Interesse buitenlanders in Spaans onroerend goed daalt

MADRID, 7 AUG. Voor het eerst sinds 1984 zijn vorig jaar de buitenlandse investeringen in Spaans onroerend goed teruggelopen. Nederlanders kochten nog maar voor 6,5 miljard peseta (ruim 120 miljoen gulden) aan land, huizen en gebouwen in Spanje. Met deze teruggang van 56 procent ten opzichte van 1989 staat ons land nu op de tiende plaats in de lijst van buitenlandse investeerders in onroerend goed.

Vreemde kopers besteedden in 1990 voor 260 miljard peseta. Dat was bijna 17 procent minder dan het jaar daarvoor. Een uitsplitsing van de bestedingen naar regio laat zien, dat het vooral de toeristengebieden aan de zuidkust zijn die zich minder in de gunst van het buitenland mogen verheugen. De provincie Malaga is met aankopen ter waarde van 53 miljard peseta nog altijd de meest begeerde streek van Spanje, maar noteerde een verkoopdaling van 42 procent. De grote steden Madrid, Barcelona en Sevilla blijken echter bij buitenlandse beleggers steeds meer in trek; hier stegen de bestedingen vorig jaar met zo'n vijftig procent. Deze cijfers bevestigen een trend: terwijl het toerisme in Spanje een crisis doormaakt, die ook tot uiting komt in de verminderde belangstelling voor tweede huizen, zijn bedrijven juist sterker geïnteresseerd geraakt in de mogelijkheden van het land. De grote prijsstijgingen die kantoorgebouwen in de grote steden de laatste jaren hebben doorgemaakt, getuigen daarvan.

Bijna de helft van de kopers van Spaans onroerend goed was in 1990 officiëel gevestigd in een land met een bijzonder soepel fiscaal regiem en een goed beschermd bankgeheim, zoals Gibraltar, Panama of één van de Kanaaleilanden. Tot vreugde van de fiscus heeft men met name de positie van de omstreden Britse kolonie in Zuid-Spanje door middel van een actief ontmoedigingsbeleid enigszins verzwakt.