De taart

In deze zomertijd denk ik aan een zonovergoten wandeltocht met Belcampo in Frankrijk. Als iemand gestorven is lijken de dingen die je met hem beleefde lang geleden, bijna als uit een vorig leven. Wij liepen heuvel op, heuvel af in de omgeving van Ornans. Wat was het warm en wat hadden we een dorst toen we een gehucht binnenliepen met alleen maar een kerk en een paar boerenhuizen.

“Daar”, zei Belcampo, “moet je eens zien, daar staat zo maar een taart op de vensterbank voor dat raam.” Inderdaad een pracht van een taart. Te pronk gezet als een boeket zelf gekweekte rozen. Een heerlijke, royale boerentaart met gelei-achtige vruchten opgesmukt.

Belcampo: “Het lijkt of hij naar ons lacht. Als je goed luistert hoor je wat hij zegt: Eet mij. Eet mij!” Ik wil doorlopen. Ik voel wat er gaat gebeuren. Klop, klop. Belcampo klopt al op de deur. Een knappe oude dame opent. Hij maakt een klein, ietwat gespeeld verlegen buiginkje waarbij hij in zijn handen wrijft, wenst haar goeiedag en zegt dat we een grote, grote dorst hebben na een lange, lange wandeling uit Nederland. Zou mevrouw een glaasje water kunnen missen? En overigens, zegt hij zonder vleierij, wat staat daar een prachtige taart.

Le Corbeau et le Renard.

“Helemaal uit Nederland komen lopen? Niet te geloven. Komt u binnen. Wat een tocht. Zo jong bent u toch ook niet meer? Hier is het koel. Ook uw zoon. Kom binnen. Wat zegt u? Zo'n mooie taart heeft u nog nooit gezien? Het water loopt u in de mond? Dan hoeft u in elk geval niets meer te drinken, nee, dat is maar gekheid. Ga zitten. Hier is wijn. Onze eigen wijn, ietsje aan de zoete, fruitige kant. Een jonge wijn die heel goed bij taart past. Wat vertelt u me nou? Bakken ze in uw verre vaderland geen taart? Nou wij anders wel. Deze heb ik namelijk zelf gebakken. Eten ze bij u alleen maar oude koekjes en droge kaakjes? Er worden er in deze streek nog wel mooiere gebakken! Maar ik geef toe: hij is goed gelukt. Niet tegenstribbelen. U zult hem proeven. Als je dorst hebt heb je ook honger. Uw zoon is trouwens veel te dun. Lekker of niet? Ik eet met u mee. Ik hou er zelf ook van. Neem nog een stuk. Mijn man is naar de stad. Nog een slok wijn? Weet u wat? We eten hem helemaal op samen. Dan kan mijn man ook niet over de taart zeuren. Wat niet weet wat niet deert. Wat moet dat erg zijn, te leven in een land zonder taart!”