Stelen van anderen.

Stelen van anderen

Hofdolheid

Literair machismo

Stelen van anderen

Klaarblijkelijk is Joost Zwagerman (van het veelbesproken Gimmick!) weer aan een roman bezig. Een fragment in Optima schildert het onprettige bestaan van een minkukel in Alkmaar, vijftien jaar oud, lelijk en stakerig, met een fascinatie voor het straatje waar de hoeren zitten, en geregeld in elkaar geslagen door andere jongens uit de buurt. Trefzeker wekt Zwagerman ons medegevoel op: “Maar Simon droomde of smachtte zelden. Hij had het te druk met bang zijn. (-) Als hij 's ochtends op zijn met stickers volgeplakte Gazelle naar school fietste, was hij net zo hoekig en iel als het samenstel van stangen van zijn fiets.”

Waar Zwagerman aards en sensueel te werk gaat, is Maarten Asscher, voorin Optima, bijna etherisch. Hij schreef een bedaard, mild verrassend verhaal over een bibliotheek op een Mediterraan eilandje, dat qua sfeer en stijl evengoed 100 jaar geleden geschreven had kunnen zijn. De verteller wordt onverwacht erfgenaam van die bibliotheek. “De hele Bibliotheca Sarrazina, naast mijn woonvertrekken bestaande uit vier ruime kamers die aan alle wanden van vloer tot plafond gevuld zijn met boekbanden, bevat uitsluitend ingebonden blanco papier. Al deze imposante banden, in linnen, met goudopdruk, in octavo of God mag weten hoe fraai en gevarieerd uitgevoerd, zitten afgesloten achter stevige deurtjes met glas of gaas ervoor, zodat niemand anders dan ik er ooit een uitneem.”

Atte Jongstra situeert zijn originele, komische verhaal 'Een benoeming als hovenier' in 1837. Een gezelschap neemt plaats in een postkoets - “Hoe werkt het geheugen? Wat ik niet bij anderen las, bedacht ik zelf wel en dat brengt me in de postkoets van Kiel naar Kopenhagen.” Als gewoonlijk bij Jongstra wordt hier een spel van literaire verwijzingen gespeeld, zij het voor zijn doen ingetogen. Wat te denken van de kapper in het gezelschap: “Niets is veilig voor het knippende schaartje. Zelfs de bijbel werd geplunderd om kapsels maar weer anders te doen lijken dan ze waren.” En wat van de dikke prelaat die spreekt: “Van alle schrijvers veracht ik er geen zo als de compilators, die in alle hoeken en gaten van de bibliotheek naar brokstukken uit de werken van anderen zoeken en deze als graszoden in een perk, midden tussen hun eigen werk plakken. (-) Ik zou willen dat men oorspronkelijke boeken eerbiedigde.”

Vermoedelijk op aanraden van redacteur Jongstra nam Optima een tekst op van postmodernist Milorad Pavic (Chazaars woordenboek). Verder in dit nummer: een fragment uit de nieuwe Brakman, een lezing - tekst van Margriet de Moor, een verhaal van Wouter Donath Tieges en zes gedichten over palmbomen van Huub Beurskens - “Waaruit ontstonden zulke boomsels ooit? Uit een jongenskloot,-door vuur geschonden, aangespoeld gelijk een dadel of een noot.”

Optima 30. Uitg. Contact, 81 blz. (f) 12,50

Hofdolheid

Een tijdschrift om staande te lezen: het themanummer van Parmentier over het koningshuis.

De onverbiddelijk eruit liggende dra M. G. Schenk, wier al persklare biografie van de koningin plotseling door haar uitgever geweigerd werd, schrijft hier over de p.r.-activiteiten van Willem de Zwijger (zijn Apologie) en koningin Wilhelmina, die vanuit Londen haar onderdanen aan zich wist te binden. Wilhelmina krijgt verreweg de meeste aandacht van Parmentier. Zij blijkt het meest tot de dichterlijke verbeelding gesproken te hebben - van jongsafaan tot en met haar begrafenis. “Willemientje - Aorig kiendje, - Waor ik zooveul goeds van heur, - Dukkels, 'k gleuf wel duuzend keeren, - Was 'k neisgierig, vol begeeren - Oe te zien ien kleur en fleur.” En het waren zeker niet de minsten die gedichten over Wilhelmina schreven! Kloos, De Merode, Boutens, Nijhoff en A. Roland-Holst bijvoorbeeld. Kloos: “Wanneer Gij, met Uw aldiepst Zelf alleen gezeten, - Vlug werpt, Vorstin, een blik ter wereld, die daar woelt . . .”. Redacteur Cees van der Pluijm ziet in Wilhelmina (“The only man in the Dutch government” - Churchill) het koninklijk symbool bij uitstek. “Juliana werd in de eerste plaats mens en pas daarna een van alle mystiek ontdaan symbool; Beatrix werd een efficiente manager.”

Het meest indrukwekkend zijn de gedichten die geschreven werden bij de begrafenis van de Moeder des Vaderlands, van J. W. Schulte Nordholt en Chr. van Geel, beiden niet echt maar via krant en tv erbij aanwezig - “Rust zacht. De uitvaart van de witte wijfjesbeer, - de witte pad van het verzet, mis ik. Zij gaat - de tombe in, de poolnacht van een beer . . .” Geels gedicht wordt van zeer nabij geanalyseerd door Guus Middag: “De 'afdaling' van 'oudste god' via 'sneeuwhoen' naar sneeuwbeer en winterslaap maakte de volgende associatie mogelijk: van noordpool naar poolster en van ijsbeer naar grote beer.”

Jan Brands keek zonder enig verder commentaar naar de Oranjereferenties bij A. F. Th. van der Heijden; Nop Maas onderzocht de bijzonder onvriendelijke opinies van koningin Emma in het satirische blad De Roode Duivel ('Een hoer gelijk een paard'): Willem Oltmans geeft zijn mening ten beste (“Beatrix drijft alle normale mensen, die niet haar koninginnedansje meedraaien, in de gordijnen”); en Harry Prick citeert die altijd weer onweerstaanbaar geestige Van Deyssel (o wanneer verschijnt zijn biografie) over het koningshuis en de eerst bij Zola verworpen (“zoo een leelijke vlek op die vroeger zoo streng leege borst”) maar later zelf graag aanvaarde ridderorde: “Een dekoratie, dat is 'un crachat de roi', en nu mogen generaals en geleerden nog steeds met graagte hun borsten ophouden om er die blinkende fluimen op te ontvangen, de literatuur daarentegen zou zich, al stonden alle keizers, koningen en republiek-prezidenten al smeekend achter haar, nog niet moeten verwaardigen hun op de borst te spuwen.”

Thera Coppens voelde medewerkers aan de tand van Wilhelmina uit de tijd van haar memoires Eenzaam maar niet alleen. Aan een wellicht gecensureerd hoofdstuk ontleende Parmentier de ondertitel van dit nummer: “Volgens een getuige die niet bij name genoemd wil worden, verwijderde Wilhelmina na overleg met zichzelf een hoofdstuk dat ze 'Hofdolheid en hermelijnkoorts' had genoemd.

Parmentier, 2de jrg. nr. 3, Hofdolheid en hermelijnkoorts. 80 blz. (f) 15.

Literair machismo

Spanjes beroemdste architect, de Catalaan Antoni Gaud, heeft nooit Spaans geleerd. Paul Ophey schrijft over de schepper van de opmerkelijkste Barcelonese gebouwen in het Jose Mart Journaal. “Een recente controverse over het al dan niet voltooien van de kathedraal Sagrada Familia berust in feite op het probleem dat niemand precies weet wat het betekent om in Gaud's geest verder te bouwen.”

De Nederlandse hispanist Robert Lemm werd voor dit nummer genterviewd door Amira Armenta. Volgens Lemm was het Spaanse kolonialisme, in Latijns Amerika, meer dan het Engelse en het Nederlandse gericht op bekering van de inheemsen: “Hoezeer de Spanjaarden ook roofden, hoeveel ze ook vernielden, ze lieten ook iets achter.” Fuentes en Marquez beschuldigt Lemm van 'literair machismo', de Spanjaarden van nu in het algemeen van 'Eurokoorts'. Het komende jaar kunnen we alternatieve visies op Columbus verwachten, in 1992 is het 500 jaar geleden dat hij (of misschien toch dat groepje vissers uit Bristol?) Amerika ontdekte.

Aardig in dit nummer zijn de opmerkingen van de associatief schrijvende Braziliaanse Clarice Lispector (1925-1977) - “Ik beschouw mezelf niet als een professioneel schrijfster want ik schrijf alleen wat ik wil” en “Niet overal bestaat een bewijs voor. Je moet er gewoon in geloven. Huilend geloven.”

“Wat is meer sensueel dan tegelijkertijd naar mooie muziek te luisteren en lekkere ham te eten” is een uitspraak van flamencogitarist Paco de Lucia; Doortje ter Horst bezocht het nu geheel verlaten bergdorpje waar de auteur Julio Llamazares opgroeide en waar nu wilde paarden, wilde zwijnen en reebokken (of steenbokken?) huizen; verder zijn er besprekingen van boeken, muziek, toneel en nog meer uit de Spaanstalige wereld.

Jose Mart Journaal 4de jrg. nr. 4. Herengracht 259 Amsterdam, 020-6228735, 55 blz. (f) 9.95