In Turijn zijn de Noordafrikanen de migranten uit Zuid-Italie opgevolgd; Wachten op een plaatsje in het stapelbed

Immigratie - legaal en illegaal - staat aan de top van de Europese politieke agenda. In Turijn, in de verloederde wijk achter de Piazza Repubblica, vormen vooral de Noordafrikanen een "mediterrane bom'. Ze zijn geïntegreerd, maar met het verkeerde Italie: dat van de georganiseerde misdaad. Tweede deel van een serie over getto's in Europa.

TURIJN, 7 AUG. Dante de Meloenkoning is in zijn element. Heeee hop. Met gevoel voor show vangt hij de watermeloen op die Seyyed, een Tunesier, met een ingestudeerde kreet naar hem opgooit. Hij drukt zijn vale zonnepetje wat vaster op zijn haren en begint, vanachter een roodgeverfde kist op een verhoging, zijn waar aan te prijzen.

De beste meloenenverkoper, staat er op het kistje gekalkt. Hij is zijn meloen dan ook zo kwijt. Heeee hop. Weer een meloen van een kilo of vijf, die hem met dezelfde kreet wordt toegegooid door een zwetende Marokkaan. Dante snijdt er een driehoek uit, om te laten zien hoe mooi rood en sappig zijn meloenen zijn. Zijn groepje Noordafrikaanse helpers geeft een mechanisch applaus.

Zo gaat het een paar uur door op deze warme zomermiddag op de Piazza Repubblica in Turijn. Dante verkoopt inderdaad meer dan de buurman: zijn show is beter, zijn Noordafrikaanse helpers klappen en roepen harder, en wie weet zijn zijn meloenen ook wel sappiger.

Op dit grote, rommelige marktplein, omgeven door oude en bouwvallige huizen, zou zo'n sc`ene een paar jaar geleden ondenkbaar zijn geweest. Toen waren het Italianen die met zware watermeloenen gooiden, lachten om de grapjes van hun baas, met stapels groentekisten sjouwden en na afloop enkele flapjes van tienduizend lire kregen uitgeteld. Nu zijn het buitenlanders: Marokkanen, Tunesiers, Senegalezen, Oosteuropeanen. Ze zijn goedkoper dan de Italianen en kunnen harder werken, omdat ze jonger zijn.

Lang zijn de buitenlanders nog niet in Italie, althans niet in zulke grote aantallen. Er zijn bijvoorbeeld nog weinig tweede-generatie buitenlanders, zodat er geen problemen zijn met de scholen. Maar Italie is in hoog tempo zijn "achterstand' aan het inhalen.

Tot de jaren zeventig was Italie een land van emigranten, de eerste stroom immigranten kwam in het midden van dat decennium. Extra-communautairen worden ze genoemd, een woord dat in het Italiaans minder ambtelijk klinkt dan in het Nederlands. Het waren Filippijnse vrouwen die huishoudster werden of werk vonden als thuisverpleegster voor bejaarden.

Het echte keerpunt wordt vaak in het midden van de jaren tachtig gelegd, toen de grote stroom uit Noord-Afrika op gang kwam. In 1979 stonden tweeduizend buitenlanders uit niet-EG-landen geregistreerd in Turijn. In 1985 waren dat er 7.500, en in februari van dit jaar bijna 28.000. Niemand weet hoeveel illegale buitenlanders daarbij moeten worden opgeteld. Het kunnen de vrouwen, kinderen of andere familieleden zijn van mensen die eerder zijn gekomen, of de werkzoekenden van de nieuwste stroom met opvallend veel Peruanen, Roemenen en Bulgaren.

Turijn is volgens cijfers van de gemeente nu de Italiaanse stad met het hoogste percentage buitenlanders. De stad heeft een immigranten-traditie: in de jaren vijftig en zestig trokken de Fiat-fabrieken en het daarmee samenhangende netwerk van bedrijfjes duizenden Italianen van elders, eerst uit de Veneto in het noordoosten, later uit het zuiden, uit Sicilie, Calabrie, en Napels en omgeving. De culturele verschillen waren zo groot dat ook zij vaak als immigranten werden bejegend.

“De extra-communautairen van nu hebben dezelfde problemen als de mensen uit het zuiden vroeger: er zijn niet genoeg huizen, ze worden uitgebuit, en de staat doet niets”, zegt don Alfredo, parochiepriester van de San Gioachino-kerk, een paar honderd meter van de Piazza Repubblica. “Dat heeft wel één groot voordeel”, zegt hij cynisch. “Omdat er niets voor hen is gebouwd zijn er geen echte getto's ontstaan.”

In Turijn zijn nooit speciale woonbunkers voor buitenlanders gebouwd zoals in Parijs of Berlijn. Wel kruipen de meeste immigranten vanzelf bij elkaar in een verpauperde wijk waar geen Italiaan meer wil wonen. De meeste buitenlanders huizen in de straten tussen de Piazza Repubblica, de lange corso Regina Margherita en de Dora, een modderig-bruine rivier die een paar honderd meter verder in de Po uitkomt. Wie door deze straten loopt, tussen de vervaalde etagewoningen met de eeuwig wapperende was, ziet evenveel Italianen als buitenlanders. Don Alfredo schat dat de verhouding ongeveer half-half is.

“Het is een wijk waar niemand echt wil wonen”, zegt een bareigenaar die bij gebrek aan klanten buiten op een stoeltje is gaan zitten. “De wijk is te lang aan zijn lot overgelaten. Er zijn te veel onbewoonbare huizen. Maar je kunt niet altijd weg.” Zelf komt hij uit Salerno, bij Napels, en hij herinnert zich nog bitter de briefjes waarop stond dat niet aan mensen uit het zuiden werd verhuurd.

Maar Seyyed, een van de hulpjes van meloenkoning Dante, die hier ook woont, vindt dat hij geluk heeft gehad. Hij is zijn broer achterna gereisd, die al eerder het dorp in Tunesie had verlaten, en kon bij hem op een kamer slapen. Twee bedden op een kamer van drie bij vier, een kleine keuken die met tien anderen moet worden gedeeld, een badkamer waar bijna niets meer werkt, voor bijna vijfhonderd gulden per maand. Dat is geluk.

Het is in ieder geval beter dan de pensions met "kasteelbedden', zoals stapelbedden in het Italiaans heten, waarop een aantal kennissen van Seyyed is aangewezen. Voor ruim 150 gulden per maand wordt een bed verhuurd dat met twee anderen moet worden gedeeld door in ploegen te slapen. Wie niet wil delen betaalt een stuk meer.

Aan het eind van de dag staan ze buiten voor de deur, te wachten tot het hun beurt is, of tot de ergste warmte van de kamer is. De Noordafrikanen zijn hier in de meerderheid. In deze troosteloze straatjes achter de Piazza Repubblica wordt al snel de "mediterrane bom' zichtbaar. De bevolking in de landen aan de zuidrand van de Middellandse Zee groeit veel sneller dan die langs de rijkere noordelijke oever, en gaat daar werk zoeken. Volgens het ministerie van arbeid wordt het Middellandse-Zeegebied de streek met de heftigste demografische problemen.

Net als in heel Italie vormen de Marokkanen de grootste groep. Een kwart van de geregistreerde niet-EG-inwoners in Turijn komt uit Marokko, zo blijkt uit cijfers van eind februari. Daarna komen, verrassend, de Chinezen, die overigens vrijwel niet met andere buitenlanders omgaan (ruim zes procent), en de Joegoslaven (zes procent).

De Noordafrikanen worden verantwoordelijk gehouden voor de toenemende criminaliteit in de straten achter de Piazza Repubblica. Veel Noordafrikanen zijn wel snel geïntegreerd, maar dan met het verkeerde Italie, dat van de georganiseerde misdaad, zegt don Alfredo. Veel drugshandel wordt uitgevoerd door Marokkanen en Tunesiers, in opdracht van mafiose Italianen.

Op een korte wandeling door de wijk wijst don Alfredo af en toe met zijn hoofd. “Daar, op de hoek, die Tunesier, dat is een drugshandelaar. Daar, weer een. De mensen houden vaak hun kinderen binnen uit angst dat ze aan de drugs raken.”

“Als je geen huis kan vinden en geen werk, ben je een makkelijke prooi”, zegt hij. “Een Senegalees zal niet zo snel gaan stelen en zijn waardigheid verliezen. Maar in Marokko en Tunesie hebben staat en islam kennelijk gezorgd voor een zwakke sociale moraal.”

Ook de buitenlandse prostitutie wordt geleid door Italianen. Vanuit Nigeria worden speciale reizen georganiseerd naar het beloofde land, die eindigen in een paar uur staan langs een donkere straat en dertig, veertig gulden per klant. Een vergelijkbare handel lijkt nu op gang te komen met vrouwen uit Peru.

“Prostitutie is in deze wijk geen probleem”, vertelt een carabiniere, uitgebreid in zijn kruis krabbend. “Ze pakken de bus naar de straten buiten Turijn. Ook de diefstallen gebeuren elders. Hier zijn het vooral ruzies tussen de extra-communautairen onderling. En drugs natuurlijk.”

Sinds een paar maanden lopen de carabinieri, steevast met z'n tweeen, vaker door de wijk. Dat is het resultaat van een verhitte vergadering van boze Italiaanse wijkbewoners met de vice-burgemeester, waarin zij maatregelen eisten om de gestegen criminaliteit in te dammen. Niet iedereen is daar overigens blij mee: de bareigenaar vindt dat de politie zijn vergunningen te vaak controleert.

“Het is nu weer rustiger in de wijk, maar dat komt ook doordat de mensen het idee hebben dat ze toch niets kunnen doen”, zegt don Alfredo. “Veel mensen zijn misschien in hun hart wel racistisch, maar dat komt niet tot een uitbarsting. Je zal hier nooit horen dat een buitenlander door een Italiaan in elkaar is geslagen.”

Hij denkt niet dat het een rol speelt dat veel bewoners van zijn wijk zelf ook immigranten zijn geweest in Turijn en dezelfde moeilijkheden hebben gehad. “Het is eerder een soort onverschilligheid, een gevoel van wat zal ik me druk maken.”

Don Alfredo is een van de vele particuliere hulpwerkers die zich wel druk maken en zo het vacuüm opvullen dat de staat laat vallen. Caritas en andere katholieke liefdadigheidsinstellingen vervullen in Italie een functie die elders vaak door de staat wordt vervuld. Voor onderdak, eten en kleren zijn buitenlanders aangewezen op katholieke opvangcentra.

Vlakbij de rivier de Dora staat bijvoorbeeld het oude militaire arsenaal, waar tientallen mensen 's nachts onderdak vinden. Iets dichter naar de Piazza Repubblica is het Cottolengo, een katholiek ziekenhuis annex mensa. Iedere dag komen daar zes- tot zevenhonderd mensen, voornamelijk buitenlanders, een gratis lunch halen.

Wie wil, krijgt een plastic zak met eten mee voor 's avonds, en in een kamertje naast de spartaanse eetzaal waar nonnen staan op te scheppen, verleent een broeder eerste hulp aan mensen met lichte verwondingen. De medicijnen zijn gratis, net als de kleren die eens per maand worden uitgedeeld.

“We doen wat we kunnen”, zegt Maurizio Boschi, een dienstweigeraar die hier zijn alternatieve dienstplicht vervult. “Want de Italiaanse staat weet nog steeds niet goed raad met de stroom buitenlanders.”