Nieuwe "supra-nationale' beweging is niet waarschijnlijk; Nationalisme lijkt meer dan het is

De tweede fase in de geschiedenis van het nationalisme stond in het teken van het ontstaan van nationale staten uit gescheiden delen van naties die hun politieke versplintering wilden overwinnen door de vorming van een nieuwe, eigen staat. Italie en Duitsland zijn hiervan de bekendste voorbeelden. "Eenheid' kreeg een magische klank. Maar het ging hier om een veel beperktere "politieke formatie', die der "nationalisten', ook al noemden zij zich zelf niet zo (dit etiket werd eind vorige eeuw door tegenstanders geplakt op rechtse, militante aanhangers ervan).

De liberale, progressieve nationalisten beschikten in de eerste helft van de eeuw, op de kortstondige periode van 1848 na, over aanzienlijk minder macht dan de Franse revolutionairen en hanteerden daarom allerhande argumenten. Dat de natie er, als historische, culturele of sociale grootheid, allang was, maar dat deze natie door allerlei noodlottige omstandigheden in een afschuwelijk lange politieke winterslaap verkeerde en er slechts op wachtte te worden gewekt. Dit soort beweringen was, zoals zo vaak in het nationalisme-debat, waar en niet waar.

Er was in Duitsland en Italie wel sprake van een zekere culturele eenheid. Maar in Italie sprak in 1859 naar schatting slechts 2,5 procent van de bevolking dagelijks Italiaans en was de half voltooide bevrijding volgens Huizinga slechts “een stuk ordinaire Europeesche intriguepolitiek”. In Duitsland was het even later niet taal- of rasverwantschap maar kanselier Bismarck die met bloed en ijzer de natiestaat smeedde, waarmee hij de vermeende Duitse natie juist doormidden kliefde. De Duitse en Italiaanse nationalisten gebruikten de taal als argument omdat ze geen ander hadden. Het grondgevoel lijkt, na de machteloze periode van de Franse heerschappij, toch vooral te zijn geweest dat zij zelf ook een stevige, succesvolle staat dienden te bezitten, uit afgunst, uit zelfrespect en om herhaling te kunnen voorkomen.

In de derde fase ging het in de grote continentale imperia in het oosten van Europa - in de Habsburgs-Oostenrijkse, de Ottomaans-Turkse en de Russische - niet om eenwording maar om afscheiding uit de "volkerengevangenis' tot een eigen natie. De taal was vaak het grootste strijdpunt, maar ook hier ging het in de regel om een politieke machtsstrijd tussen de nationale meerderheid, in een poging een homogene staat te scheppen met de oude elite als machthebbers, en de minderheden. Net als in de natie-staten streefde het politieke centrum er naar de staat zo in te richten dat de nationale en sociale elementen volledig met elkaar zouden versmelten. Schieder bracht het dragende idee achter dit streven terug tot de formule "nationale weg naar een eigen sociale ordening'.

Of de regeringen van deze imperia hierin faalden doordat de opkomende nationalistische en revolutionaire krachten autonoom en onbeheersbaar waren, of doordat zij een kortzichtige, egoïstische nationaliteitenpolitiek voerden, is niet zo maar uit te maken. Ondenkbaar is het niet dat de situatie in Rusland en de Donaumonarchie er voor en na de Eerste Wereldoorlog heel anders had uitgezien als de machthebbers in Moskou en Wenen meer autonomie en democratie hadden toegestaan en een socialere politiek hadden gevoerd. Het was in 1917-'18 misschien wel meer het verlangen naar een sociale revolutie dan naar nationale zelfbeschikking dat de massa's in beweging bracht. Maar, zo moeten de nationalisten gedacht hebben, als de politieke emancipatie niet via de ene weg kan, moet het maar via de andere.

En de natie had het tij mee. De stelregel "één natie, één staat' was omstreeks 1900 overal in Europa een dogma geworden. Het gevolg was wat Hegel ooit had opgemerkt: “Ooit had niemand een staat, toen hadden sommigen een staat en ten slotte had iedereen een staat”.

De vraag waarom die staatsvorming zich sinds 1800 als een besmettelijke ziekte over Europa verspreidde, is nog altijd onderwerp van discussie. In alle theorieen over het nationalisme als functie van "de modernisering' wordt de nadruk gelegd op de anoniemer en rationeler wordende maatschappij en de daaruit voortvloeiende behoefte van het volk aan nieuwe identiteiten, emoties en loyaliteiten. Waarom Nederland dan geen nationalisme kende? In de veelal sociologische verklaringen blijven de elementen veiligheid, concurrentie en macht, als uitvloeisels van geografische ligging en politiek-militaire situatie, te veel in de schaduw. Achter het streven naar eenheid in Duitsland en Italie zat niet in de laatste plaats de angst nog een keer door vreemde legers onder de voet te worden gelopen, en achter het streven naar afscheiding in de Donaumonarchie zat behalve het brede verlangen onder het juk uit te komen ook de behoefte van opkomende elites aan het veroveren van een eigen machtspositie.

Ook al had de bacil van het nationalisme tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en tot de ineenstorting van de drie grote continentale imperia geleid, in 1918 zagen de overwinnaars zich geconfronteerd met de dwingende taak er samen van te maken wat er van te maken viel, en tegelijkertijd een antwoord te vinden op Lenins belofte van zelfbeschikking voor de Russische naties. Zo vielen ze in Versailles terug op het beginsel "één natie, één staat' en volstrekte nationale soevereiniteit. Alleen moest dit beginsel nu wat billijker en verstandiger worden toegepast. Dat bleek evenwel een onmogelijke opgave gezien de aanwezigheid van zoveel minderheden in Midden- en Oost-Europa.

Het tragische misverstand dat naties de bepalende factoren in de geschiedenis waren, werd geïnstitutionaliseerd in de Volkenbond (League of Nations, Société des Nations). In deze benaming kwam de overschatting van het begrip nationaliteit en het naïeve geloof in de goedheid van de natie tot uitdrukking. Het was immers geen verbond van volken, maar een los verband van staten, waaraan elke schijn van federatie vreemd was. De Volkenbond had geen enkele macht om de vrede tussen de naties af te dwingen of geweld te keren. Met de Verenigde Naties werd deze illusie herhaald. Maar terwijl na 1945 een paar staten, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, zo machtig waren geworden dat ze rust en orde desgewenst konden afdwingen, was dat in het interbellum niet het geval.

Of het militante hyper-nationalisme van de natie-staten, Duitsland en Italie voorop, na 1918 nu een reflex van wanhoop, mislukking en onmacht was of een logisch eindpunt van het nationalisme, daarover kan men twisten. In ieder geval waren de krachten die het ontketende niet in toom te houden omdat "de natie' en niet het aloude machtsevenwicht het uitgangspunt was geworden in de internationale orde. De verwoesting van Europa en machtsverlies van de oude Europese staten waren het gevolg.

Opnieuw zorgde een oorlog voor herschikking van de macht in de wereld. In Europa kon de Sovjet-Unie de meeste landen in Midden- en Oost-Europa binnen haar imperium trekken, buiten Europa leidde de oorlog indirect tot de stichting van talloze nieuwe staten. Met naties of nationale zelfbeschiking, zoals de naam Verenigde Naties suggereerde, had het allemaal niets te maken. Het ging om afwerping van een vreemde macht.

Aangezien in de gebieden waar de centrale macht om wat voor reden ook afbrokkelt, alle bewegingen die onafhankelijkheid willen het nationale kostuum aantrekken en zeggen ze dat ze een natie stichten, lijkt het nationalisme invloedrijker en meer verbreid dan het is. Want intussen verliest de natie door de internationalisering van de economie en mondialisering van communicatie en techniek zichtbaar een deel van zijn oude functies. De "nationale weg naar een eigen sociale ordening' is steeds minder makkelijk begaanbaar.

Het kan zijn dat voor een aantal volken in Oost-Europa en op de Balkan die naar een eigen natie streven het begrip natie niet meer betekent dan voor Huizinga, namelijk "een ideaal, een aspiratie, geen vastomlijnde werkelijkheid; (...) een solidariteit'. Huizinga's definitie is in elk geval wel van toepassing op het huidige West-Europa . Als de bestaande natie-staten vooral een historische politieke kristallisatie van nieuwe eenheden zijn, geschikt om aan de interne en externe omstandigheden het hoofd te bieden, is de vraag gewettigd of het dan niet ook mogelijk is dat er een nieuw soort, zeg maar supra-nationaal, nationalisme ontstaat. Mogelijk is het misschien wel, de omstandigheden veranderen immers razendsnel, maar waarschijnlijk is het niet. Er zijn maar weinigen die voorspellen dat het nu twee eeuwen oude principe van de volkssoevereniteit spoedig plaats zal maken voor dat van supra-nationaal gezag. De Westeuropeanen voelen zich blijkbaar nog te zeer ingenomen met de huidige situatie en hebben (nog) veel te weinig last van gevoelens vol wrok en bedreiging die noodzakelijk zijn voor elke vorm van nationalisme.

Het idee van een Europese Unie leeft vooral bij politieke en economische elites die blijkbaar gevoeliger zijn voor externe dreigingen. Zoals de EG in het verleden alleen onder de druk van externe crises (val dollar, oliecrisis) vorm kreeg, vervult nu de crisis in Midden- en Oost-Europa deze rol. De drijvende kracht achter de vorming van een politiek-monetaire Unie is echter de angst te worden verpulverd tussen de andere zich ontplooiende machtsblokken. Hierbij fungeert als stimulans voor de eenwording vooral de tomeloze expansie van Japan - dat w`el homogeen is en bovendien nog als enige land ter wereld beschikt over een perfect functionerende nationale economie (die in de afgelopen vijf jaar groeide met een BNP ter grootte van dat van Frankrijk).

Maar nog nergens in Europa is er een supra-nationale "politieke formatie' te bekennen die met succes bezig is een supranationale massa achter het vaandel met het opschrift "Europa' te verzamelen. De eenwording van Europa heeft misschien wel de stilzwijgende instemming van de volkeren, maar verloopt toch grotendeels buiten het besef en actieve wil van de naties om. Een sluipende, stille eenwording lijkt ook de meeste kans op succes te bieden. Want het nationalisme mag dan, zoals Hobsbawm concludeert, als historische kracht minder belangrijk zijn geworden, niemand durft nu al met zekerheid te zeggen dat het point-of-no-return op weg naar Europa al bereikt is en dat de Europese volken, als de nood aan de man komt, inderdaad voor Europa zullen kiezen en niet zullen terugkruipen in de schulp van hun eigen staat. Met als excuus dat ze toch immers een eigen natie vormen.

Foto: "In Duitsland was het Bismarck die met bloed en ijzer de natiestaat smeedde, waarmee hij de vermeende Duitse natie juist doormidden kliefde.'