Advies van onderzoekers aan WVC: "Filmfondsen moeten strenger oordelen'

AMSTERDAM, 8 AUG. Het Productiefonds en het Fonds voor de Nederlandse Film (Filmfonds) zouden de hen ter beschikking staande subsidies minder "gelijk' moeten verdelen over een groot aantal producenten en regisseurs. De scheiding in twee fondsen zou heroverwogen moeten worden, evenals de rol van de twee door de televisie gevulde produktiefondsen (Stimuleringsfonds en COBO-fonds). Dit zijn enkele van de aanbevelingen in het evaluatierapport "De Filmfondsen in de jaren tachtig", opgesteld door het onderzoeksbureau Driessen in opdracht van de minister van WVC.

Het Productiefonds kende van 1980 tot 1988 vierentachtig films een bijdrage toe, waarbij drieënvijftig regisseurs en tweeëndertig producenten betrokken waren. De gemiddelde subsidie per bioscoopbezoeker van deze films bedroeg 2,78 gulden. De produktiekosten in deze periode zijn sterk gestegen, terwijl de belangstelling voor Nederlandse films nog sneller afnam dan die voor buitenlandse films. Vooral om die laatste reden heeft de privésector (distributiegaranties, participaties van investeringsmaatschappijen) zich de laatste jaren enigszins teruggetrokken. Volgens het rapport is het “absoluut noodzakelijk dat het vertrouwen in de Nederlandse film bij de commerciële wereld hersteld wordt”. Daarom zal het Productiefonds al het mogelijke moeten doen om een aantal publieksfilms geproduceerd te krijgen.

Het rapport plaatst enkele kanttekeningen bij de “financiële, commerciële en productionele know-how' van het bestuur van het Productiefonds en de beoordelingscommissies van het Filmfonds. Ook zijn er aanwijzingen dat de acceptatie van het Productiefondsbestuur, onder voorzitterschap van Jan Blokker, bij de filmwereld “niet optimaal” is.

Naar de mening van de onderzoekers houdt het Productiefonds te weinig rekening met de staat van dienst van de producent en de regisseur van een subsidie vragend project. Volgens de notulen heeft 61% van de argumenten in de bestuursvergaderingen betrekking op de kwaliteiten van het scenario.

Terwijl begin jaren tachtig een Nederlandse film gemiddeld vier keer zo veel bezoekers trok in de bioscoop als een buitenlandse, brachten in 1989 en 1990 Nederlandse films gemiddeld minder op dan geïmporteerde.

De kijkcijfers voor Nederlandse films op televisie liggen constant hoger dan voor ondertitelde films, maar de waardering is gemiddeld lager. Een vergelijking van de waardering door Nederlandse critici, zoals die tot uiting komt in de kruisjes van de rubriek "Mijn mening' in De Filmkrant, toont geen enkel verschil aan tussen Nederlandse en buitenlandse films. Nederland neemt onder de kleinere Europese landen een middenpositie in wat betreft de selectie door internationale filmfestivals, met name door de gunstige waardering voor korte (animatie)films en kinderfilms.

De aanbeveling dat de fondsen meer geld zouden moeten verdelen onder minder mensen strookt met de Filmbrief die minister d'Ancona in januari publiceerde. De toekomst van het functioneren van de twee filmfondsen is op dit moment punt van bespreking door de minister, de fondsbesturen en "het veld', waarbij een mogelijke samenvoeging van beide instanties niet uitgesloten wordt.

Ook de mogelijkheid een automatische beloning te geven aan producenten en regisseurs van films die veel bezoekers hebben getrokken, keert zowel in de brief van de minister als in het in haar opdracht geschreven evaluatierapport terug.

Overigens concludeert het rapport-Driessen dat beide fondsen zich consciëntieus wijden aan hun taak: “Nergens is gebleken dat men vrijgevig, willekeurig of onzorgvuldig met de overheidsgelden omspringt”.