Tegen wil en dank op de weg van de zo vervloekte Camp David-akkoorden; Algiers volgt Baker schoorvoetend; 'Bakers vredesvoorstellen rieken wel erg naar een Pax Americana'

ALGIERS, 6 AUG. James Baker, de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, heeft gisteren zijn zesde bliksemtourne door het Midden-Oosten afgesloten met een bezoek van enkele uren aan Algiers. Niemand kon zich hier herinneren dat een zo hoge Amerikaanse functionaris ooit tevoren het middagmaal nuttigde met de premier van het vroeger zo revolutionaire en anti-imperialistische Algerije. Maar met de tijden zijn ook de machtsverhoudingen en de ideologieen veranderd.

De Verenigde Staten zijn de overheersende macht in het Midden-Oosten geworden en Algerije bevindt zich in een sociaal-economische crisis van zo'n overweldigende omvang, dat premier Ghozali en zijn ministers zelfs niet schromen om de binnenlandse situatie openlijk als “catastrofaal” te karakteriseren.

Algerije heeft daardoor vrijwel geen mogelijkheden meer om op buitenlands gebied de fiere Arabisch-nationalistische koers te blijven volgen, die het gewend was. Dat bleek direct al na afloop van Bakers gesprekken met president Chadli Benjedid en minister van buitenlandse zaken Lakhdar Brahimi. De Amerikaanse gast sprak hoopvol en zeer positief over de kansen van een vredesconferentie tussen Israel en zijn Arabische buren en tussen Irael en de Palestijnen. Hij zei wel nadrukkelijk dat president Bush en president Gorbatsjov “niet echt hebben gezegd dat er een vredesconferentie in oktober komt. Wij hebben alleen gezegd dat wij eraan zullen werken”.

De Amerikanen willen zoveel mogelijk Arabische staten bij die vredesconferentie betrekken, die de resultaten niet alleen de facto maar ook de iure onderschrijven, zodat daarover later geen misverstanden kunnen ontstaan. Voor de Noordafrikaanse staten, die traditioneel zeer pro-Palestijns zijn, is er volgens de Amerikaanse plannen een eigen rol weggelegd: zij moeten - maar dat zei Baker natuurlijk niet in het openbaar - de PLO duidelijk maken dat deze zich de komende maanden volstrekt onzichtbaar moet maken; en zij moeten, door een waarnemer naar de vredesconferentie te sturen, de resultaten ervan legitimeren. De waarnemer kan afkomstig zijn van de Unie van de Arabische Maghreb (UMA, die Libie, Tunesie, Algerije, Marokko en Mauretanie met elkaar verbindt). Zoals Baker het uitdrukte: “Wij zouden erg gelukkig zijn als de Maghreb met een publieke en duidelijke verklaring komt, ter ondersteuning van dit voorstel (de vredesconferentie) en een waarnemer zou sturen”.

Op de vraag of Libie, dat immers deel uitmaakt van de UMA (de Unie van de Arabische Maghreb), ook welkom zou zijn, zei Baker dat “de VS steun zoeken van wie dan ook voor het actieve vredesproces”. Hij gaf de leden van de UMA, inclusief Libie, in overweging om “op individuele titel deel te nemen aan de multi-laterale beraadslagingen (over wapenbeheersing, milieuvraagstukken en waterverdeling), die naast de directe vredesonderhandelingen gevoerd zullen worden.

Het zijn allemaal ideeen, die voor Algerije buitengewoon moeilijk te slikken zijn omdat de PLO, alsmede de Palestijen uit Oost-Jeruzalem, volgens het Amerikaanse scenario, voorlopig van het hele vredesproces zijn uitgesloten. Minister Brahimi zei dan ook heel behoedzaam dat “de Algerijnse zijde getracht heeft over onze zorgen te spreken en over de punten die van belang zijn”. Met andere woorden: de Algerijnse regering ziet eigenlijk niets in de Amerikaanse ideeen, maar kan zich daartegen moeilijk verzetten, nu het land voor zijn economische overleving meer dan ooit afhankelijk is geworden van de goodwill van het Westen. Vandaar dat het probleem wordt doorgeschoven naar de UMA, die op verzoek van Algiers bijeen moet komen om een “ja, maar”, of een “nee, maar” aan de Amerikanen te verkopen.

De voorlopige uitsluiting van de PLO is voor Algiers zowel politiek als emotioneel onverdragelijk. Te goed herinnert men zich hier dat het Frankrijk van president De Gaulle precies hetzelfde deed met de FLN, die eveneens als onderhandelingspartner voor Parijs gedurende lange tijd onaanvaardbaar was. Met name in Algerije identificeert men zich - meer dan elders - met de Palestijnen, omdat men in de Palestijnse strijd een herhaling, ja zelfs een kopie ziet van de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog.

Vandaar dat El Moudjahid, het partijblad van de FLN, vanochtend stelde dat Bakers vredesvoorstellen “wel erg rieken naar een Pax Americana (...) en dat er of een Palestijnse vrede komt of helemaal geen vrede (...) Algerije mag onder geen enkel beding een verminkte oplossing onderschrijven van het Palestijnse probleem”. Ook andere politieke partijen - met name die van ex-president Ahmed Ben Bella en het FFS van Aidt Ahmed - hebben zich fel uitgelaten tegen steun van Algerije aan de Amerikaanse vredesvoorstellen.

Voor de kenners hier is het ronduit belachelijk dat er sprake is dat Adnan Abu Odeh, Jordaans minister van hofzaken, als vertegenwoordiger van de Palestijnen in Oost-Jeruzalem aan de vredesconferentie zou deelnemen. Als iemand een geassimileerde Jordanier is, die het vertrouwen van koning Hussein geniet, is het wel Adnam Abu Odeh, die door de PLO min of meer als verrader wordt gezien.Maar voor de mensen die Algerije snel op de koers van het Westen willen hebben, gelden al die overwegingen niet. “Wij hebben genoeg voor de Palestijnen gedaan”, kan men in die kring vernemen. “Wij moeten ook aan onszelf denken”. Het zijn precies dezelfde uitlatingen die men in Egypte kon horen na de geruchtmakende verzoeningsreis van wijlen president Sadat in november 1977 naar Jeruzalem.

Vandaar dat de kranten waarschuwen voor een nieuw Camp David. Het onafhankelijke blad Horizons gisteren: “Er is niets veranderd sinds de Camp David-akkoorden, behalve dat de Arabische wereld op de knieen is gebracht en een min of meer geslaagde vernietiging van de Palestijnse nationale beweging.” En El Moujahid vanochtend: “Washington heeft, dank zij de Iraakse nederlaag, zijn Arabische vrienden er van weten te overtuigen een 'vredesplan' te ondersteunen dat in niets van Camp David verschilt.” Het onafhankelijke blad Al Watan schreef dat Veiligheidsraad resolutie 242, waarop de vredesconferentie gebaseerd is, volgens de originele Engelse versie Israel niet verplicht om alle bezette gebieden op te geven.

Maar de Algerijnse buitenlandse politiek is al lange tijd pragmatisch en realistisch, welke stoere verklaringen men ook naar buiten uitgeeft. Minister Brahimi ontkende in feite niet wat Baker zei: “Dat Algerije krachtig steun geeft aan de pogingen om tot een alles omvattende en blijvende vrede in het Midden-Oosten te komen”.

Misschien daarom heeft president Chadli Benjedid in principe aan Yasser Arafat toestemming gegeven om het PLO-parlement in Algiers bijeen te roepen. Het gebaar lijkt op onvoorwaardelijke steun van Algerije aan de PLO (hoewel de PLO, zoals gebruikelijk, wel zelf de kosten van de conferentie moet betalen), maar is het niet.