"Ook ik heb in mijn carri`ere een paar gele kaarten gehad'; In Engeland komen zelfs de jeugdspelers met hun problemen bij de captain

Heini Otto noemt zichzelf een “doe-aanvoerder”. De 36-jarige speler van FC Den Haag moet het in het veld niet hebben van zijn aanwijzingen aan ploeggenoten. Hij is niet zo'n prater en bovendien is zijn positie als spits niet erg gunstig om de collega's te vertellen hoe en waar ze de bal moeten spelen. “Achterin of op het middenveld”, weet Otto, “heb je meer overzicht. En ik bevind me meer vóór dan achter de bal.”

Volgens Heini Otto bestaat er geen ideale plaats in het elftal voor een aanvoerder. “De keeper? Die staat weer te ver van zijn aanvallers af.” Het gaat, zegt de routinier, om de persoon en niet om de positie. Otto wil door veel werk in het veld te verzetten een voorbeeld zijn voor zijn medespelers. Vandaar dat doe-aanvoerder. “Ik hou er niet van anderen dingen voor mij te laten doen. Ik doe het liever allemaal zelf. Ik loop dat metertje meer wel, ik zoek bij de training die bal in de bosjes wel.”

Otto speelde vier seizoenen in de Engelse competitie, bij Middlesborough. Overzee kijken ze bij een vereniging tegen de aanvoerder, de skipper, op. Hij is een persoon van aanzien. “In Engeland komen bijvoorbeeld zelfs de jeugdspelers naar de aanvoerder toe als ze problemen hebben. Hier gaan ze meestal rechtstreeks naar de trainer.” Volgens Otto is de functie van captain in Engeland een erebaan. “En zo beschouw ik mijn aanvoerderschap bij Den Haag ook.”

Zelf was hij één keer skipper in Engeland, in de laatste wedstrijd van zijn derde seizoen bij Middlesborough. Het gold als een beloning voor het feit dat Otto bij een verkiezing van een plaatselijk radiostation tot speler van het jaar was uitgeroepen. Hij kan het zich nog als de dag van gisteren herinneren. Huddersfield was de tegenstander. “Het heeft wel indruk op me gemaakt, ja. Ik liep toen als eerste het veld op en moest wat handjes schudden. Meer zat er eigenlijk niet aan vast. Nee, ik had geen band om. Die werd daar toen nog niet gebruikt.” Tegenwoordig moet een aanvoerder in elk land duidelijk herkenbaar zijn. “Ik vind dat dat wel met een echte band om de arm moet gebeuren, geen stukje tape. Een touwtje of een veter is ook niets. Het moet er een beetje uitzien.”

In Engeland is meestal de oudste speler van de selectie de aanvoerder. Heini Otto, aan zijn laatste seizoen in het profvoetbal begonnen, is de oudste bij FC Den Haag, over een paar weken wordt hij 37 jaar. Hij volgde drieëneenhalf jaar geleden Martin Jol als captain op. Daar kwam geen verkiezing aan te pas. Het ging eigenlijk vanzelf. “Maar”, oordeelt Otto, “ik zou het vervelend vinden als ik alleen op grond van mijn leeftijd aanvoerder zou zijn. Ik geloof ook niet dat dat het geval is.” Over het algemeen zijn het de ouderen in het voetbal die het aanvoerderschap bekleden. Er zijn uitzonderingen. Otto noemt Johan Cruijff en Diego Maradona. Zij kregen al op zeer jonge leeftijd de band om de arm. Otto: “Als zo'n speler zulke grote kwaliteiten heeft, ook als leider, en de selectie respecteert dat dan is er niets aan de hand. Dan speelt leeftijd geen rol. Je zag wat er gebeurde toen ze destijds bij Ajax Cruijff als aanvoerder wegstemden. Dat werd geen succes.”

Otto is van mening dat aanvoerders een positieve bijdrage kunnen leveren aan de sportiviteit in het veld. “Ik kan moeilijk de hele wedstrijd met een bos bloemen in mijn hand gaan lopen, maar je kan wel proberen met z'n drieën, de scheidsrechter én de twee aanvoerders, de wedstrijd als het ware te leiden. Dus je moet zo'n man helpen en niet elke beslissing van hem met veel geschreeuw aanvechten.” Otto zal, zegt hij, nooit een tegenstander “een kaart aannaaien”. “Geel is geel en rood is rood, natuurlijk. Alleen moet je de dingen niet erger maken dan ze zijn.”

Heini Otto aarzelt ook niet om een incident tussen een scheidsrechter en een speler te sussen als het een tegenstander betreft. “Waarom niet? Als zo'n speler geel krijg heb je er op dat moment als tegenpartij toch niets aan.” Hij heeft weleens gehoord dat de scheidsrechters hem “een gentleman-voetballer” vinden. Hij weet niet of zijn correcte houding tegenover de arbitrage FC Den Haag weleens voordeel oplevert. “Misschien helpt het, bij grensgevallen of zo. Ik doe het er in ieder geval niet om. Ik ben mezelf en als mijn club daar voordeel van heeft is dat mooi meegenomen.” “En”, vertelt hij bijna op verontschuldigende toon, “ook ik heb in mijn carri`ere een paar gele kaarten gehad.”

Otto zegt als aanvoerder bij FC Den Haag vooral “een vertrouwenspersoon” te willen zijn voor spelers en trainers. “Ik wil zonder te slijmen bij iedereen in een goed boekje komen. Dat werkt makkelijker.” Hij wil representatief voor de club zijn. “Je kan het als aanvoerder niet maken om als een hoeretoeter rond te lopen.” FC Den Haag heeft in Otto zonder meer een keurige captain. Hij drinkt en rookt niet, ziet er verzorgd uit en zal nooit negatieve uitlatingen over zijn club doen. Hij wordt dan ook vaak als “lieve en aardige jongen” omschreven. “Dat ben ik, maar ik laat ook weer niet over me heen lopen. De trainer zegt wel eens dat ik die jonge gasten meer op hun donder moet geven. Dat mag ik doen in mijn positie. Maar zo ben ik niet. Ik blijf ook na een fout van iemand positief. Kom op, jongen, straks gaat 'ie beter. Hij doet het toch niet expres.”

Problemen met de trainer zal Otto ook niet krijgen. Hij zal zich bijvoorbeeld nooit met de opstelling bemoeien. “Ik zou het zelfs weigeren als mijn mening werd gevraagd.” Otto maakt wel een duidelijk onderscheid tussen opstelling en speelwijze. “Over dat laatste wordt wel met de spelers gesproken. Dat was bij Pim van der Meent zo en nu ook bij Co Adriaanse. Dat verloopt overigens zonder problemen want iedereen bij ons staat achter de kerstboom (aanduiding van de taktiek die Den Haag vaak speelt, red).” Otto zal pas in de hoogste nood aan de bel trekken bij de trainer. “Dan moet het een echte onbenul zijn die ons met acht spitsen laat spelen.”

Otto weet dat het in de voetballerij wel regelmatig voorkomt dat spelers invloed hebben op de keuzes van trainers. Bij het Nederlands elftal was Wim Kieft vorig jaar nog de dupe van het feit dat de spelers hun mening over de te volgen taktiek gaven. Otto: “Volgens mij is dat toen een beetje uit de hand gelopen.” Hij vindt de bij genoemd incident overigens afwezige Ruud Gullit een geschikte aanvoerder voor Oranje. “Hij heeft uitstraling. Ik ken hem niet echt goed. Ik heb alleen een paar keer tegen hem gespeeld. Ruud is een goede voetballer en ik denk ook een goed mens.”

Uit de elftallen waarin Otto zelf sinds '74 in het betaalde voetbal heeft gespeeld hebben twee spelers op hem de meeste indruk gemaakt als aanvoerder. Dat waren in zijn periode bij FC Twente verdediger Epi Drost en bij FC Amsterdam doelman Jan Jongbloed. “Die stond voor iedereen open en was heel eerlijk.” Jongbloed was er ook verantwoordelijk voor dat Otto één A-interland speelde, in 1975. Het is inmiddels een legendarisch verhaal. Otto bracht een paar clubgenoten naar het vliegveld voor de interland tegen Joegoslavië in Belgrado en mocht meteen met de ploeg mee omdat Wim van Hanegem niet kwam opdagen. De toen pas 21-jarige Amsterdammer werd vervolgens als invaller ingezet voor Arntz. “Jan Jongbloed had me op Schiphol aan George Knobel, de bondscoach, voorgesteld. Een goede aanvoerder, ja.”