Zomeropstelling toont originele prenten en kopieen uit eigen collectie; Voor Van Gogh lag Arles in Japan

Tentoonstelling: 'Japan: Van Goghs Utopia'. Rijksmuseum Vincent van Gogh, Amsterdam. T-m 22 sept. Ma. t-m za. 10-17 u., zo. en feestdagen 13-17 u. Prijs catalogus: (f) 65,-. Van Gogh bulletin nr. 2 (f) 5,-.

Over een zelfportret waarop hij zijn nagenoeg kaalgeschoren hoofd had geaccentueerd met een vlakvullend zeegroen aureool van verfstreekjes schreef Vincent van Gogh in 1888: “Ik heb getracht niet alleen mezelf weer te geven, maar een impressionist in het algemeen; ik heb het portret opgevat als dat van een Bonze, een eenvoudige aanbidder van de eeuwige Boeddha. De kop is in lichte verf gemodelleerd tegen de lichte achtergrond, bijna zonder schaduwen. Alleen de ogen 'een beetje' schuin geplaatst op z'n Japans.”

Voor Van Gogh lag Arles in Japan. 'Het Gele Huis' zag hij als een boeddhistisch klooster, waar zijn schildersvrienden Bernard en Gauguin en hijzelf zonder wedijver als monikken in een commune hun leven aan de waarheid zouden kunnen wijden. Het is een ideaal dat je bij kunstenaars in de 19e eeuw wel vaker tegenkomt. De westerse maatschappij was in hun ogen danig ontspoord. Zoals de Nazareners in Duitsland Fra Angelico voorstelden als een vrome naeve schilder-monnik, zo zag Van Gogh de Japanners als primitieve religieuze natuurmensen.

Hoewel Van Gogh nu niet direct een trendgevoelige indruk maakt, liet hij zich in zijn voorliefde voor Japanse monniken wel degelijk leiden door de mode van zijn tijd. Er heerste in Europa - vooral in Frankrijk - een ware Japan-rage, die zich geleidelijk had ingezet, nadat de Amerikaanse marine Japan in 1854 - van Gogh was toen een jaar oud - gedwongen had uit haar isolement te treden. Veel kunstenaars, vooral impressionisten, verzamelden vanaf die tijd Japanse prenten.

Emile Zola vergeleek in 1880 Edouard Manet's schilderijen met Japanse prenten. In die tijd was Van Gogh nog onder invloed van de Hollandse traditie en de schilders van de Barbizon School.

In de tentoonstelling 'Japan: Van Goghs Utopia', een veredelde zomeropstelling met veertig schilderijen, dertig tekeningen en honderd prenten uit eigen bezit, toont het Amsterdamse Rijksmuseum Vincent van Gogh hoe Van Gogh zich, uitsluitend in zijn latere periode na 1887, heeft laten benvloeden door de Japanse prentkunst en cultuur. Door de stortvloed aan voorbeelden en brieffragmenten, die op fraaie langwerpige banen rijstpapier staan afgedrukt, ben ik geneigd zijn hele doen en laten in verband te brengen met zijn bewondering voor Japan. Maar Van Gogh's beslissing om van Parijs naar het zuiden te trekken kwam niet alleen voort uit zijn ideaal om als een boeddhistische schildermonnik te leven. Een heel andere reden was bijvoorbeeld dat hij graag het licht van de krachtige zon wilde zien en voelen om het werk van Delacroix beter te kunnen begrijpen. Ook wilde hij het impressionisme meer emotie geven. Het is onwaarschijnlijk dat hij zich van Zuid-Frankrijk eenzelfde voorstelling maakte als van het leven op de Japanse prentjes. Van Gogh was goed genformeerd over Japan en las bijvoorbeeld Madame Chrysantheme van Pierre Loti en Cherie van de gebroeders De Goncourt. In het mondaine Parijs wilde hij niet overkomen als een onnozele hals, die niet weet wat er in de wereld gaande is.

Samen met Theo had hij Ukiyo-e prenten gekocht. 'Ukiyo' betekent zoiets als 'de vergankelijkheid van het menselijk bestaan'. Hokusai (1760-1849) was de laatste en bekendste vertegenwoordiger van deze school. Vooral het heldere kleurgebruik, de zwarte contouren en de vlakke schaduwloze compositie spraken hem aan.

Het boeddhisme heeft vele gezichten en het is juist het vrolijke rijke alledaagse leven in Tokyo - dat toen Edo heette - dat in deze plaatjes is verbeeld. De makers van deze prenten waren overigens overduidelijk benvloed door westerse kunst. Zo is er een prent met een zeer nadrukkelijk perspectief van een theaterbuurt in Tokyo waarop mensen schaduwen maken in de volle maan. Japanners tekenden vrijwel nooit schaduw.

Van Gogh deed niet zwaarwichtig over zijn bezit. Vanuit Antwerpen meldde hij Theo: “Mijn werkplaats is nogal dragelijk, vooral omdat ik een partij Japansche prentjes tegen de muur heb gespeld, die mij erg amuseren. Ge weet wel van die vrouwenfiguurtjes in tuinen of aan 't strand, ruiters, bloemen, knoestige doorntakken.”

Als je de kleurendrukken nu ziet lijken ze eerder de striptekenaar Herge als voorbeeld te hebben gediend dan Van Gogh.

In 'Japan: Van Goghs Utopia' hangen drie japonaiserieen, oftewel kopieen naar Japans voorbeeld. Meer heeft Van Gogh er niet gemaakt. In vergelijking met de originelen, die in de tentoonstelling jammer genoeg op een andere etage hangen, zien ze er stijf en onbeholpen uit. Dat komt omdat Van Gogh schilderde en niet, zoals een Japanse prentkunstenaar, een ontwerp tekende in een elegante snelle lijn en het persklaar maken van de plank voor de drukker overliet aan een houtsnijder.

Misschien waren de drie geschilderde prenten bedoeld om het Parijse Cafe Tambourin te decoreren of maakte Van Gogh ze omdat hij tijdelijk niet in de openlucht mocht werken. Hij was verzwakt na een strenge winter die volgde op een zomer met een zenuwinzinking. Vincent schreef dat hij ze maakte om zijn depressie de baas te worden. Kort daarop verliet hij het noorden waar 'de kleuren van het prisma gesluierd zijn.'

Pas later in Zuid-Frankrijk verwerkte hij de bevindingen, die hij in Parijs had opgedaan bij het kopieren tot zijn beste werk.

De schilderscommune in 'Het Gele Huis' in Arles was geen lang leven beschoren. De grondleggers van de moderne kunst kregen al na enkele maanden ruzie. Vincent bedreigde Gauguin met een scheermes. Een jaar na de desillusie en zijn zelfportret als monnik - dat hij overigens als gift voor Gauguin gemaakt had met de bedoeling hem naar 'Het Gele Huis' te lokken - schilderde Vincent zichzelf zonder scheve ogen, maar met een verband om zijn hoofd met op de achtergrond zowel een schildersezel als een van zijn Japanse prenten.