeft Haas ook zorgen over de tweede geldstroom: “Er bestaat de neiging het geld te veel te verdelen over allerlei stimuleringsprogramma's, aparte fondsen en zo. Er ontstaat een lappendeken die alleen maar tot extra bureaucratie leidt - daar is niemand bij gebaat.”