Tsjechische verwondering in de mijnstreek

Anna Kaderobkova loopt zonder op of om te kijken door het centrum van Heerlen. De gevulde vitrines van de banketbakker, de mooi aangeklede etalages van een warenhuis - deze fraaie uitstalling aan consumptiegoederen, nu eindelijk binnen handbereik, laat haar onverschillig. Zelfs de Italiaanse lunch, zojuist op een zonnig terras genoten, had ze gedachteloos naar binnen gewerkt. Alleen de schaal gemengde salade, kleurrijk versierd, ontlokte een vreugdekreetje.

Ze heeft alleen een mooie, handzame cassetterecorder gekocht, maar die diende een hoger doel, het vastleggen van wat ze hier het meest begeerde goed vindt: informatie. Met de recorder in haar tas is ze nu op weg naar het Raadhuisplein, naar het gebouw van de Kamer van Koophandel.

Anna Kaderobkova arriveerde een maand geleden in Nederland, met een bus uit Praag, op uitnodiging van de vorig jaar opgerichte Jan Patocka Stichting. De Stichting, met als drijvende kracht Martin van den Heuvel, en als voorzitter Max van der Stoel, beoogt de Tjechoslowaakse democratie te steunen door beurzen te verstrekken aan jonge wetenschappers. De bedoeling is dat de "fellows' hier praktische kennis opdoen, te gebruiken bij het democratiseringsproces in eigen land. De eerste drie beurzen zijn uitgedeeld, onder anderen aan econome Anna Kaderobkova.

De vakgroep economie van de Katholieke Universiteit Limburg heeft zich ontfermd over Anna Kaderobkova. Ze heeft er een kamer, maar vermoedelijk kennen alleen de schoonmakers haar. Als ze er werkt, is het 's avonds. Overdag doorkruist ze Oost-Limburg, is ze op bezoek bij bedrijven, lokale overheden, of projectbureaus. Haar onderwerp: de kolenmijnen. Of liever gezegd: de sanering en reconstructie van de voormalige mijnstreek.

“Ik geef niks om theoretische kwesties. Ik houd me het liefste bezig met onderwerpen waarmee ik een directe relatie heb.” Het verklaart haar belangstelling voor de mijnen. Ze is geboren en getogen in Noord-Bohemen, een streek beheerst door kolenmijnen en zware industrie, het meest vervuilde gebied van Europa. Anna K., verbonden aan het Instituut voor Sociale en Economische Wetenschappen in de stad Usti, hoeft thuis alleen maar het raam open te doen en ze ziet en ruikt haar onderzoeksobject.

Ze heeft in Heerlen de hand weten te leggen op een veertig minuten durende videofilm over de reconstructie van Oost-Limburg, een moment van puur geluk. “Ik kan er lezingen mee geven, laten zien wat er te doen valt.” De video is een lofzang op techniek, organisatie en vooruitgang; mijnschachten, steenbergen en slikvijvers verdwenen, een paradijselijk woon-, werk-, en recreatiegebied verscheen. Oude Tsjechische propagandisten zouden er hun vingers bij aflikken. Anna K. vindt het prachtig. Nooit kon ze informatie uit het buitenland halen, “alleen al de gedachte dat de kapitalisten het beter zouden weten...” Nu sleept ze alles mee waar ze de hand op kan leggen.

Al even verheugd is ze over het wijdverbreide bestaan van de talrijke "afdelingen voorlichting'. Een prachtuitvinding, concludeerde ze. “Ik licht de hoorn van de haak, zeg twee zinnen en word meteen doorverbonden met de juiste persoon.” Zacht juicht ze voort: “De mensen hier weten waar ze het over hebben, ze zijn competent en onafhankelijk. Ik bewonder die spirit. Bij ons voer je half-slapende gesprekken, ze weten van niks en durven nooit eens een mening te geven.” En dan de fysieke verschijning, het klinkt frivool, maar zo bedoelt ze het niet. “De mannen hier hebben mooie pakken aan. Dat maakt indruk.” In Tsjechoslowakije, ze komt er regelmatig op terug, zit geen man lekker in het pak.

Anna Kaderobkova, met haar tomeloze energie en werklust, is eigenlijk een selfmade econoom, en een bijzonder geval van onafhankelijkheid. Zestien was ze toen ze apart van haar ouders ging wonen. Ze wilde studeren, maar ze beschikte niet over een, zoals ze zelf zegt, goede achtergrond. Haar vader was actief geweest tijdens de Praagse lente. Jaar na jaar kreeg ze een afwijzende brief van de universiteit. Ze trad in dienst bij een firma die "kapitalistische boeken' importeerde. Ze klom omhoog, werd er hoofd, reorganiseerde de hele zaak, en toen ze daarmee klaar was, verveelde ze zich. Ze was 21. Ze besloot geld en positie op te geven om manusje van alles te worden op het Instituut voor Sociale en Economische Wetenschappen. Ze studeerde hard en las veel, ook in vreemde talen, leerde met een computer omgaan, en verrichtte hand- en spandiensten voor de onderzoekers. Binnen een paar jaar deed ze zelfstandig onderzoek. En in 1988, na de dood van haar vader, mocht ze dan eindelijk studeren.

Hard werken wordt altijd beloond; Anna Kaderobkova gelooft er heilig in. “Alles wat ik nu bereikt heb, dank ik aan mezelf, ik ben niemand iets verschuldigd. Ik had geen politieke vrienden, het enige wat ik kon doen was hard werken.” En ze prijst zich gelukkig dat ze in perioden van depressies en wanhoop toch is doorgegaan. “Ik ken mensen die destijds de moed hebben opgegeven, zich geheel naar binnen hebben gekeerd, en daar nu niet meer uit kunnen komen.”

Met een adres in de hand staat ze op het Raadhuisplein van Heerlen. De Kamer van Koophandel is gehuisvest in een fraai gebouw. De "coördinator ondernemingshuis' ontvangt in hemdsmouwen vanwege de hitte. Het zelfregulerende systeem van luchttoevoer werkt niet. Anna Kaderobkova herkent het fenomeen. “Dat heet bij ons verschil tussen theorie en praktijk.”

“Zoals u misschien weet”, opent ze het gesprek, “is de Kamer van Koophandel in Tsjechoslowakije een volstrekt onbekende instelling.” Bijna anatomisch nauwkeurig laat ze zich de zaak uitleggen. Ze wil gegevens van allerlei bedrijven. “Het is misschien een stomme vraag, ik kom van een ander systeem, maar is alle informatie daarover vrij verkrijgbaar?” De woordvoerder haalt een bundel jaarverslagen, Anna K. kust dankbaar de lucht. Ze vraagt hem naar de mijnsluitingen van destijds. Was er geen verzet? Ze denkt aan het machtige, gesloten bolwerk van het Noordboheems mijnwerkerskorps. “Nee hoor, dat hield de kerk tegen”, antwoordt hij. “Bovendien had de overheid allerlei beloftes gedaan over vervangende werkgelegenheid. En verder was de vakbeweging hier zeer zwak.” Monter: “Nog steeds trouwens. Voor ons een belangrijk selling point bij het aantrekken van buitenlandse bedrijven.” De rol van de kerk begrijpt ze niet goed, kan hij dat nog eens uitleggen? De coördinator doet het met zichtbaar genoegen en met verve, en besluit met: “Dus de mijnindustrie zorgde voor het werk, de roomskatholieke kerk voor de rest.”

Als hij de kamer verlaat om frisdrank te halen, blijkt ze geheel épris van de man in hemdsmouwen. Fluisterend: “Hadden wij maar mensen zoals hij, dan zou ik niet bang zijn voor de toekomst.” Zelfstandig denken was nooit nodig, vervolgt hij even later - Anna K. hangt aan zijn lippen. “Dat wreekte zich toen de mijnen dichtgingen. De streek was initiatiefloos, zonder fut, niemand hier ondernam iets ten behoeve van nieuwe bedrijvigheid.” Anna Kaderobkova knikt zorgelijk.

Later, bij een glas pils, zegt ze: “Bij ons zie je dat ook. De mensen zijn niet gewend om zelf iets te ondernemen. Het gaat economisch niet goed, de zekerheid van een baan is er niet meer, maar men doet niets, de mensen wachten af, zijn teleurgesteld of depressief, en ze klagen, God, wat wordt er geklaagd, ik haat dat!” Ze mijmert wat over de begintijd na de revolutie. “Ik zeg wel steeds revolutie, maar eigenlijk heb ik een hekel aan dat woord.” Mooie tijden waren dat, iedereen was aardig, spontaan en vol hoop. Nu, zegt ze, overheerst weer chagrijn en sikkeneurigheid. “De gewone mensen klagen en de intellectuelen zijn depressief.”

Er zijn uitzonderingen. Ze bezocht onlangs de eerste geprivatiseerde firma in Tsjechoslowakije, een glasfabriek, en sprak er met een van de managers. “De man was enthousiast en vastbesloten, hij had concrete ideeën over de toekomst. En hij was niet eens in het buitenland geweest!” En, zo voegt ze er ernstig aan toe: “Zijn pak zat ook goed.”