Musical Sikulu the warrior; Disco-deun als alternatief voor Zoeloe-dansen

Voorstelling: Sikulu the warrior, musical van Gail Lakier en Bertha Egnos. Choreografie: Lyton Burns. Regie: Bertha Egnos. Gezien: 6-8 in de Stadsschouwburg, Amsterdam. Aldaar t-m 18-8. Nederlandse tournee t-m 4- 11.

De zoon van het Zuidafrikaanse platteland reist naar Johannesburg om zijn vader te zoeken, die daar als vrijheidsstrijder gevangen zit, maar binnenkort vrijkomt (want de tijden veranderen daar) en zijn zoon opdraagt terug te keren naar het dorp om zijn rechten op de geboortegrond te doen gelden.

Zelden is het verhaal van een musical zo snel verteld als bij Sikulu the warrior, want het wordt grotendeels ondergesneeuwd door een groot aantal zang- en danssc`enes, met de gebruikelijke energie en schijnbare onvermoeibaarheid uitgevoerd door ruim dertig zangers en dansers. Hooguit vier korte dialoogsc`enes onderbreken die cavalcade - en ze vormen zonder meer het zwakste aspect van de hele produktie, in niets dan platitudes geformuleerd en gespeeld als bij het dilettantentoneel. “Raak niet verstrikt in de gevaren van de grote stad,” zegt de koning van het dorp plechtig en hij kijkt streng de zaal in. “Ik kom terug,” spreekt de zoon en ook hij zendt een strakke blik naar het publiek.

Maar bij een show als Sikulu is het gesproken woord nauwelijks van belang. Veel van de muzikale taferelen hebben met het verhaaltje dan ook weinig van doen. Ze zijn ontworpen om de verschillende dansen van de verschillende Zuidafrikaanse stammen te laten zien en het blanke publiek er tevens van te doordringen, dat men ook in het moderne repertoire zijn mannetje staat. Zo worden een authentiek ogende krijgersdans van de Zoeloe's en een folkloristisch huwelijksfeest - weliswaar aan de toeristische smaak aangepast - afgewisseld door veel nummers op een disco-ritme en door een paar pogingen tot westerse musical-songs.

Gail Lakier en Bertha Egnos, die eerder de hitshow Ipi Tombi produceerden, hebben kennelijk de bedoeling gehad een symbiose te zoeken van oud en nieuw, blank en zwart. Dat is helaas niet gelukt. In een voorstelling als Sarafina, twee jaar geleden, ontstond uit de combinatie van Zuidafrikaanse ritmen en hedendaagse pop een vitaal soort fusion-muziek. Hier worden die razend rijke, polyritmische patronen uit de Zuidafrikaanse cultuur verruild voor de monotonie van de drumcomputer. De disco-nummers zijn vergetenswaardige, tweedehands deuntjes en de ballads ronduit potsierlijk.

Het contrast tussen die rijkdom van de traditie en die armoede van nu wordt des te scherper aangezet door het feit, dat veel van het disco-werk - inclusief de zang! - afkomstig is van een onzichtbaar meedraaiende geluidsband. Nadat de echte percussionisten een levendige, traditionele dans hebben begeleid, wordt de band weer aangezet voor een westers bedoeld nummer uit de synthesizer.

Het resultaat is een onevenwichtige mengeling van culturen, die nooit de kans krijgen elkaar te beïnvloeden. Maar als ik de finale van Sikulu goed heb begrepen, is de show uiteindelijk een pleidooi voor het ongerepte platteland waar de Zoeloe's nog onbelemmerd hun gespierde dans met speren en schilden kunnen opvoeren. Zo bezien is het geen wonder, dat Lakier en Egnos als enige alternatief die ongeïnspireerde disco-deuntjes hebben aan te bieden.