"Alcoholplan' zet privacy zwaar onder druk

AMSTERDAM, 8 AUG. De consultatiebureaus voor alcohol en drugs (CAD) hebben een contract gelanceerd voor de behandeling van mensen met drankproblemen in de arbeidssituatie. Het is een driehoeksovereenkomst tussen de betrokken werknemer, de hulpverleners en de werkgever. Een voornaam onderdeel van de afspraak is voortgangsrapportage over de behandeling door het CAD aan de werkgever. De werknemer hoeft zich echter niet ongerust te maken, aldus het CAD, want een en ander valt “onder de bescherming van de Wet Persoonsregistraties (WPR)”.

Die bescherming stelt op deze manier echter weinig voor. Het probleem met de WPR is nu net dat de wettelijke privacy-waarborgen in verregaande mate opzij kunnen worden geschoven met toestemming van de betrokkene. De WPR eist dat deze toestemming uitdrukkelijk, gericht en geïnformeerd is, maar passeert de kernvraag: hoe vrij is iemand toestemming te weigeren? De situatie waarin een werknemer bij een CAD belandt is niet vrijblijvend. Alcoholproblemen - althans de weerslag daarvan op het werk - kunnen in beginsel zelfs een reden tot ontslag vormen.

Aandrang hulp te zoeken - en daar de hand aan houden - is volstrekt legitiem. De hulpverlening zelf is echter een bij uitstek vertrouwelijke aangelegenheid die de bemoeienis van zelfs de meest sociale werkgever te buiten gaat. Natuurlijk kan diens betrokkenheid voordelen hebben, maar als puntje bij paaltje komt is zijn belang (en verantwoordelijkheid) toch een ander. Als de hulpverlening zelf allang met succes is afgesloten kunnen de aantekeningen in het personeelsdossier nog nawerken. Daar zegt het CAD-contract niets over en de bescherming die de WPR heet te bieden is in sterke mate afhankelijk van zelfregulering door de betrokken werkgever. En dan nog moet maar worden afgewacht of bijvoorbeeld verzekeraars of kredietverleners niet op de hoogte zijn gebracht. Dit nog afgezien van de omstandigheid dat werkgevers in toenemende mate fungeren als doorgeefluik naar allerlei (semi)overheidinstellingen. Volgens conservatieve schatting gaan er in ons land elk jaar 290 miljoen “nominatieve berichten” om in het sociale- zekerheidscircuit. Deze sector is krachtens de stelselwijziging bovendien bezig om te schakelen van een registratiesysteem per geval naar een meer integrale - en indringende - persoonsgebonden registratie.

In het geval van de CAD's gaat het om persoonsinformatie die al gauw als gevoelig dient te worden aangemerkt. Landen als Zweden en Denemarken hebben dat ten aanzien van alcohol- en drugsproblemen ook uitdrukkelijk in hun privacywet geschreven, Nederland niet. Maar het lijdt weinig twijfel dat een CAD-contact valt onder de wel erkende categorie “medische of psychologische gegevens en intiem levensgedrag”. Internationaal is aanvaard dat gevoelige persoonsgegevens extra bescherming vereisen. Ons land heeft ook een speciale regeling in de maak. De betekenis daarvan is nog niet helemaal duidelijk. Uitgangspunt is dat gevoelige gegevens alleen mogen worden opgenomen wanneer dat “evident” is. Dat kan natuurlijk naar verschillende kanten worden uitgelegd. Andere landen eisen een “speciale (dringende) reden” om gevoelige gegevens vast te leggen. In elk geval kan ook de bescherming van gevoelige gegevens opzij worden gezet met toestemming van de betrokkene.

Een reden om daar in het geval van CAD-bemoeienis zwaar aan te tillen is dat de privacy van de werknemer toch al onder druk staat. De arbeidsverhouding is met reden een schoolvoorbeeld van de privacy-problemen genoemd. De betrokken partijen (personeelszaken, individuele werknemers, ondernemingsraad) hebben zeer uiteenlopende verwachtingen. De moderne werkplek is bovendien zeer informatie-intensief. Tekenend is de titel van een studie in opdracht van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid: "De electronische schaduw' (1989). Deze beschrijft zogeheten “personeelsvolgsystemen”, die gedrag en prestaties van werknemers langs elektronische weg controleren. Ze variëren van telefoonbewaking en tijdsregistratie tot video-monitoring en complete produktiebewakingssystemen. Dit soort toepassingen zijn in ons land alleen al van 1987 op 1988 in aantal verdubbeld. Ze worden steeds nauwgezetter. Gerichte waarborgen ontbreken veelal: slechts 18 procent van de bedrijven in het onderzoek bleek een privacyregelement te hebben, bijna even vaak (17 procent) moest de privacybescherming het hebben van de “bedrijfscultuur”.

Deze achtergrond van een in toenemende mate “glazen werknemer” mist zijn uitwerking op de hulpverlening niet. Het gevaar bestaat dat elektronisch geconstateerde afwijkingen steeds snelller worden geproblematiseerd c.q. gemedicaliseerd. Dat geldt niet alleen voor de CAD's, maar raakt ook steeds meer de bedrijfsgeneeskunde. Zo begint ter preventie van arbeidsongeschiktheid een stelsel van “geïntensiveerde gevalsbehandeling” op gang te komen dat weinig boodschap heeft aan de traditionele scheiding van sferen tussen GAK, bedrijfsvereniging, Gemeenschappelijke Medische Dienst, bedrijfsgeneeskundige dienst, management, de afdeling Personeelszaken en de Ondernemingsraad.

Volgens een onderzoek van Ch.J.Lakoo uit 1988 huldigt trouwens nog slechts 28 procent van de huisartsen de gulden regel dat zij nooit zonder uitdrukkelijke toestemming van hun patiënt informatie aan derden verstrekken. Dat heeft er zeker mee te maken dat bedrijfs- en verzekeringsartsen zo gemakkelijk inlichtingen vragen. Er is wetgeving in de maak (de wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst) die deze nieuwsgierigheid onder de vlag van medische collegialiteit moet beperken. Met name wat de privacy betreft worden niet-behandelende medici gelijkgesteld aan behandelende. Op het vlak van alcohol en drugs heeft de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor de Geneeskunde eerder dit jaar ook al krachtig stelling genomen tegen de trend naar Amerikaans voorbeeld van steekproefsgewijze controle aan de bedrijfspoort, die al gauw het voorland is van het CAD-contract.

Terecht waarschuwde de KNMG dat de bedrijfsgeneeskunde weliswaar mede ten dienste van derden (het bedrijf) staat en ook controlerende aspecten heeft, maar dat de bedrijfsarts ten aanzien van individuele werknemers gewoon gebonden is aan het medisch geheim. Random testen is daarmee in strijd. Met dergelijke hand- en spandiensten zet de bedrijfsgeneeskunde haar hele vertrouwenspositie op het spel. De parallel met het CAD is duidelijk.