De tijd is rijp voor een tweede carriere

Een zomervakantie leent zich voor contemplatie. Wat gaat goed? Wat verkeerd? Als we naar ons land kijken, gaan zeker veel zaken goed. Wij worden bijvoorbeeld steeds ouder en, vervelende uitzonderingen daargelaten, ook steeds vitaler ouder. Met de voor Nederlanders zo eigen pessimistische manier van kijken zien we dit op zichzelf verheugende verschijnsel als een probleem: vergrijzing.

Met dat verschijnsel is iets heel vreemds aan de hand. Enerzijds worden we op een vitale manier ouder, anderzijds worden mensen steeds jonger gepensioneerd of gaan in de VUT om plaats te maken voor jongeren. Die zijn er echter, zoals de demografische ontwikkelingen thans gaan, over een aantal jaren nog maar in beperkte mate. Afgezien van het economische aspect (hoe hoog moeten de premies straks worden voor een welvaartsvast pensioen bij vijfentwintig of dertig dienstjaren) is het een vreemde en tegen de demografische prognoses ingaande ontwikkeling. Steeds jonger pensioneren bij een steeds ouder wordende bevolking.

Het zou logischer in de demografische ontwikkelingen passen om te zoeken in de richting van later pensioneren in plaats van eerder. En daarbij tevens gebruik te maken van het gegeven dat een relatief hoog percentage werknemers of een verkeerd beroep heeft gekozen (waar ze tegen hun veertigste jaar achter komen), of een beroep heeft waardoor ze vroegtijdig lichamelijk of geestelijk versleten zijn (bijvoorbeeld in het onderwijs, als buschauffeur of in de bouw). Zou het niet een veel beter ingerichte maatschappij zijn die het als een gewone, logische stap zou zien, en niet als een mislukking, dat iemand tussen zijn veertigste en vijftigste iets heel anders wil gaan doen?

Het beeld dat mij voor ogen staat is een maatschappij waarin datgene norm wordt wat nu tot de uitzonderingen behoort: de indeling van het leven in vier perioden. De eerste twintig tot vijfentwintig jaar opleiding; de tweede periode van twintig tot vijfentwintig jaar eerste carriere plus kinderen grootbrengen, tegen het vijfenveertigste jaar een markeringspunt, waarop de gedachte aan een tweede carriere vorm krijgt? Een beetje anders of iets heel anders? Hoe ingrijpender de verandering, des te intensiever en langduriger moet de om- of bijscholing zijn. Vervolgens begint de derde periode van een jaar of twintig, wellicht in deeltijd, die ik dan omschrijf als de tweede carriere. Tegen het zeventigste of vijfenzeventigste jaar volgt dan het echte pensioen, in de zin van niets meer hoeven te doen. Een relatief korte periode wellicht, maar hoeveel mensen willen echt helemaal niets meer doen?

We zijn sterk geneigd werkgelegenheid te zien als een verdelingsvraagstuk tussen ouderen en jongeren en tussen mannen en vrouwen. Dit wordt in hoge mate bepaald door de huidige economische situatie en demografie. Met werkgelegenheid ligt het echter nogal ingewikkeld. Werkgelegenheid is het resultaat van het krachtenspel tussen een koopkrachtige vraag naar bepaalde soorten arbeid en het actieve aanbod van die bepaalde arbeid. De koopkrachtige vraag kan autonoom stijgen of verschuiven. De consequentie bijvoorbeeld van het tweede-carriereplan zal een geweldige stijging zijn van de behoefte aan omscholingsdocenten en -trainers.

Voorts zal er een aanbod ontstaan van nieuwe beroepen - waar we nu nog helemaal niet aan denken - dat weer voor een eigen vraag zal zorgen. Ook zal door het langer actief deelnemen aan het arbeidsproces de welvaart stijgen, hetgeen op zichzelf weer een impuls is voor de koopkracht en daarmee voor de werkgelegenheid. Tenslotte is de werkgelegenheid in Nederland een afgeleide van de economische ontwikkelingen in de wereld, die door ons alleen in internationaal politiek verband te beïnvloeden zijn, en onze relatieve concurrentiepositie, die wel door ons stuurbaar is.

Ik acht het zeker niet uitgesloten dat het tweede-carriereplan een positieve invloed op die internationale concurrentiepositie zal hebben.

Wil de hierboven beschreven grondige verandering van onze maatschappij een kans van slagen hebben, dan zal op een totaal andere wijze dan tot nu toe met pensioenen moeten worden omgegaan. Maar dat is eigenlijk toch al nodig. De huidige pensioenstructuur leidt tot sterk verminderde mobiliteit. Het is evident dat iedereen zijn eigen persoonlijk pensioendeel in fondsen zou moeten hebben, geheel onafhankelijk van de werkgever. Pensioenbreuk zou dan niet meer optreden en je hoeft niet meer op je vijfendertigste al te gaan aarzelen of je wegens pensioenaanspraken nog wel van baan zult veranderen. Men zou op zijn vijftigste al een basispensioen moeten krijgen dat wordt aangevuld met inkomsten uit de tweede carriere. De tweede carriere zou dan, samen met de AOW, voldoende pensioen moeten opleveren om op de leeftijd van zeventig jaar te stoppen.

Het tweede-carriere-idee gaat uit van twee onafhankelijke verschijnselen. Ten eerste worden we op een overwegend gezonde manier gemiddeld vijfenzeventig of tachtig jaar; ten tweede kies je vaak, door gebrek aan inzicht in eigen kunnen, het verkeerde beroep of je hebt een beroep dat je alleen maar goed kunt uitoefenen als je jong bent (profsport, ballet, fysiek of psychisch zware beroepen). Knoop de economische en demografische gegevens aan elkaar en de oplossing dient zich aan.