Politie plaatst taps op openbare telefooncellen

ROTTERDAM, 6 AUG. Het aftappen van openbare telefooncellen door de politie komt voor in gevallen van zware criminaliteit, zoals drugshandel, overvallen en ontvoeringen. Dit blijkt uit verklaringen van advocaten en officieren van justitie. Volgens de woordvoerder van het ministerie van justitie wordt niet centraal bijgehouden hoe vaak het gebeurt.

Advocaat T. Stein heeft aangekondigd naar aanleiding van het afluisteren van gesprekken in een openbare telefooncel in Dokkum, zich te zullen wenden tot de Tweede-Kamercommissie van Justitie. Van deze telefooncel maakte onder meer zijn van drugshandel verdachte client gebruik. Volgens Stein is zijn actie echter ingegeven door verontwaardiging over de aantasting van de privacy van andere wijkbewoners die van deze cel gebruik maakten. Volgens hem zouden voor het tappen van openbare cellen scherpere richtlijnen moeten gelden dan voor het tappen van particuliere telefoons. Nu is dat niet het geval. Om een telefoon te mogen aftappen heeft de politie toestemming nodig van de rechter-commissaris. Er moet een sterk vermoeden zijn dat de verdachte gebruik maakt van de desbetreffende telefoon.

Bekend is dat in de ontvoeringszaken van Gerrit-Jan Heijn en Valerie Albada Jelgersma cellen zijn afgetapt. Verscheidene advocaten kennen zaken uit hun eigen praktijk waar ze met afgetappen van telefooncellen werden geconfronteerd. De advocaat A. Moszkowicz zegt een dergelijk geval een keer bij de hand te hebben gehad in een drugszaak en weet van een collega dat die hetzelfde heeft meegemaakt. Zijn collega P. Doedens heeft net een dossier voor zich liggen van een zaak die deze week voorkomt, waar een cel is getapt. Hij zegt “tal van dossiers” te hebben gehad waarin dit is gebeurd. Volgens hem komt het wel vaker voor, ook als het niet uit de processen verbaal blijkt. Justitie is alleen verplicht er in de stukken voor de rechtszaak melding van te maken als de gegevens die de tap heeft opgeleverd relevant zijn voor de bewijsvoering. Als ze niet strikt nodig zijn, laat justitie ze vaak liever weg, aldus Doedens, om niet te veel over de opsporingsmethoden te onthullen. Persofficieren in Amsterdam en Den Haag zeggen het in hun eigen praktijk nooit te hebben meegemaakt. Hun Rotterdamse collega mevrouw L. de Jonge herinnert zich uit haar ervaring van tien jaar “twee a drie gevallen”.