Schilder Nour-Eddine Jarram: 'Ik wil niet in een museum als allochtoon schilder'

De Marokkaanse schilder Nour-Eddine Jarram verruilde Casablanca voor Enschede. Want: “De schilderkunst is in hoofdzaak een Westerse aangelegenheid”. In de zomerserie komen dit jaar buitenlandse kunstenaars die in Nederland wonen en werken aan het woord. Dit is de zesde aflevering.

Met een voor Marokkaanse begrippen riante beurs van vierhonderd gulden voor een vervolgstudie aan een Westerse kunstacademie stond Nour-Eddine Jarram (Casablanca, 1956) in 1979 met vier collega-studenten van de Ecole des Beaux Arts in Casablanca op Schiphol. Hij wilde naar de AKI (Academie voor Kunst en Industrie) in Enschede, om zijn kunstopleiding af te ronden. Maar de douane vond vierhonderd gulden wel wat weinig.

“Het heeft ons een jaar gekost voor we via advocaten alles geregeld hadden en mochten blijven. Toen konden we pas echt aan de kunstopleiding beginnen,” zegt Nour-Eddine. Zijn droom werd werkelijkheid: leven in het land waar Rembrandt vandaan komt.

Geen alledaagse droom voor een jongetje uit de arme buitenwijken van Casablanca. “Ik ben opgegroeid in een groot gezin, uiteraard in de Marokkaanse, islamitische cultuur,” vertelt Nour-Eddine. “Mijn vader was er eigenlijk tegen dat ik een kunstopleiding ging volgen. Hij was wel heel trots als ik een mooi portret getekend had, maar eigenlijk hoort het niet in de islamitische traditie. Het scheppen, afbeelden is alleen aan God voorbehouden. Als je iets moois wilt maken moet je calligraferen, Gods woord fraai weergeven, daar leg je eer mee in. Maar zo lang als ik me kan herinneren heb ik getekend. Dat was al moeilijk, want papier was schaars, eigen potloden had je niet, en een eigen kamer had ik ook niet. Ik maakte tekenend mijn eigen wereld. Eigenlijk is dat nog zo. Je kunt je niet voorstellen hoe ik er van geniet als ik op mijn eigen atelier rustig werken kan. Mijn werk mag door iedereen gezien worden, maar ik werk graag alleen.”

Die rust bevalt hem ook in Enschede, waar hij sinds zijn komst in Nederland woont, tegenwoordig met zijn (Nederlandse) vrouw en twee dochters. Van de oudste dochter, Jasmijn, 6 jaar, hangt een vrolijk in olieverf geschilderd zelfportret aan de muur: “Concurrentie van mijn dochter”, zegt Nour-Eddine lachend.

Dat hij in Enschede woont lijkt geen belemmering te zijn geweest om tot het kunstciruit in de Randstad door te dringen. Sinds hij zijn opleiding aan de AKI voltooide, midden jaren tachtig, exposeert hij regelmatig in de Amsterdamse galerie The Living Room. Aanvankelijk maakte hij abstracte pasteltekeningen, met soms geheimzinnige, versluierde, landschappelijke vormen. Hij verwerkte af en toe ook Arabische gecalligrafeerde lettertekens in de tekeningen.

Tegenwoordig maakt hij figuratieve schilderijen, die veel explicieter de confrontatie tussen de Westerse en de Noordafrikaanse cultuur als onderwerp hebben.

We zien Aladin die zijn oude wonderlamp verruild heeft voor een Westers elektrisch schemerlampje (Aladin's Choice). We zien Ingres' beroemde haremschilderij achter een Marokkaans hekwerk met de begeleidende tekst: Le Harem Colonial. Jarram beziet zowel zijn eigen Noordafrikaanse cultuur, als de Westerse visie op zijn Arabische achtergrond kritisch.

“Ik beschouw mezelf als Westers kunstenaar. De beeldende kunst van de laatste eeuw is een Westerse aangelegenheid. De docenten op mijn opleiding in Casablanca, die in Parijs hadden gestudeerd, gingen daar ook van uit. Ik werd geconfronteerd met Picasso, Rodin, Michelangelo. We kregen op een klassieke Westerse manier schilderles: gipsen beelden natekenen, portret schilderen. Wat die jongens van kunstenaarsgroep After Nature (Peter Klashorst e.a.) nu doen, naakten schilderen, dat deed ik op de academie in Casablanca allemaal.”

Vanuit die achtergrond was het logisch om in het Westen zijn kunstenaarsopleiding te voltooien. Parijs trok hem niet, het werd het land van Rembrandt, Mondriaan en Van Gogh. Zijn docent Martin van Vreden introduceerde hem bij galerie The Living Room.

“Mensen vragen altijd: ga je niet in Amsterdam wonen, als modern kunstenaar? Maar dat wil ik niet. Ik hou niet van de meute. En bovendien: twee uur met de trein en je bent er. Dat vind ik niet ver. Ik ben afstanden als Tanger-Casablanca gewend.”

Aanbiedingen voor exposities in bijvoorbeeld het Tropenmuseum slaat hij af. “Ik wil niet in een volkenkundig museum hangen als allochtoon schilder, als exotisch iemand. Ik heb natuurlijk een Marokkaanse, islamitische achtergrond. Ik probeer die te koppelen aan de actuele Westerse kunstgeschiedenis. Daar maak ik deel van uit.”

''Veel mensen dachten dat ik abstract werkte omdat ze denken dat de islam het maken van afbeeldingen verbiedt. Maar dat is niet zo. De islam verbiedt dat niet echt. Het was op dat moment gewoon mijn manier om iets van mijn geheim te laten zien. Maar ik heb de behoefte om duidelijker over mijn achtergrond, over mijn visie op beide culturen te zijn. Daarom ben ik figuratief gaan werken. Ik combineer in een schilderij de kruisweg die Jezus aflegde en het hoedje dat je bij je besnijdenis krijgt als islamitisch jongetje,'' vertelt Nour-Eddine Jarram.

“Mijn zuster, die ook in Nederland woont, vindt mij 'verwesterd'. Maar dat is niet zo. Ik geloof dat ik bewuster nadenk over de Marokkaanse cultuur, dan veel van mijn landgenoten hier. Zij hebben soms een kritiekloos nationalisme, maar kopen bij voorbeeld Chinees porselein omdat dat sjiek Westers is, terwijl ze het uitstekend en mooi Marokkaans aardewerk de deur uit doen als waardeloos.”

Jarram heeft een hekel aan wat hij noemt 'al die heisa over buitenlandse kunstenaars'. Toch nam hij deel aan de recente expositie over buitenlandse kunstenaars in Nederland 'Het Klimaat'. En in Tilburg nam hij deel aan de expositie 'Double Dutch' samen met de Nederlander Hugo Kaagman, die zich in zijn sjabloon-schilderijen duidelijk door de Arabische cultuur geïnspireerd toont. Ze maakten als aardigheidje een dubbelportret: Hugo in een Marokkaanse omgeving en Marokkaanse kledij, Nour-Eddine als een soort Jan Cremer tussen de tulpen (“Van oorsprong Turks!”), met op de achtergrond een meisje in Volendamse klederdracht.

Drie jaar geleden kreeg Nour-Eddine Jarram, als eerste allochtoon, een koninklijke subsidie voor de schilderkunst. “Ik moet toegeven, ik zag er wel tegen op, de koningin te ontmoeten. Marokko is ook een koninkrijk, maar de koning daar is een onbereikbaar iemand. Een politie-agent of een burgemeester is daar al een halfgod.” Zijn zenuwen waren ongegrond. De koningin was erg vriendelijk en belangstellend. Het was de voorlopige bekroning van zijn droom om kunstenaar te worden in het land van Rembrandt.